• blad nr 17
  • 30-10-2010
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

10 tips 

Help ze kiezen

Vroeger werd je bakker als je vader brood bakte. Je studeerde rechten als je vader en zijn broers hetzelfde pad bewandelden. Was je moeder verpleegkundige? Dan werd jij het ook. Anno 2010 worden de kaarten anders geschud: hoe kiest een jongere zonder te verdwalen in het woud van mogelijkheden? Wat kan een school, een docent doen? Tien tips.

Tekst Marieke Davidse

1. Neem ze bij de hand
‘Qua hersenontwikkeling zijn jongeren rond hun vijftiende nog lang niet toe aan een keuze voor later’, schrijven Huub Nelis en Yvonne van Sark in hun boek Puberbrein binnenstebuiten. ‘Kiezen op de korte termijn gaat hen steeds beter af, maar “later” staat niet hoog op hun prioriteitenlijst. De enige manier om ze toch door een keuzeproces te leiden, is ze aan de hand mee te nemen. Ook al zeggen ze van niet, ze hebben grote behoefte aan iemand die doet waar hun prefrontale cortex nog niet toe in staat is: vooruitdenken.’

2. Doe het stap voor stap
Decaan Krijn Durieux (Andreas College, vmbo, te Katwijk) en de mentoren begeleiden hun tweedejaars leerlingen stapsgewijs. Durieux ervaart: “Een voorlichtingsuurtje aan het begin van het tweede jaar is voldoende om het keuzeproces in gang te zetten, maar vaak onvoldoende om aan het eind van datzelfde jaar een van de vier sectoren te kiezen. Dus bezoeken de leerlingen twee voorkeursectoren en praten met vakdocenten, zodat ze een concreter beeld krijgen. Denk je aan techniek? Dan is ruimtelijk inzicht nodig. Handel en administratie? Dan is het handig als je stil kunt zitten. Wekelijks krijgen de tweedejaars van hun mentoren het vak sectororiëntatie, waardoor ze zichzelf beter leren kennen. Later in het schooljaar bezoeken de kinderen de sector van hun keuze nogmaals een halve of hele dag. Aan het eind van het schooljaar is het de meeste leerlingen duidelijk in welke sector ze verder willen.”

3. Investeer in decanen
“Studie- en beroepskeuzebegeleiding is dikwijls zo goed of slecht als de decaan, met andere woorden: de kwaliteit van de begeleiding hangt sterk van de persoon af”, ondervindt Theo Grevers, studie- en beroepskeuzeadviseur. “Decanen worden vrijwillig decaan en leren het vak al doende. Natuurlijk volgen ze ook gerichte trainingen over het keuzeproces van leerlingen en verantwoord testgebruik. Decaan zijn vraagt andere competenties dan het docentschap. Enerzijds moet je kunnen en durven leidinggeven aan de mentoren. Anderzijds heb je affiniteit met het keuzeproces van jongeren. Je voert (individuele) gesprekken met jongeren. Het is van belang dat je kunt luisteren, doorvragen en oog hebt voor de gevoelens en behoeften van de jongere. En hoe betrek je de ouders? Hoe maak je een keus uit het aanbod aan testen? Decaan zijn staat niet op zichzelf.”

4. Laat zien waartoe lessen dienen
Grevers: “Leerlingen zijn vaak onvoldoende gemotiveerd voor lesstof waar ze het nut niet van inzien. Een docent kan dit omkeren door de jongeren te laten zien hoe in toekomstige beroepen de lesstof kan worden toegepast. Deze actie houdt ook de docent scherp.”

5. Betrek ouders
Vraag ouders actief mee te werken aan de keuze van hun kind. Meer dan 50 procent van de jongeren geeft aan ouders als de belangrijkste adviseur te zien. Ouders kunnen wellicht hun kind met mensen uit hun netwerk laten praten, zodat ze een beter beeld krijgen van het beroep dat zij ambiëren. Als de jongere behoort tot die 10 tot 20 procent die niet actief bezig is met kiezen, adviseer ouders dan mee te gaan naar open dagen en wijs hen op het nut van meeloopdagen op mbo’s, hogescholen of universiteiten.

6. Gebruik het netwerk
Nelis en Van Sark: ‘Moedig leerlingen aan om tijdens hun oriëntatieproces zoveel mogelijk te praten met mensen die het beroep al praktiseren. Gebruik het netwerk van ouders en leerlingen van de hele school om leerlingen in contact te brengen met beroepen waar ze van dromen, maar niemand in kennen.’

7. Breng kwaliteiten in beeld
Een goed zelfbeeld is van groot belang bij het maken van een studiekeuze. Vraag leerlingen zo eerlijk mogelijk tegenover zichzelf te zijn. Wat vind je leuk, wat kan je goed? Sterke, zwakke kanten? Docenten, ouders en leerlingen zijn vaak geneigd om een opleiding of beroep als uitgangspunt te nemen. Terwijl de focus even zwaar moet liggen op de kwaliteiten van de leerling. Kwaliteiten kunnen in kaart worden gebracht door bijvoorbeeld capaciteiten- of interessetesten. Hieruit wordt duidelijk waar een leerling goed in is en aardigheid in heeft. Wanneer een leerling zich bewust is van zijn kwaliteiten en valkuilen, wordt de keuze voor een vervolgopleiding of beroep minder lastig. Dan zoek je namelijk naar een klik tussen zelfbeeld en beroepskeuze.

8. Kijk naar de inhoud
De inhoud van een en dezelfde studie kan per instelling flink verschillen. Attendeer jongeren erop goed naar de inhoud van de opleiding te kijken: welke vakken worden er aangeboden, welke richtingen zijn te volgen na het eerste jaar en welke onderwijsvormen worden gehanteerd? Vraag de jongere te letten op de studieomgeving waarin hij zich prettig voelt. Van de middelbare schooltijd weet een jongere waarschijnlijk wel in welke cultuur hij het best gedijt: bijvoorbeeld op een kleine, knusse school of op een grote scholengemeenschap.

9. Test
Nelis en Van Sark: ‘Een goed beroepskeuzeprogramma in combinatie met een reeks persoonlijke gesprekken biedt de beste kans op een reëel beeld van studies en beroepen. Is het toch nog onvoldoende dan rest de studie- en beroepskeuzetest. Nu zetten scholen dit middel vanwege de hoge kosten vooral in noodgevallen in; slechts een enkele school maakt voor zijn leerlingen standaard van dit soort tests gebruik. Maar dan leidt een test volgens zowel de betrokken decanen als de ouders en leerlingen tot een beter onderbouwd keuze. Dat wil niet zeggen dat leerlingen echt verband leggen tussen deze kennis en de betekenis ervan voor hun eigen leven. Daar is het puberbrein nog niet aan toe. Het is gewoon nog te vroeg.’

10. De perfecte keus bestaat niet
Leg jongeren uit dat de perfecte keuze niet bestaat. Er is altijd onzekerheid en soms ook rouw. Grevers: “Een meisje, 6-gymnasium, meldde zich bij mij. Ze is kunstzinnig, goed in muziek. Ook wis- en natuurkunde vindt ze leuk. Wat moet ze kiezen? In onze gesprekken komen ook de consequenties van haar eventuele keuze aan bod. Zodat ze ook later nog weet: ik maakte een onderbouwde keuze. Dat maakt de kans op weer twijfelen en vervolgens een andere studierichting kiezen, kleiner.”

{noot}
Huub Nelis en Yvonne van Sark, Puberbrein binnenstebuiten, Kosmos Uitgevers, ISBN 9021548895, €24,95.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.