- blad nr 17
- 30-10-2010
- auteur N. van Dam
- Redactioneel
Tentoonstelling over straffen en belonen
Laatste waarschuwing
De bullenpees, de roede, de plak, het ezelsbord waarmee een leerling de publieke schande over zich kreeg: ze zijn allemaal uitgestald op de tentoonstelling Laatste waarschuwing. Tussen deze strafwerktuigen lijkt de pechvogel misplaatst. De ouderwetse, handgenaaide vogel van eenvoudige witte stof ziet er meer uit als een ouderwetse knuffel, een beloning eerder. Bedrieglijk, als de onderwijzer in de zeventiende eeuw de pechvogel naar een leerling gooide, betekende dat onheil. De leerling moest hem terugbrengen, waarna de onderwijzer het kind met de plak op de handen sloeg.
Het woord ‘pechvogel’ is ontstaan doordat het gebruik was stokken met pek - toen nog gespeld als pegh - in te smeren om vogels te vangen. Sindsdien hebben de woorden pek en pik vaak een ongunstige betekenis gekregen. Dat duurde zeker tot de jaren dertig van de vorige eeuw, toen H. Klokkers schreef aan het toenmalige dagblad Het Vrije Volk dat hij door zijn klasgenootjes ‘het pikkie van de meester’ werd genoemd, het lievelingetje op wie de klasgenoten neerkeken. ‘Op school had ik vaak de deur, zo noemden we dat. Die mocht je dan openen als er werd gebeld. Ook mocht ik altijd de fiets van de meester aannemen en in het fietsenhok zetten, kolen halen voor de kachel en bij mooi weer op de speelplaats de inktpotten schoonmaken. En dan was er nog de verzorging van het aquarium en de planten voor het raam. In die dingen viel ik op en daardoor noemden ze mij het pikkie van de meester. Ze waren jaloers.’
De tentoonstelling in het Nationaal Onderwijsmuseum laat de historische tijdlijn van straf beginnen in de Romeinse tijd, zo’n 100 jaar na Christus. Voor zover bekend werd er toen niet beloond. De tucht voor de jongens (meisjes gingen niet naar school) was streng. Uitgangspunt was wel dat de onderwijzers zoveel mogelijk lichamelijke bestraffing probeerden te voorkomen door de jongens aan te spreken op hun gevoel voor eer en plichtsbesef. Maar de onbekwame en ongeschoolde leerkrachten faalden al snel en namen toch hun toevlucht tot lichamelijke straffen, die niet zelden in wreedheden ontaarden.
Terroriseren
In de veertiende eeuw maakten onderwijzers gebruik van medeleerlingen die geacht werden een boosdoener te verklikken. Een Zwolse schoolwet uit 1563 stelde leerlingen zelfs verplicht te helpen bij het toezicht houden. Ook kwam het voor dat klasgenoten een leerling die geslagen ‘moest’ worden, moesten vasthouden, zodat de onderwijzer zich volledig op het kastijden kon concentreren. De zwaarte van de straf was volkomen afhankelijk van de nukken van de rector.
De Zwolse wet kwam tot stand nog nadat Desiderius Erasmus (1466-1536) het onderwijs in zijn tijd bekritiseerde. Over onderwijzers schrijft hij in zijn bekendste geschrift Lof der zotheid: ‘Ze zijn zeer met zichzelf ingenomen, zolang ze hun angstige schare terroriseren met hun dreigende gezicht en stemgeluid, zolang ze met roeden, takken en zwepen de arme kindertjes tot bloedens toe slaan en zolang ze op alle mogelijke manieren volgens hun eigen willekeur woedend tekeergaan.’ Zijn pedagogisch advies is de straffen achterwege te laten en in plaats daarvan de onderlinge wedijver tussen leerlingen te stimuleren, op speelse wijze.
In gereformeerde kringen sloegen Erasmus’ denkbeelden weinig aan. Al wilde men bloedvergieten vermijden. De gereformeerde onderwijzer Dirck Adriaans Valcooch bracht in 1591 een op rijm geschreven handleiding voor leerkrachten uit met de tekst: ‘Weest coel ghesint, niet hittigh van gemoeden, U instrumenten zullen slechts wesen plack en roeden.’ Daarmee bepleitte hij eigenlijk een matiging van de lijfstraffen. Op het hoofd slaan raadde hij af: ‘Door het slaen der kinderen aan ’t hooft veel ongemacken komen te ontstaen.’
Afgaande op schilderijen uit de zeventiende eeuw blijkt dat roede, pechvogel en plak belangrijke instrumenten waren om de orde in het lokaal te handhaven. De Bijbel leverde de onderwijzers de richtlijnen voor het straffen. Het godsdienstige boek was vaak het enige waarop zij zich baseerden, omdat zij meestal geen pedagogische, laat staan didactische, scholing hadden gehad. Het Bijbelboek Spreuken stelt in hoofdstuk 23: 13 en 14 in de toen gebruikte Statenvertaling:
- ‘Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.’
- ‘Gij zult hem met de roede slaan en zijne ziel van de hel redden.’
Dwang
In de achttiende eeuw ontstond langzaam maar zeker meer kritiek op de onnadenkende, wrede manier van straffen. Filosofen in heel Europa stelden dat kinderen op passende wijze opgevoed moesten worden. De Engelse verlichtingsfilosoof John Locke (1632-1704) schreef weliswaar vooral over de kinderen uit de betere standen, maar zijn mening dat wreed straffen meer kwaad dan goed aanricht, vond ruim gehoor. ‘Klappen en allerlei soort van slaafse lichamelijke straffen zijn niet de tuchtmiddelen die men moet gebruiken bij de opvoeding.’
Beloningen raadde hij ook af. ‘Wie zijn zoon appels of suikergoed geeft, om hem zijn les te doen leren, moedigt slechts zijn zucht naar vermaak aan en koestert een gevaarlijke neiging, die noodzakelijk onderdrukt moet worden.’
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) is ongetwijfeld de bekendste pedagoog uit de verlichting. Hij geloofde in de aangeboren goedheid van de mens. Een kind dat opgroeit zonder dwang en straf weet het beste zelf wanneer het iets verkeerd doet. In romanvorm is na te lezen hoe dat uitpakt voor een jongen die dicht bij de natuur wordt opgevoed door een gouverneur in Emile ou de l’éducation (1762).
‘Jantje zag eens pruimen hangen, o! als eieren zo groot’, dichtte Hieronymus van Alphen (1746-1803) in de verlichtingstijd, waarin de opvoeding tot brave burger een belangrijk pedagogisch doel was. Belonen was voor de dichter niet verboden blijkens zijn gedicht De goede eerzucht, Eene klagt van Daantje:
Ach mij! Ik ben verdrietig,
Ik heb den prijs verloren,
Dien vader beloofd had,
Aan hem, die ’t beste leerde.
Dat boek met mooie prentjes,
Met groene zijden lintjes,
Waar ik zo naar verlangde,
Heeft Jantje nu gekregen;
Om dat hij ’t best kon schrijven,
En ’t vlugst was in het lezen.
Ja op de kaarten kon hij
De landen en rivieren,
De zeeën en de steden,
Het gauwst van allen vinden.
Eer en schande
De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen bracht in Nederland in 1784 vooral de verlichting het onderwijs binnen. In het hele land richtte de maatschappij plaatselijke afdelingen op en scholen. Onderwijzers van ’t Nut moesten rekening houden met het karakter van de leerlingen en hen vooral uitleggen waarom bepaald gedrag ongewenst was. Emoties als eer en schande zouden er vervolgens voor moeten zorgen dat een leerling zijn ongewenste gedrag in het vervolg achterwege zou laten.
Tegen beloningsstelsels die opgang maakte aan het begin van de negentiende eeuw koesterde ’t Nut ook weer bedenkingen. In principe keurde de maatschappij een prijs goed, maar vroeg zich tegelijkertijd af of de boeken, pennen, kaarten en zelfs versnaperingen wel tot betere leerprestaties zouden leiden. En de prijzen gingen ten koste van de bescheidenheid, terwijl ze de eerzucht aanwakkerden.
Alle verlichtingsideeën drongen niet overal even snel door. Rond 1785 tiranniseerde in Haarlem ene stadsschoolmeester Schouten zijn klas met in zijn hand ‘een lijvig touw in de gedaante van bullenpees’. Een collega noteerde in zijn dagboek: ‘Maar de allerwreedste straf wedervoer Grietje Mesman, een meisjes van twaalf die met het touw zulk een slag op den rug, digt bij den hals, ontving, dat zij van de bank viel en, op de grond liggende bewusteloos haar water loosde: terwijl ze altijd een krommen hals behouden heeft.’
De predikant Jacob Hendrik Floh (1758-1830) schreef een verhandeling over straffen en belonen, die model heeft gestaan voor de schoolwetten 1801 en 1806. Straffen zijn nodig, vond hij om ‘den moedwil, dartelheid en weelde’ van de leerlingen te beteugelen. Beloningen konden zijns inziens helpen om eerzucht en jaloezie op te wekken, wat hem noodzakelijk leek. In de wet kwam te staan dat luiheid en slecht gedrag gestraft dienden te worden, door de leerling 1) op de achterste bank te plaatsen, 2) een aantekening in het boek van slecht gedrag te geven, 3) zijn naam te laten schrijven op het schandbord, 4) hem afzonderlijk te laten zitten, zonder te mogen leren. Alleen bij zware overtredingen mogen lichamelijke straffen volgen (5) en de allerzwaarste straf is van school verwijderen (6).
Wc schoonmaken
Pas in 1820 volgde een landelijk voorschrift dat lijfstraffen verbood, maar ondertussen bleven die tot diep in de twintigste eeuw doorgaan. De verhalen over een tik met de aanwijsstok of een liniaal zijn talrijk.
Uit het iets minder verre verleden stamt de directeurskamer die het museum heeft nagebouwd. De bezoeker kan daar aan den lijve (her)ondervinden wat de reactie was van de directeur, nadat je iets had uitgespookt: in de klas praten, niet opletten, te laat komen of het huiswerk niet af. Maar tegenover deze strafpraatjes staat één positieve reden om de directeurskamer in te gaan. Als je je foutloos dictee mocht laten zien, spreekt de mannenstem je tevreden toe.
De laatste jaren bepleit de orthopedagoog Astrid Boon een herwaardering van de strafregel in het voortgezet onderwijs. Maar Amsterdamse scholieren, daarna gevraagd voor een universiteitsscriptie, haten wc’s schoonmaken het meest als straf. Dat ervaren zij als nog erger dan het afnemen van een recht op herkansing of geschorst worden.
‘Laatste waarschuwing’ is tot en met 14 augustus 2011 te zien. Er is een educatief programma voor groep 5 tot en met groep 8.
Nationaal Onderwijsmuseum, Nieuwe Markt 1a, Rotterdam,
www.onderwijsmuseum.nl