• blad nr 17
  • 30-10-2010
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

Ze blijven minder zitten en gaan vaker naar de universiteit 

Herfstkinderen hebben een voorsprong

Kinderen die in de maanden oktober tot december worden geboren, zijn op de basisschool doorgaans de oudsten van hun kas. Dat geeft ze bij het leren een voorsprong die ze de rest van hun leven niet meer kwijtraken. Maar blijft dat zo nu de scholen hun doorstroombeleid aanpassen?

Eén zinnetje schrapte basisschool de Zonnewijzer in Heerhugowaard uit de schoolgids. Maar wel een cruciaal zinnetje, dat grote gevolgen kan hebben voor het onderwijs en voor de schoolcarričre van leerlingen. Ja, zelfs voor het latere maatschappelijke succes van leerlingen.
Het zinnetje luidde dat leerlingen die doorstromen naar groep 3, voor 1 oktober zes jaar oud moeten zijn. Wie na deze datum is geboren, blijft nog een vol jaar in groep 2. En dat betekent dat kinderen die in de herfst zijn geboren, tussen oktober en december, in totaal ruim tweeënhalf jaar in de kleutergroepen zitten. Ze beginnen immers in oktober tot december in de kleutergroep, en na de eerste grote vakantie volgen er nog twee hele schooljaren.
Maar dat automatisme verdwijnt op de Zonnewijzer. Voortaan wordt een kind niet meer ingedeeld aan de hand van zijn geboortemaand. Nee, van iedere leerling wordt de ontwikkeling op allerlei gebieden (cognitief, sociaal-emotioneel, motorisch) in de gaten gehouden. En kijkt men of hij eraan toe is door te stromen naar groep 3. Want sommige herfstkinderen, zo is in elk geval de theorie, zijn na anderhalf jaar kleuteren al klaar voor groep 3. En zo niet, dan blijven ze - net zoals tot nu toe de gewoonte was - gewoon tweeënhalf jaar over de kleuterperiode doen.
Ook op andere scholen wordt het automatisme dat herfstkinderen tweeënhalf jaar in de kleutergroep zitten, losgelaten. De scholen gaan daarmee voldoen aan de Wet op het basisonderwijs uit 1985, die maatwerk vraag bij de doorstroom naar groep 3. Het loslaten van het automatisme gebeurde destijds echter alleen op papier: vrijwel alle scholen bleven als overgangsdatum 1 oktober aanhouden. En vaak duurt dat voort tot op de dag van vandaag.
Terwijl die overgangsdatum wel zorgt voor een scheve leeftijdsverhouding tussen de leerlingen. Want in groep 3 zit de leerling die op 30 september jarig is naast de leerling die op 2 oktober jarig is. Maar die oktoberleerling, het herfstkind, is dus doorgaans een jaar later ingestroomd - en dus een jaar ouder. En hij kan de lesstof daardoor beter aan dan zijn jongere klasgenootjes. Maar goed, leraren kunnen omgaan met verschillen in de groep, dus dat is geen probleem.
Tenminste, in theorie. Uit onderzoek blijkt dat de leeftijdsverdeling wel een probleem is. Een vrij groot probleem zelfs, met name voor de lente- en zomerkinderen. Uit cijfers van Ad Dudink, docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam, blijkt bijvoorbeeld dat lente- en zomerkinderen duidelijk vaker blijven zitten op de basisschool, zie grafiek op pagina?.

Schoolrijp
Ook uit internationaal onderzoek blijkt dat de oudste kinderen een duidelijke voorsprong hebben op hun jongere klasgenootjes. In België zijn het vooral de oudere leerlingen die een klas overslaan, en de jongste leerlingen die blijven zitten. Uit Schots onderzoek blijkt dat de jongste kinderen in de klas het meeste risico lopen op psychische problemen.
De voorsprong van herfstkinderen werkt door in het voortgezet onderwijs, en zelfs daarna. In Amerika stromen bijvoorbeeld duidelijk meer oudere kinderen door naar het hoger onderwijs. Zo ook in Vlaanderen: daar hebben oudere kinderen 15 procent meer kans om een universitaire studie te beginnen dan de jongsten in de klas. De oudere kinderen worden in andere landen overigens geen ‘herfstkinderen’ genoemd, omdat de instroommomenten vaak op andere momenten in het jaar liggen. Maar de trend is duidelijk: oudere kinderen in de klas hebben een voordeel.
In Nederland werd dat in 2001 nog eens bevestigd door onderzoeker Erik Plug van Universiteit van Amsterdam. Herfstkinderen hebben in ons land 16 procent meer kans een universitaire studie af te ronden.
Docent Dudink van de Universiteit van Amsterdam maakt zich kwaad over dit principe. Niet over de voorsprong van de herfstkinderen, maar over het nadeel dat lente- en zomerkinderen ondervinden. “Het probleem wordt weggewuifd, of bij de kinderen neergelegd. Het jongste kind in een groep is nog niet ‘schoolrijp’, zo wordt er gezegd. Maar in feite is een school vaak niet ‘kindrijp’. Tenminste, niet voor de jongsten in de klas. Die jongste in groep 3 denkt nu: Ik zal wel gewoon niet zo slim zijn.”
Toetsen zouden op leeftijd moeten worden gecorrigeerd, vindt Dudink. “Neem gewoon dezelfde toets twee keer per jaar af. Eerst voor de herfstkinderen, een half jaar later voor de lente- en zomerkinderen.” Zo wordt beter duidelijk of een lage score te wijten is aan een gebrek aan intelligentie van het kind, of gewoon aan zijn geboortemaand. “Het is triest dat relatief veel kinderen een diagnose als adhd of dyslexie krijgen opgeplakt, alleen maar omdat ze de jongsten zijn in de klas.”

Vervelen
Dat scholen nu bezig zijn het automatisme van 1 oktober los te laten, heeft een simpele reden: het moet. Van de inspectie, is de heersende mening. Want die Onderwijsinspectie zou de overgangsdatum van 1 oktober verschuiven naar 1 januari.
Jan-Willem Swane, woordvoerder van de inspectie, moet daar een beetje van zuchten. Want dat klopt gewoon niet. “De datum van 1 oktober stamt van voor de invoering van het basisonderwijs. Die datum is destijds losgelaten. Er valt dus ook niets te verschuiven naar 1 januari.” Er moet al jarenlang – wettelijk - op individueel niveau worden gekeken of een leerling toe is aan de doorstroom naar groep 3. En daar let de inspectie dus op. “Als wij zien dat de leerlingen nog standaard doorstromen aan de hand van hun geboortemaand, spreken wij een school daar wel op aan. Want een leerling die toe is aan groep 3, moet toch kunnen doorstromen? Dat is in zijn eigen belang. Anders loopt hij nodeloos vertraging op.”
Maar hoe lever je als school dat maatwerk per leerling? Die vraag staat centraal in de cursus ‘Herfstkinderen’ van SONedutraining. Een deel van het antwoord is: “Vroeg beginnen”, zegt trainer Marja van Almelo. “Als een kleuter de school binnenkomt, moet je al in kaart brengen wat hij kan. En die ontwikkeling moet je in de gaten blijven houden.” Het tweede deel van het antwoord is dan ook: verslagen maken en bijhouden. Zo kan je zien wanneer de leerlingen gaan voldoen aan de criteria voor de overgang naar groep 3.
En het opstellen van die criteria is het allerbelangrijkste. Van Almelo: “Het gaat niet alleen om cognitieve vaardigheden, maar om de sociaal-emotionele ontwikkeling, de omgang met anderen, de motoriek. En dat moet je allemaal goed beschrijven.” En doe dat vooral met de leerkrachten van groep 3 en 4 erbij, want de kleuterperiode is het fundament waarop zij verder moeten bouwen. Van Almelo: “Een herfstkind dat na anderhalf jaar kleuteren naar groep 3 gaat, zal daar extra begeleid moeten worden. En een herfstkind dat nog een jaartje in de kleutergroep blijft, moet je vaak extra taken aanbieden. Anders gaat hij zich stierlijk vervelen en gaat hij straks naar groep 3 met het stempel ‘dit is echt een heel vervelend jongetje’.”

Bureaucratie
Wie het negatief wil zien, kan zeggen dat leraren door al dat bijhouden van de ontwikkeling van kinderen meer bureaucratie in de klas krijgen. Van Almelo vindt van niet. “Er was een regel – doorstroom tot 1 oktober – en die is weggehaald. Je krijgt als leraar meer vrijheid om te kijken naar de ontwikkeling van individuele kinderen. En dat is een goede zaak.”
Voor Anne-Marie Koppelmans, leerkracht van de kleutergroep op basisschool de Zonnewijzer, is het loslaten van de grens van 1 oktober nog even wennen. En ze staat er, eerlijk is eerlijk, niet bij te springen van vreugde. “Je moet bij kleuters heel goed opletten in welke fase van hun ontwikkeling ze zitten. Als je ze te jong laat doorstromen naar groep 3, geeft dat problemen. Dan belemmer je hun ontwikkeling juist.”
Maar goed, ze heeft de cursus van SONedutraining gevolgd, samen met alle leerkrachten van de onder- en middenbouw. En die was wel erg nuttig. “We hebben nu bijvoorbeeld besloten dat de kinderen die in groep 3 zitten het laatste half uur van de ochtend en middag op bezoek mogen gaan bij hun oude kleutergroep. Dat is goed voor hun zelfvertrouwen, zo kunnen ze er weer even tegen.”
Herfstkinderen van wie Koppelmans denkt dat ze sneller door kunnen naar groep 3, krijgen voortaan bij haar ook al extra begeleiding. En de ouders worden vroeg bij de afweging betrokken. “We zeggen niet pas in mei: uw kind kan na de vakantie naar groep 3.”
Anne-Marie heeft op dit moment vijf herfstkinderen in de klas, en bij twee ziet ze het zitten om ze sneller dan vroeger naar groep 3 te laten gaan. “Ik heb er nog niet helemaal een goed gevoel bij, maar goed, we geven het een kans.”

{kader}
In de sport zijn winterkinderen in het voordeel

Wie in januari of februari wordt geboren, heeft extra kans om topsporter te worden.

Niet alleen op de basisschool worden kinderen ingedeeld aan de hand van hun leeftijd. Ook in de topsport is dat bijna overal ter wereld een gewoonte. In Canada beginnen kinderen bijvoorbeeld met ijshockey in het jaar dat ze tien worden, op 1 januari. Dat principe zorgt voor een behoorlijk leeftijdsverschil binnen de teams: een kind dat in januari 2011 tien jaar wordt, speelt zij aan zij met kind dat pas op 31 december 2011 tien wordt – en dat dus bijna een jaar jonger is.
Welk verschil maakt zo’n voorsprong van een jaar extra fysieke kracht en extra mentale mogelijkheden? Alle verschil van de wereld, zo beschrijft de Amerikaanse auteur Malcolm Gladwell in zijn boek Uitblinkers. Want de oudere kinderen raken die voorsprong niet meer kwijt. Integendeel, doordat de goede (lees: oudere) spelers extra aandacht krijgen, lopen ze alleen maar verder uit. Van de Canadese elitespelers in het ijshockey is dan ook 40 procent geboren voor de maand maart, 30 procent tussen maart en juni, 20 procent tussen juni en september en slechts 10 procent tussen september en december. Er gaat dus heel veel ijshockeytalent verloren doordat de coaches de jongere leerlingen over het hoofd zien. De harde conclusie van Gladwell is: Coaches verwarren leeftijd met aanleg.
Hetzelfde principe geldt voor veel andere sporten. Ad Dudink, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, zette de leeftijden van jeugdspelers voor PSV naast elkaar. Ook bij die spelers begint de selectie op 1 januari. Wat bleek? Bijna de helft van de topspelers was geboren in de eerste drie maanden van het jaar. De maanden april en juni leverden slechts 30 procent van de topspelers op, de maanden juli tot september 13 procent en de maanden oktober tot december 11 procent.
De sport kent zelfs een naam voor dit verschijnsel: relative age effect. “De geboortemaand is echt cruciaal”, zegt Dudink. “Er zijn wel eens mensen die een koppeling met sterrenbeelden maken. Zo van: Watermannen zijn goede voetballers. Maar als je de selectiedatum dan een paar maanden verschuift, zie je dat opeens een heel ander sterrenbeeld juist goede voetballers oplevert.”

{grafiek}
Herfstkinderen blijven minder vaak zitten

Aantal leerlingen dat op de basisschool een klas doubleerde, per geboortemaand:

jongens meisjes

juli 1727 1330
augustus 2088 1653
september 2541 1978
oktober 363 306
november 462 343
december 602 488

Bron: Dudink, Universiteit van Amsterdam, op basis van Cito-eindtoets 2009

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.