• blad nr 16
  • 16-10-2010
  • auteur A. Kersten 
  • Redactioneel

 

Het bedrijfsleven heeft geen verstand van onderwijs'

Van wie is het mbo?
Het Onderwijsblad peilt de stand van zaken in het mbo. De derde aflevering van een korte serie: het competentiegerichte onderwijs. De eerste twee afleveringen gingen over onderwijstijd en personeelsbeleid.

Is het competentiegerichte onderwijs te ver doorgeschoten? Critici vinden van wel. Volgens hen gaat het te veel om attitude en te weinig om kennis. Het bedrijfsleven heeft een flinke vinger in de pap en juicht de verstrengeling met de beroepspraktijk toe. Intussen zuchten instellingen onder de papierwinkel die het nieuwe onderwijs met zich meebrengt. “De sector heeft een behoorlijk probleem”, constateert Coen Free van het Koning Willem I College. Hij wil de oude mbo/havo-opleiding in ere herstellen.

:Tekst Arno Kersten en Gaby van der Mee Beeld Rob Niemantsverdriet

Merel en Ellen (niet hun echte naam) houden van hun vak, maar het komt ze de neus uit dat ze bijna ieder jaar de zaak weer helemaal om moeten gooien. Beiden startten tien jaar geleden in het mbo. Sinds die tijd hebben ze om de twee jaar een reorganisatie gehad. Merel: “We begonnen met modules, toen kregen we taakgericht onderwijs, probleemgestuurd onderwijs, competentiegericht onderwijs. We hebben ons er steeds vol energie op gestort, maar eigenlijk ben je iedere keer het wiel opnieuw aan het uitvinden. Dat brengt heel veel onrust bij het personeel. Gelukkig hebben we een geweldig team en slepen we elkaar er doorheen. Maar ook de leerlingen zitten steeds weer in een experimenteerstadium.”
Het ‘oude’ eindtermgerichte middelbaar beroepsonderwijs maakt stapsgewijs plaats voor competentiegericht onderwijs. Scholen bepalen zelf hoe ze het onderwijs vormgeven, maar landelijk ligt vast welke kennis, vaardigheden en houding van leerlingen worden verwacht. De competenties staan in zogenoemde kwalificatiedossiers die door kenniscentra worden vastgesteld. Zo’n kwalificatiedossier beschrijft puur wat de eisen zijn waaraan een ‘beginnend beroepsbeoefenaar’ moet voldoen. Dat mag op papier tot maximaal tachtig procent van de opleidingsduur in beslag nemen, de resterende twintig procent heet ‘vrije ruimte’.
Het zorgt voor veel, heel veel extra werk. Ellen: “Wij moeten dat ontwikkelen en uitvoeren - dat is van bovenaf opgelegd. Dus dat betekende dit jaar weer een nieuw leerplan, toetsing, planning. Je moet dat vertalen naar de deelnemer. Berekend is nu dat het jaarlijks honderd uur nakijkwerk geeft.” Merel: “Honderd uur is nog optimistisch. Ze moeten om hun opleiding te voltooien zoveel verslagen en reflecties maken en die moeten ook weer nagekeken worden.”
Eenvoudiger is het er allemaal niet op geworden. Per kwalificatiedossier bestaan er meerdere uitstroomrichtingen, allemaal met eigen crebonummer in het Centraal register beroepsopleidingen. Een gewone dakdekker heeft maar liefst zeven richtingen, verdeeld over mbo-niveaus 2 en 3. Daaronder zijn dakdekker pannen/leien (2), dakdekker bitumen en kunststof (2) en allround dakdekker pannen/leien (3). Het complete kwalificatiedossier telt 213 pagina’s. Begin september stelde de Commissie Kwalificeren en Examineren al voor de structuur te versimpelen, wegens ‘niet te onderschatten uitvoeringsproblemen’.
De bureaucratie is zeker toegenomen, vinden Merel en Ellen. Grotere diversiteit in opleidingen voor hetzelfde aantal leerlingen leidde tot een steeds grotere papierhoop. Vroeger was er één opleiding met drie uitstroomprofielen, nu is elk profiel een opleiding. Tien jaar geleden waren er vier mensen voor de administratie, nu is er een heel kantoor van veertig mensen. “Wij krijgen bijles in de codes, pakken papier, het juiste nummer voor de juiste leerling. Vroeger had je een cijferlijst en die leverde je in bij de administratie.”

Humor
Ooit was hij een van de aanstichters van het competentiegericht onderwijs (cgo). Nu vindt hij het allemaal te veel doorgeslagen. “Het gaat nu veel te veel om de attitude en te weinig om de kennis”, zegt Coen Free, directeur van het Koning Willem I College in Den Bosch. “De apothekersbranche luidde onlangs ook nog de noodklok dat de assistenten te weinig kennis hebben. Het is prachtig dat de assistent empathisch is, maar zonder kennis heb je daar toch niets aan?” Free begon zijn kruistocht tegen de uitwassen van het competentiegericht leren met het publiceren van een manifest in 2008. Dit jaar herhaalde hij zijn oproep en inmiddels heeft hij veel medestanders gekregen. “Als je zegt dat iemand 25 competenties kan aanleren, dan creëer je een schijnwerkelijkheid. Je doet net alsof je met onderwijs bezig bent, terwijl veel van de competenties niet aan te leren zijn, omdat het persoonlijke eigenschappen zijn.” In de zomervakantie knipte hij een fors aantal personeelsadvertenties uit. Hij leest de eigenschappen voor die gevraagd worden. Een medewerker servicedesk moet flexibel, dynamisch, oplossingsgericht en stressbestendig zijn èn over een gezonde dosis humor beschikken. Bij een andere functie wordt een ‘hands-on mentaliteit’ gevraagd plus maatschappelijke betrokkenheid. “Dit zijn allemaal persoonlijke eigenschappen, die vind je helemaal niet terug bij de 25 competenties.”
Het model is ooit, in opdracht van het bedrijfsleven, opgezet door de adviesorganisatie SHL. “Je kunt competenties die bedoeld zijn voor personeel niet zomaar op het onderwijs loslaten. En ze zijn al helemaal niet geschikt voor alle niveaus. Elk niveau vraagt namelijk om een eigen didactische aanpak.” Het ‘zelfsturend onderwijs’, waarbij leerlingen zelfstandig moeten leren, is volgens Free een achterhaald concept. “Hersenonderzoek toont aan dat jongeren van die leeftijd dat nog niet kunnen. Daarom hanteren wij nu verschillende didactische vormen voor verschillende niveaus, met ook nog eens een verschil tussen vakgericht en doorstroomgericht onderwijs.”

Aansluiting
Het bedrijfsleven drukt een zwaar stempel op de competentiegerichte kwalificatiedossiers. En daarmee op de eisen die per opleiding aan leerlingen worden gesteld. Vanuit het hoger beroepsonderwijs klinken zorgen over het instroomniveau van nieuwe studenten en de aansluiting vanuit het vo en het mbo. De pabo-opleidingen hebben al taal- en rekentoetsen ingevoerd in het eerste jaar, compleet met bijspijkertrajecten. Vanaf 2013-2014 worden in het mbo centrale examens ingevoerd voor taal en rekenen.
Gertrud Visser, secretaris onderwijszaken bij werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB Nederland, herkent zich niet in een te eenzijdige nadruk van de beroepspraktijk op het onderwijs. “Wij hebben ons juist ernstig zorgen gemaakt over vakkennis de afgelopen tijd. Daar wordt nu meer aandacht aan besteed. Ik vind dat je vakoverstijgende vaardigheden prima in de praktijk van het vak kunt aanleren.” Ook met het taalonderwijs zouden de opleidingen juist bij de beroepspraktijk moeten aansluiten, zegt ze, tenzij het echt niet anders kan. “Wij zijn er voorstander van om taal sterk met de beroepspraktijk te verknopen, omdat we denken dat dat ook voor de leerlingen makkelijker is dan losse lesjes Nederlands, zeker bij de lagere mbo-niveaus.”
En de doorstroming van mbo-niveau 4 naar het hbo, die in de praktijk nogal eens moeizaam is? Visser verwijst naar de 20 procent vrije ruimte in de mbo-opleiding. “Een vijfde is best veel. Bij iemand die naar de arbeidsmarkt wil en een specialisatie wil doen, zou je die vrije ruimte daaraan kunnen besteden. Bij iemand die wil doorstromen naar het hbo, kun je juist aan die onderdelen die blijkbaar klemmen bij de doorstroming, extra aandacht besteden. Van ons hoeft dat niet in het kwalificatiedossier, omdat het mbo ook opleidt voor de arbeidsmarkt. We hebben mbo 4-mensen op de arbeidsmarkt hard nodig. We willen niet dat iedereen doorstroomt naar het hbo, wat ook niet reëel is. Het kwalificatiedossier moet ook tegemoetkomen aan het feit dat wij bepaalde kennis en vaardigheden vragen in de beroepspraktijk.”
Problemen bij de aansluiting tussen mbo en hbo vragen om een aanpak vanuit beide sectoren. Visser: “Het hbo moet ook naar zichzelf kijken. Ik hoor bijvoorbeeld klachten over het aantal contacturen in het hbo. Als je die uitbreidt, kun je misschien ook wat meer doen aan de instroomproblematiek. Ik vind het te makkelijk om alleen naar het mbo te wijzen.”
Met dat laatste is Hein van Otterloo, medewerker onderwijs & innovatie bij het Radius College, het hartgrondig eens. Het Radius omvat de techniekopleidingen binnen roc West-Brabant. “Wij houden ons aan de eisen in de kwalificatiedossiers die zijn vastgesteld door kenniscentra. Dan moet de student redelijkerwijs in staat zijn gesteld door te stromen van mbo-niveau 4 naar het hbo, want dat is ook vastgelegd in de wet. Daarna is het hbo aan zet om in te steken op het niveau waartoe wij verplicht zijn onze studenten op te leiden. We moeten de boel niet gaan omdraaien: dat wij zouden moeten aansluiten op waar zij beginnen. Dat is niet reëel.”
De kwalificatiedossiers vormen het uitgangspunt van het onderwijs, aldus Van Otterloo. “Ik hoor het ook van studenten hier. Die zeggen dan: Het kan toch niet dat wij bijles in wiskunde moeten krijgen op het hbo omdat we hier onvoldoende wiskunde hebben gehad? Dan zeg ik: Waar staat in het kwalificatiedossier dat we je wiskunde moeten leren? Wij moeten zorgen dat we je voor je beroep opleiden. Hoe kan het bedrijfsleven bepalen wat het aanvangsniveau is van het hbo? Nee, het bedrijfsleven geeft aan wat iemand bij een bepaald beroep op een bepaald niveau nodig heeft.”

Doorn in het oog
Dat het bedrijfsleven zo’n grote vinger in de pap van het mbo-onderwijs heeft, is Free een doorn in het oog. Het bedrijfsleven is vertegenwoordigd in de kenniscentra die de kwalificatiedossiers maken. Hij vindt dat veel te ver gaan. “Het bedrijfsleven heeft geen verstand van onderwijs, dus moet het zich daar niet mee bemoeien. In de onderwijswereld zelf moet je al met een lantaarntje zoeken naar mensen die echt verstand hebben van leerprocessen op basis van neurowetenschappelijke inzichten. Het is uitstekend om met het bedrijfsleven samen te werken, maar geef nooit de zeggenschap uit handen. Het onderwijs is van de maatschappij, niet van het bedrijfsleven.” Dat opleidingen nu moeten werken met kwalificatiedossiers van honderden pagina’s leidt volgens Free alleen maar tot ‘afvinkgedrag.’
De opleidingen zijn toch verplicht om hiermee te werken? “Ja, dus de sector heeft ook een behoorlijk probleem. Op het Koning Willem I nemen wij die dossiers voor kennisgeving aan en proberen we er, samen met het regionale bedrijfsleven, verstandig mee om te gaan. Het is voor ons dus geen dogma, dat schrijft de wet volgens mij ook niet voor.”
Volgens Free is het in 1996 misgegaan. Het roc-concept was in wezen een fantastisch concept. Roc’s hadden allemaal mooie plannen, tot de Wet educatie en beroepsonderwijs een feit werd. “Die wet was puur gericht op directe inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt en niet langer op doorstroming naar het hbo. Dat was het begin van de teloorgang en de verwarring. Leerlingen die niveau 1 deden, maar het mbo-niveau helemaal niet aankonden, werden mbo’ers genoemd. Vóór die wet had je gewoon de mts en het meao. Toen was voor iedereen duidelijk welke opleiding je volgde. Nu ziet niemand door de bomen het bos meer.”
Sinds augustus 2009 heten niveaus 1 en 2 van het mbo funderend beroepsonderwijs en niveaus 3 en 4 middelbaar beroepsonderwijs. Free pleit voor drie niveaus: naast funderend onderwijs (niveau 1), wil hij onderwijs dat opleidt voor een beroep (niveau 2 en 3). Mbo-onderwijs is er alleen op niveau 4 en dat geeft recht op doorstroming naar het hbo. Bij de opening van het nieuwe collegejaar kondigde Free aan dat hij tevens de oude mbo/havo-opleiding in ere wil herstellen. Het is een mbo-opleiding waarbij enkele vakken op havo-niveau worden gedaan. “De mbo/havo-opleiding was indertijd de meest succesvolle opleiding van de Mammoetwet, leerlingen kwamen van heinde en verre. Die is toen weggesaneerd omdat de opleiding niet in het concept van de nieuwe wet paste.” Nu is zij weer uit de kast gehaald. “Het zijn”, zegt Coen Free, “heel eenvoudige oplossingen die het aanzien en vertrouwen in het mbo-onderwijs moeten herstellen.”

{KADERTJE}

Anoniem

Voor deze serie over het mbo sprak het Onderwijsblad met een aantal betrokkenen uit het middelbaar beroepsonderwijs. Een deel van hen wilde niet dat hun ervaringen met naam en toenaam gepubliceerd zouden worden, omdat ze vreesden daarvoor op het matje te worden geroepen. Enkelen wilden sowieso niet dat hun verhaal werd afgedrukt - ook niet anoniem - uit angst daar toch problemen mee te krijgen. Los van de vraag of die vrees in alle gevallen terecht is, blijft het opvallend dat docenten en medewerkers zich lang niet altijd vrij voelen om zich kritisch uit te laten over hun opleiding of instelling.

{2 noten}
Meer over de kwalificatiedossiers is te vinden op www.kwalificatiesmbo.nl

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.