• blad nr 16
  • 16-10-2010
  • auteur A. van Voorthuijsen 
  • Redactioneel

 

Help, een scholendokter gezocht!

Er gaat te vaak wat mis bij de nieuwbouw van scholen. En dat is niet alleen een centenkwestie.

De budgetten voor nieuwbouw van scholen zijn krap. Te krap, daar is iedereen het over eens: architecten, scholen, gemeenten, adviseurs, de rijksbouwmeester. Je kunt voor het beschikbare budget van rond de €1500 per m2 best een aardige school bouwen, maar dan moet je niet te veel willen. Architect Michiel Snelder: “Het is toveren met een eitje. Niet gaan experimenteren met nieuwe materialen, slim en wat terughoudend ontwerpen. Niet te veel details, op de ene plek misschien wat besparen door geen verlaagd plafond toe te passen, zodat je ergens anders lekker kunt uitpakken.”
Maar in de scholenbouw wil iedereen – terecht - juist wèl meer, zegt Willem Hein Schenk, een van de directeuren van architectenbureau De Zwarte Hond. “Iedereen wil tegenwoordig een duurzaam schoolgebouw. Iedereen wil een ‘frisse school’ en een bijbehorend certificaat. Terecht, maar duurzaamheid kost altijd geld. In het budget heb je zo’n 10 tot 15 procent extra nodig. Duurzame materialen zijn soms kostbaarder. Als je duurzaam wilt zijn in je exploitatie en je onderhoud, moet je soms meer investeringen doen bij de installaties en de aanschaf van je materialen.”
De manier waarop nieuwbouw nu wordt gefinancierd, staat die duurzaamheidsambities in de weg, constateert Hanneke van Brakel van Bureau Scholenbouwmeester. “Het gebouw is van de gemeente, maar de exploitatie ligt bij de besturen. Zo lukt het dus niet om tijdens de bouw vóór te investeren en daarbij uit te gaan van ‘terugverdientijd’.” De stichting Scholenbouwmeester is een onafhankelijk expertisecentrum voor onderwijshuisvesting met als kerngebied Groningen, Friesland en Drenthe. Het team bestaat onder andere uit een bouwkundige, een milieugezondheidskundige en een architect. Doel: ‘Voor elke leerling en leraar op zo kort mogelijk termijn een passende en gezonde werk- en leeromgeving creëren.’ In het noorden hangen veel huisvestingsproblemen samen met krimp, maar het team begeleidt ook veel nieuwbouwtrajecten. Hanneke van Brakel: “Het traject van aanbesteden, ontwerpen, bouwen en beheren zit niet goed in elkaar. Er zijn te veel mensen bij betrokken. De procedures zijn te ingewikkeld en kosten te veel (maatschappelijk) geld.”

Adviesbureaus
Veel scholen en gemeenten schakelen adviesbureaus in, deels uit onzekerheid. “Kostbare zaak”, merkt Leo van Hofwegen, hoofd facilitaire zaken bij het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, dat over een paar maanden naar een nieuw gebouw verhuist. “Bij ons gaat het over 8000 m2 en we hebben adviseurs op ict-gebied, voor de inrichting, voor bouwtechnische zaken. Het zijn veel schakels en dat maakt de communicatie niet eenvoudiger. Soms denk ik weleens: Twee adviseurs minder en we hadden nieuw meubilair kunnen aanschaffen. Nu moeten alle oude stoelen en banken straks mee naar de nieuwbouw.” Jon van Zoelen, clusterdirecteur van de Katholieke Scholenstichting Utrecht: “Wij werkten bij de nieuwbouw van onze Hof ter Weideschool met een Ierse architect. Daar kwam een Nederlands bureau tussen. En vanuit de gemeente waren er nog veel meer projectleiders en adviseurs bij betrokken: de dienst onderwijs, stadsontwikkeling, het projectbureau Leidsche Rijn. En er kwam secretariële ondersteuning om al die notulen van al die vergaderingen uit te werken. Dat vreet allemaal aan het budget.”
Dat veel scholen hulp nodig hebben bij nieuwbouw staat voor de meeste betrokkenen buiten kijf. Hanneke van Brakel: “Leerkrachten en directies hebben verstand van de inhoud. Maar ze zijn meestal maar één keer in hun loopbaan opdrachtgever voor een nieuw gebouw en bouwen dus geen ervaring op. Alleen al het lezen van bestekken en tekeningen is een vak apart.” Zelfstandig (maatschappelijk)vastgoedadviseur Jeroen van Vliet: “Scholen hebben vaak niet genoeg capaciteit om zo’n arbeidsintensief proces goed te begeleiden. En door gebrek aan ervaring willen ze soms gedurende het traject nog van alles veranderen, maar dat is allemaal meerwerk en kost extra geld.”
De hulp komt nu steeds van andere kanten en er lijkt weinig expertise te worden opgebouwd. Dat was een van de redenen voor de noordelijke provincies om de stichting Scholenbouwmeester in het leven te roepen. Daar wordt de komende jaren gewerkt aan het aanleggen van een databank waarin alle 1100 scholen in de regio door de tijd heen worden gevolgd.

Bevlogen mensen
Een school als opdrachtgever is fantastisch, vindt architect Michiel Snelder van Snelder architecten uit Bussum, dat al tientallen scholen heeft ontworpen: “Het zijn bevlogen mensen, die helemaal voor de inhoud gaan en voor de kinderen.” Willem Hein Schenk, bureau De Zwarte Hond, ook een ervaren scholenbouwer: “Het is echt heel erg leuk. Directie en leerkrachten zijn allemaal erg betrokken en willen alleen maar het beste voor de kinderen. Dan probeer je als architect ook het onderste uit de kan te halen, de vraag achter de vraag te doorgronden, iets mooiers te maken dan je in gedachten had. Je wilt het maximale uit dat magere budget halen, dat moet. Zeker in de scholenbouw moet je als architect over je eigen grenzen heen kunnen kijken. Zo’n klepraampje is misschien niet zo mooi, maar het gaat om het welzijn van de kinderen en de mensen die er werken.”
Scholen zijn geen makkelijke opdrachtgevers voor architecten, vinden ze. Waar zit de crux? Willem Hein Schenk: “Het is taai. Er gaat heel erg veel tijd in zitten omdat je veel overleg in diverse samenstellingen hebt: weer met iedereen rond de tafel, weer een avond waar je moet opdraven. Soms wordt het budget zo geknepen dat er weinig ruimte overblijft om iets bijzonders te doen.” Michiel Snelder: “Het moet altijd allemaal superflexibel. Ze denken dat jij een tovenaar bent die dat allemaal wel in één gebouw kan krijgen.”
De ‘dynamiek’ van het onderwijs maakt het ook niet eenvoudiger, vinden architecten. Michiel Snelder: “We moesten een school ontwerpen met 36 klassen. Werd tijdens het ontwerpproces de leerlingprognose naar beneden bijgesteld, moesten het maar 24 klassen worden. Dat kan natuurlijk. School is nu klaar. En nu moet er toch weer een laag op met twaalf klassen. Het kàn, natuurlijk. Maar het is niet handig.” Leo van Hofwegen van het Stedelijk Gymnasium Utrecht: “Onze nieuwbouw was eigenlijk bedoeld voor een vmbo van dezelfde stichting. Daar heeft de architect, Thomas Rau, het voor ontworpen. Maar door teruglopende leerlingenaantallen is die school gaan fuseren en kregen wij het gebouw. We zijn echt hartstikke blij met nieuwbouw, we zaten veel te krap, maar er zitten natuurlijk wel wat haken en ogen aan.” Zo bestaat het gebouw uit drie segmenten, die pasten bij de drie vmbo-richtingen van de oorspronkelijke gebruiker. Voor een gymnasium is die indeling niet logisch. “De vloeren waren al gestort, terwijl onze bèta-sectie graag alle benodigde leidingen en aansluitingen voor practica vanuit de vloeren had willen laten komen. Dat kan waarschijnlijk niet meer. We hebben een gebouw met scheve ramen en knalgele toiletgroepen. Begrijp me goed: we zijn heel blij met een nieuw gebouw, maar hier hadden we zelf nooit voor gekozen.”

Ellende
De gruwelverhalen over ellende na oplevering van een schoolgebouw zijn ook legio. Op heel wat verjaardagsfeestjes gaan de anekdotes rond: over de architect die teveel kunstenaar wilde zijn, meer op de esthetiek lette dan op het praktische gebruik. De scholen die er weliswaar prachtig uitzien, maar niet schoon te maken zijn of ’s zomers bloedheet worden en ’s winters niet warm te stoken zijn. Geen broodje-aapverhalen, weet Hanneke van Brakel van de stichting Scholenbouwmeester. “Wij vinden het beter als het bouwteam ook verantwoordelijk is voor het beheer. De architect moet niet buitenspel staan zodra het lintje bij de opening is doorgeknipt. Als je niet weet hoe een gebouw functioneert, bouw je daarmee ook geen expertise op als architect.” Ze kent de praktijk: “Leuk, zo’n garderobe in een nis, waar alle jassen hangen. Maar dat leidt dus vijf keer per dag tot moord en doodslag omdat al die kinderen daar niet tegelijk bij kunnen.” Nog een klassieke fout: “De peuter-wc’s op grote afstand van het schoolplein. Als die kinderen moeten plassen, moeten ze ook echt en wel nu meteen.”
Van Brakel: “Je moet de praktijk kennen om goed te kunnen ontwerpen en je moet ervaring hebben met bouwtekeningen lezen om een plan goed te kunnen beoordelen. Als ik een invalidentoilet op tekening zie, vraag ik meteen of men eraan gedacht heeft dat te combineren met een douche. Voor docenten die van ver op de fiets komen, voor leerlingen die een ongelukje hebben gehad. Ik hoor te vaak van beide kanten: we waren erbij, maar we hebben ons niet gerealiseerd wat het betekende.”
Leo van Hofwegen maakt zich enigszins zorgen over de glazen tussenruimtes tussen de drie gebouwdelen van het toekomstige gymnasium. “Toen ik daar afgelopen zomer een keer stond, werd het erg heet. Maar de architect verzekert dat het straks goed komt.”
Bijna alle onderwijsgevenden kennen het schrijnendste voorbeeld op dat gebied: het Metzo College in Doetinchem. De school was tonnen kwijt aan aanvullende, zonwerende maatregelen in verband met het onhoudbare binnenklimaat. Er dreigden zelfs ontslagen te vallen vanwege de extra kosten aan het gebouw.

Afwerking
Tegenvallende exploitatiekosten en losse eindjes bij de afwerking van het interieur zijn ook aan de orde bij de Hof ter Weideschool in Leidsche Rijn. Nog geen vijf jaar na de oplevering moet er alweer drastisch worden verbouwd en daar zijn jaren van conflicten aan voorafgegaan met de gemeente Utrecht. De zaak werd in de rechtszaal uitgevochten, het schoolbestuur werd in het gelijk gesteld. Jon van Zoelen van dat katholieke schoolbestuur KSU: “We zitten in een multifunctionele accommodatie met onder andere een openbare school, een bibliotheek, sportzalen en kinderopvang. Om het werkbaar te houden met zoveel verschillende gebruikers trad het Ontwikkelbedrijf van de gemeente Utrecht op als bouwheer.” Dat bouwheerschap zou de KSU in het vervolg ‘niet meer snel uit handen geven’, kijkt hij terug. Directeur Marianne van Rossum is het van harte met hem eens. “De gemeente heeft in zo’n proces natuurlijk meer belangen dan alleen die van onze school. Er zijn meer gebruikers en de gemeente wilde ook graag een gebouw dat goed paste in de wijk. De buitengevel is prachtig, maar je kunt je geld maar één keer uitgeven en als je zelf in zo’n gebouw moet werken, kies je toch eerder voor de binnenkant, denk ik.”
Van Rossum: “Van binnen is de school niet vanuit het oogpunt van kinderen en het personeel ontworpen. Het is een futuristisch ontwerp, het interieur is kaal, onafgewerkt. Je ziet leidingen lopen, maar erger: die zitten op een hoogte waar kinderen eraan kunnen peuteren. Het trekt bovendien veel stof aan. Er is een plat stalen dak: het wordt bloedheet binnen. De toiletten en de vloeren zijn van geverfd beton en dat is niet schoon te houden.” Je moet als school heel erg duidelijk zijn welk afwerkingsniveau je eist, zegt Jon van Zoelen. Inhoudelijk is er veel dat pleit voor een multifunctionele accommodatie, vindt Van Zoelen. “Maar in de exploitatie heeft het ook behoorlijk wat haken en ogen. We dachten dat het door die clustering goedkoper zou zijn in exploitatie en onderhoud, maar daar zijn we helemaal van terug gekomen. De gymzalen worden ‘s avonds verhuurd, dan wordt er gedoucht en brandt er licht. Wij betalen mee aan die energiekosten, want alles is per vierkante meter verrekend. Je denkt dat je als grote accommodatie goedkoper schoonmaakcontracten af kunt sluiten, maar zo werkt het niet. Het kinderdagverblijf wordt natuurlijk vaker gedweild dan een klaslokaal. De gymzalen moeten weer op een ander tijdstip worden schoongemaakt vanwege die verhuur. Dus het zijn allemaal aparte contracten.”

Integraler werken
Dat er een knip zit tussen bouwen en onderhoud is een bekend probleem bij scholen, zegt ook Staf Depla, wethouder onderwijs in Eindhoven. Eindhoven heeft daarom net een zogeheten dbfmo-constructie (design, build, finance, maintain, operate) in gang gezet voor het ontwerp, bouwen, financiering, onderhoud en exploitatie van een nieuwe internationale school in Eindhoven. “Je voorkomt door dbfmo dat een aannemer bespaart op de bouw, waar een andere partij later in het beheer last van krijgt.” Het gekozen consortium blijft dertig jaar betrokken bij het complex. Depla: “Volgens deskundigen krijg je bij dbfmo dezelfde kwaliteit of meer, en is het zo’n 15 procent goedkoper dan de traditionele manier van werken.”
Hanneke van Brakel: “Het is echt nodig om de scholenbouw integraler aan te pakken. Alles heeft met alles te maken in zo’n gebouw, je wilt niet allemaal verschillende adviesbureaus die over een klein onderdeel gaan. De complexiteit is groot, ook vanwege de financiering en het verschil in economisch en juridisch eigendom. Als je hoge ambities hebt moet je echt geïntegreerd werken.” Willem Hein Schenk: “Volgens mij moet er een soort expertisecentrum komen, en een databank met best practices. Een soort ‘scholendokter’. Hoe kom je tot het beste schoolgebouw? Iedereen vindt steeds opnieuw het wiel uit. Er moet niet alleen geld bij, we moeten ook integraler werken, beter communiceren en meer expertise uitwisselen.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.