• blad nr 12
  • 26-6-2010
  • auteur N. van Dam 
  • Redactioneel

Meisjes in vmbo halen lagere examencijfers 

Cito-manager Karin Bügel: ‘Hersenhype is onzin’

Meisjes in het vmbo halen voor centraal schriftelijke examens bij verreweg de meeste vakken lagere cijfers dan jongens. Maar in het vwo bij wiskunde-b, de moeilijkste variant, scoren zij meestal hoger. Meisjes presteren slechter op de Cito-eindtoets in groep 8. Feiten die genegeerd worden bij de bekommernis om de achterblijvende jongens. Karin Bügel, manager bij de afdeling voortgezet onderwijs van het Cito, ergert zich.

‘Het slimste jongetje van de klas is vaak een meisje’, kopte een krant. Nederland maakt zich zorgen over de jongens en draaft door. In de talloze debatten over de leerachterstand van jongens is al gesuggereerd speciale jongensscholen te stichten, opdat jongens beter gaan presteren na de basisschool. Zelfs uitstel van de selectie is al geopperd.
Het televisieprogramma Buitenhof haalde onlangs drie wetenschappers naar de studio om het probleem te bespreken. Bij zo’n uitzending hoort Karin Bügel, manager bij de afdeling voortgezet onderwijs van het Cito, uiteraard tot de kijkers. Zij werkt sinds 1983 bij het toetsinstituut en promoveerde in 1993 op een onderzoek naar sekseverschillen bij de centraal schriftelijke examens.
In die tijd gold de bezorgdheid vooral de meisjes omdat ze een achterstand in onderwijsdeelname vertoonden. Bügel: “Meisjes gingen gewoon eerder van school af. Tegen een slim meisje zei iedereen: ’Ach, mavo of havo is wel genoeg, ze gaat toch trouwen’. Daardoor kwamen ze minder in vwo en hoger onderwijs terecht.”
In haar promotieonderzoek ontdekte ze dat jongens en meisjes verschillend reageerden op de onderwerpen bij de tekstverklaring. Jongens doen het beter met teksten over geld en sport, meisjes als het over relaties en psychologische onderwerpen gaat. Bovendien reageerden de geslachten verschillend op de formulering van de opgaven. Er kwamen richtlijnen voor het sekseneutraal maken van de opgaven, zodat jongens en meisjes gelijke kansen kregen op goede antwoorden.

Verjuffing
Nog altijd houdt het Cito de moeilijkheidsgraad voor de geslachten afzonderlijk bij, evenals de score van jongens en meisjes. In het Examenverslag, dat het toetsinstituut jaarlijks publiceert, speurt de geïnteresseerde echter vergeefs naar deze gegevens. Het Examenverslag geeft alleen nog gemiddelden van alle kandidaten, want de sekseverschillen zijn uit de belangstelling verdwenen. Nieuwe probleemgroepen, in het bijzonder allochtone leerlingen, slokten de aandacht op. Totdat meisjes hun achterstand in de onderwijsdeelname hadden ingehaald en zelfs een voorsprong namen. Ze vormden de meerderheid in het vwo en ook bij sommige studies zoals geneeskunde, die eerst vrijwel uitsluitend mannendomein waren. Bovendien doubleerden ze minder vaak dan jongens en ze schoten sneller door de studie heen.
De eerste verklaring die opgeld deed, was de zogeheten feminisering van het onderwijs, ook wel de ‘verjuffing’. Door de afwezigheid van mannelijke leerkrachten en in veel gevallen vaders zou het jongens aan rolmodellen ontbreken. En mannen zouden de lesstof presenteren op een manier die jongens meer aanspreekt.
Deze theorie gaat mank. In het basisonderwijs heeft de juf de overhand, maar dat is al heel lang het geval. Toch halen daar de jongens een hogere score op de eindtoets van het Cito. Jongens blijven juist achter in het voortgezet onderwijs, waar nog genoeg mannen lesgeven. Bügel zegt dan ook: “Het blijkt dat meer mannen voor de klas nauwelijks effect heeft op de prestaties. Maar het is wel een populair verhaal.”
In Buitenhof zag Bügel discussieleider Clairy Polak tot haar genoegen zeggen dat het toch jammer is dat iedereen zich zo opwindt nu de jongens aan de verliezende hand zijn, terwijl de wetenschap praktisch zweeg toen het om meisjes ging. Ze had zelf iets dergelijks kunnen zeggen: “Jarenlang had niemand enige interesse in verschillen tussen de geslachten. Als de meisjes nu nog steeds op achterstand lagen, zou het niet zo’n ophef veroorzaken. Maar nu het om jongens gaat, is het een ramp.”

Hersens
De nieuwste verklaring, in Buitenhof grondig uitgelegd, is dat een tragere hersenontwikkeling jongens parten speelt. De meest logische vraag bij deze hersenhype werd niet gesteld, namelijk of de hersens van jongens zich dan vroeger sneller ontwikkelden? Bügel: “Volgens mij is het allemaal onzin. Vroeger deden meisjes het ook al beter - dat heb ik ook in mijn proefschrift aangetoond -, maar doordat zij met zo weinig waren viel het niet op. Jongens blijven vaker zitten, jongens worden vaker verwezen naar het speciaal onderwijs. Allemaal geen nieuwe verschijnselen, dat is al sinds jaar en dag zo. De achterstanden van meisjes waren van maatschappelijke aard.”
Volgens haar is een verklaring dat meisjes hun onderwijstijd beter benutten dan jongens. “Meisjes zijn gewoon ijveriger en meer op samenwerking gericht. Dat houden ze vol als ze eenmaal aan het werk zijn. Je kunt het ook in werkorganisaties zien. Vrouwen werken hard aan de inhoud, mannen werken hard omdat zij de baas willen worden of veel geld willen verdienen. In de politiek was het trouwens ook zichtbaar. Waarom gaat zo’n Balkenende maar door om weer premier te worden? Lijsttrekker Agnes Kant stapte op. Ze zijn geen bewijs, maar wel een illustratie voor mijn stelling.”
Ze ergerde zich groen en geel toen lector pedagogiek Bas Levering in Buitenhof beweerde dat exacte vakken echt niets voor de meerderheid van de meisjes zijn. “Waarom spreekt niemand hem tegen? Het geloof dat meisjes geen wiskunde kunnen, doet zich vooral in Nederland voor; in andere landen kiezen meisjes vaker exacte vakken. Uit internationale onderzoeken blijkt dat er vrijwel geen verschil is in de prestaties tussen jongens en meisjes bij wiskunde. Als er wel verschillen zijn, bestaan die vooral in landen waar vrouwen anders behandeld worden, zoals in Bahrein, Jordanië en Iran.”
Een extra argument vindt Bügel in de examenresultaten. “Bij wiskunde-b, de moeilijkste, meest theoretische vorm van wiskunde, halen meisjes op het vwo meestal hogere examencijfers. Over het makkelijker wiskunde-a werd nota bene gezegd dat het heel geschikt zou zijn voor meisjes omdat er een verhaaltje bij stond.”

Examenscores
Weinig mensen zijn op de hoogte van dit gegeven, omdat het Cito bijna geen cijfers van het centraal schriftelijk voor de geslachten afzonderlijk publiceert. In het midden van de jaren tachtig haalden jongens hogere cijfers voor bijna alle vakken. Uitzonderingen waren Nederlands en bijvoorbeeld Grieks. In 2003 bekeek Bügel de resultaten opnieuw nadat het vmbo was ingevoerd en de tweede fase van havo en vwo was vernieuwd. De benodigde cijfers (van de inspectie, het Centraal Bureau voor de Statistiek en haar eigen Cito) waren deze keer veel lastiger te vinden dan ten tijde van haar promotieonderzoek. “In het vwo kon je in 2003 van een zeker evenwicht spreken: de meisjes scoorden hoger bij Nederlands, de jongens bij economie en aardrijkskunde. De verschillen bij de exacte vakken zijn praktisch verdwenen, maar meisjes doen het iets beter bij wiskunde-b. In het havo scoren meisjes hoger bij Nederlands en filosofie, jongens bij de exacte vakken en economie.”
Ze schrok van de examencijfers in mavo-d en vmbo-tl: “Alle verschillen waren in het voordeel van de jongens, behalve bij Nederlands en Frans, maar dat was nog geen tiende punt.” In de basis- en de kaderberoepsgerichte leerwegen, waar beroepsgerichte vakken met weinig kandidaten om statistische redenen buiten beschouwing moesten blijven, zag ze hetzelfde beeld. “In alle vakken, behalve Nederlands en verzorging, hadden jongens betere cijfers.”
Overigens vallen de effecten van deze vergelijking mee, want uit de cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek bijhoudt, wordt duidelijk dat meisjes niet vaker zakken dan jongens. “Uit gegevens van de inspectie blijkt dat meisjes het schoolexamen beter maken dan jongens. Daarmee compenseren ze het lagere cijfer van het centraal examen.”

Alarmerend
De bijbehorende redenering is dat meisjes hun leraren, die de schoolexamens maken, zoveel beter begrijpen dan jongens en daardoor beter aanvoelen welk antwoord de leraar wil zien. Maar Bügel heeft haar twijfels. Ook bij de redenering waarom jongens de Cito-eindtoets beter maken dan meisjes. “Dat zou zijn, omdat jongens gemiddeld ouder zijn als de toets wordt afgenomen.”
Niettemin vindt Bügel de lagere cijfers bij het centraal examen van het vmbo alarmerend. “Het is heel raar dat de verschillen daar zo groot zijn. Als het in zoveel vakken is, kan het geen toeval zijn. Dus er moet een reden zijn, maar ik ken die niet. Dat zou onderzocht moeten worden. Bekend is dat op het vmbo meer jongens zitten dan meisjes. Ik denk dat de sfeer daar ruwer is.” Zij deed een oproep tot nader onderzoek in het blad Examen, maar daarop werd niet gereageerd. “Misschien heeft niemand het gelezen.”
Haar oproep geldt nog steeds, zeker nadat zij de gegevens van de schriftelijke examens in 2009 heeft bestudeerd, die in grote lijnen overeenkomen met die van 2003. Dus nog steeds halen vmbo-meisjes lagere cijfers dan jongens, terwijl dit aspect genegeerd wordt in de discussie. “Er wordt nu teveel gepraat over sekseverschillen zonder rekening te houden met de werkelijke getallen.”
Voorlopig blijft haar conclusie in verband met de centrale examens: “Je kunt beter een meisje zijn in het vwo dan in het vmbo, waar de scheiding tussen de seksen heel erg groot is, zeker in de grote steden. In het vwo is de scheiding veel minder. Misschien zijn die vmbo-meisjes helemaal niet zo gelukkig en moet er eens een onderzoek naar hun welbevinden komen.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.