• blad nr 11
  • 12-6-2010
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

Niet meer dan 4 baby’s op 1 crècheleidster, 

Wel meer dan 24 leerlingen op 1 leraar

In alle sectoren waar met kinderen wordt gewerkt zijn strikte normen over de verhouding tussen het aantal kinderen en begeleiders. Eén op vier in de babygroep, één op tien in de buitenschoolse opvang. Niet in het onderwijs. Een maximale klassengrootte bestaat niet. Vandaar dat de AOb in het verkiezingsdocument Toponderwijs.nu pleit voor een nieuwe norm: maximaal 24 leerlingen per leraar.

Met groot feestvertoon heeft Pim op de crèche zijn vierde verjaardag gevierd. Taart, toeters en straks: naar school. De leidsters hebben zijn doos met knutselwerken en tekeningen klaarstaan, nog een afscheidswoord in zijn schriftje gezet en straks komen Pimmetjes ouders nog even bedanken voor die vier goede jaren op het kinderdagverblijf.
Met een tikkeltje weemoed denken de ouders terug aan de intensieve zorg die Pim kreeg toen ze hem als kleine hummel, drie maanden oud, achterlieten. Toen met bonzend hart, maar achteraf gezien was het top. Eén leidster met vier baby’s. En op de peutergroep die Pim nu verlaat: twee leidsters met maximaal zestien kinderen.
Geen wonder dat hij het zo druk vond in die klas waar hij al is wezen wennen, want daar zaten er wel 27 bij één juf. Maar als Pimmetje naar de buitenschoolse opvang gaat, krijgt hij weer meer aandacht, want daar zijn twee leidsters met twintig kinderen, één op tien.
De grote stap wordt de overgang van crèche naar basisschool ook wel genoemd, en terecht. Want de hoeveelheid aandacht die de twee systemen bieden, verschillen enorm.
Bij de crèche één leidster per acht leerlingen, op school één op, tsja, één op? Basisscholen zijn daar vrij in. In de bekostigingsformule voor het basisonderwijs wordt weliswaar gerekend met 22 leerlingen per formatieplaats, maar daar moeten alle functies uit betaald worden. Ook de directeur, ook de intern begeleider, ook de vakleerkracht. Daardoor blijft er voor het aantal groepsleerkrachten minder over en zijn op veel scholen de klassen vaak groter, oplopend tot dertig of meer.
In het voortgezet onderwijs is het niet veel anders, ook daar bestaan geen normen voor de maximale klassengrootte. De gevolgen zijn meteen zichtbaar. In de onderbouw en bij verplichte vakken als Nederlands en Engels in de bovenbouw, puilen de klassen uit, omdat op andere plaatsen maar weinig leerlingen in de klassen zitten. In grotere besturen lekt er ook nog eens geld weg naar het bestuursbureau en staffuncties. En zo zitten veel docenten met veel meer dan 24 leerlingen voor hun neus.

Streng
Onderwijs neemt van de beroepen waar met jongeren wordt gewerkt een uitzonderingspositie in. Of het nu gaat om de kinderopvang, de jeugdhulpverlening, de buitenschoolse opvang, gezinsvervangende tehuizen of de jeugdgevangenis: overal zijn normen. Soms in de wet, soms in de bekostigingsformules, soms in de cao, soms in een kwaliteitspact dat de branche heeft afgesloten. Die normen hebben meerdere doelen, het gaat zowel om de kwaliteit van de zorg als om de werkdruk en de veiligheid van het personeel.
In de kinderopvang loopt de norm langzaam op van één leidster per vier baby’s naar één leidster per acht peuters. Door combinatiegroepen te maken kan dat weer iets anders uitpakken, maar de branche houdt dat redelijk streng in de hand. Vaak gedwongen door ouders, soms door het personeel.
“De norm is er, maar staat wel steeds onder druk omdat personeel natuurlijk de grootste kostenpost in de kinderopvang is”, zegt Bettie Heerma van Voss van de Abvakabo FNV. “Werkgevers hanteren de norm als een soort minimum en vinden al snel dat er nog wel een kind in de groep bij kan. Tegelijkertijd vinden veel pedagogen dat er teveel kinderen in een groep zitten. De GGD gebruikt de normen ook en inspecteert daar streng op. De normen staan in een aan de wet gekoppeld kwaliteitsconvenant, waar we in de cao naar verwijzen om zo de verhoudingen tussen kinderen en personeel ook een individueel afdwingbaar recht te laten zijn.”
Mocht er bij het opgroeien van Pim iets misgaan, en de kinderrechter besluit om Pim onder toezicht te stellen dan bepaalt de cao-jeugdzorg hoeveel pupillen er maximaal aan zijn gezinsvoogd worden toebedeeld via een genormeerde caseload. Die wordt pas echt heel tastbaar als een kind in een gezinsvervangend tehuis komt. Daar geldt een bekostigingsformule van één op vier. En komt Pim echt op het verkeerde pad terecht, dan zal hij in de jeugdinrichting te maken krijgen met één bewaarder op acht jongeren.
Overigens zijn de normen in het gevangeniswezen niet in beton gegoten, zoals Marjon Platje van Abvakabo FNV het noemt. “Die zijn van meerdere factoren afhankelijk, bijvoorbeeld het gebouw zelf. Normaal geldt voor een penitentiaire inrichting één op twaalf, maar omdat in de Bijlmer - met zijn torens - de afstanden veel groter zijn, is daar meer personeel omdat er anders nauwelijks tijd is om gevangenen naar sport te laten gaan.”

Populair
Kleinere klassen staan onveranderd hoog op het wensenlijstje van leraren. Of de AOb leden enquêteert, de Volkskrant haar onderwijsagenda samenstelt, tv-programma Een Vandaag docenten ondervraagt, op plek één of twee staan kleinere klassen. Toch is dat bij politici, beleidsmakers en economen geen populair onderwerp, want klassenverkleining is vreselijk kostbaar. Het Centraal Planbureau noemt het ronduit een weinig effectieve aanpak om het onderwijs te verbeteren, in de discussie rondom de Volkskrant-onderwijsagenda werd klassenverkleining resoluut terzijde geschoven ‘omdat het alleen maar goed is voor het welzijn van docenten.’

Investering
Nu zijn de ervaringen met klassenverkleining in Nederland niet heel erg positief. Toen in 1996 werd besloten om 1 miljard ouderwetse guldens te investeren in de klassenverkleining, werd dat speciaal bestemd voor de onderbouw. Juist in de eerste vier jaar, waar rekenen en lezen beginnen, zou klassenverkleining haar resultaat moeten laten zien. Maar de besteding werd nooit gecontroleerd en uiteindelijk verdween in 2002 de verplichting om het in de onderbouw te gebruiken. De miljard van de klassenverkleining kwam gewoon op de grote hoop en kon overal worden ingezet.
Zo daalde door de klassenverkleining formeel wel de verhouding leraar-leerlingen van één op twintig naar één op achttien, maar ontbrak bewust beleid om daarmee ook de kwaliteit te verhogen. Scholen konden het extra geld inzetten voor echte klassenverkleining, in de onderbouw, de bovenbouw of overal, ze konden intern begeleiders aanstellen of iets compleet anders. Waarmee het miljard, 450 miljoen euro, een ongerichte investering is geworden.
Vandaar dat er maar weinig basisscholen zijn waar die één op achttien dagelijkse realiteit is. Op kleine scholen zijn de klassen door een gunstiger bekostiging nog kleiner, door de inzet van achterstandsgelden kunnen andere scholen ook meer personeel inzetten. Maar op een doorsnee school liggen de aantallen per groep vaak hoger.
In het voortgezet onderwijs gebeurde ongeveer hetzelfde. Scholen kregen wel geld om meer docenten aan te stellen, waardoor de verhouding tussen leerlingen en leraren daalde van één op zestien naar iets minder dan één op vijftien, maar de verschillen pakken per docent anders uit. Bijvoorbeeld door de verschillen in schoolgrootte of de populariteit van een examenvak. Klassen van 27 tot 30 leerlingen zijn geen zeldzaamheid.
Daardoor blijft de roep om kleinere klassen in grote delen van het onderwijs voortbestaan. Terecht. Net als in andere sectoren heeft dat met een combinatie van factoren te maken. Door te grote klassen kunnen leraren onvoldoende aandacht geven aan leerlingen en levert het voor henzelf een hoge werkdruk op. Vandaar dat de AOb in het verkiezingsdocument Toponderwijs.nu pleit voor een maximale groepsgrootte van 24 leerlingen per bevoegde leraar. Een norm die geldt voor een ‘traditionele klas’, maar ook voor een open leercentrum. Zitten daar 72 leerlingen, dan ook drie bevoegde docenten voor de begeleiding. Een norm voor het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo. Als kwaliteitsnorm voor goede scholing. Als rem op de werkdruk. Zodat Pim goed onderwijs krijgt.

{noot}
Het document Toponderwijs.nu is te vinden op de website www.toponderwijs.nu. Wil je reageren op het pleidooi voor maximaal 24 leerlingen? Of vertellen hoe groot de groepen bij jou zijn en wat de consequenties daarvan zijn? Mail naar toponderwijs@aob.nl

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.