• blad nr 11
  • 12-6-2010
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

 

Dalton, een no-nonsense vernieuwing

Het daltononderwijs blijft groeien. De afgelopen zeven jaar is het aantal scholen met 66 procent toegenomen tot 357. Vanwaar dat succes en waarom gaat het met concepten als freinet en jenaplan veel minder? De cijfers plus een verklaring.

Niet teveel franje of flauwekul, maar tegelijkertijd wel vernieuwend. Dat is volgens Piet van der Ploeg daltononderwijs, inmiddels de grootste vernieuwingsbeweging in Nederland, ten voeten uit. Van der Ploeg is lector daltonplan aan de Saxion Hogeschool in Deventer en docent pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Toen ik vier jaar geleden door de Dalton Vereniging gevraagd werd om lector te worden was ik verbaasd, want ik ben nou niet zo orthodox ingesteld. Dat wil zeggen dat ik de daltonprincipes als zelfstandigheid, samenwerken en vrijheid van de leerling altijd kritisch bekijk. Dus dat ze mij wilden is volgens mij een teken dat de beweging heel open is en zelfkritisch. Ik denk dat het een van de redenen is waarom er voor het montessorionderwijs nog steeds geen lector is. Als je daar kritisch bent lig je er algauw uit.”
Uit de cijfers van de afgelopen zeven jaar blijkt dat het aantal daltonscholen alsmaar blijft groeien van 215 in 2003 naar 357 nu. Tegelijkertijd krimpen de andere vernieuwingsscholen of blijven hoogstens gelijk. Opmerkelijk is dat het dan vooral om de vernieuwingsscholen gaat waar met een duidelijk concept gewerkt wordt. Zo is het aantal freinetscholen met 18 procent afgenomen en staat nu op 4, jenaplan heeft 5 procent ingeleverd en staat nu op 210 en het aantal montessorischolen is gelijk gebleven op 160. Het aantal vrije scholen is wel gestegen, met 7 tot 81, maar de leerlingenaantallen zijn gekelderd met zo’n 600. Dat is drie gemiddelde basisscholen vol.
Van der Ploeg denkt dat het succes van dalton vooral te verklaren is uit de bekende nuchterheid in Nederland en uit het principe dat succes aantrekt. “Montessori en freinet staat voor meer bevlogenheid terwijl dalton dat veel minder heeft. Wij hebben niet dat kosmische van de montessorianen of het arbeideristische van freinet en geloven niet in reïncarnatie zoals op de vrije scholen. Bij dalton staat doelmatigheid voorop, het is efficiënt en ambachtelijk.”

Identiteit
Er zijn inmiddels heel wat reguliere scholen die de principes als zelfstandig leren of samenwerken gebruiken, in hoeverre is een school dan nog een echte daltonschool?
Van der Ploeg: “Zelf vind ik het alleen maar toe te juichen dat er in het onderwijs allerlei onderdelen uit de vernieuwingsbewegingen zijn overgenomen. Dat is vooruitgang. Heel veel scholen hebben bijvoorbeeld uit de traditie van dalton de weektaken overgenomen die samenvallen met bepaalde kleuren. Ze zien in dat het verstandig is kinderen zelf te laten kiezen. Uit de montessoritraditie wordt de kring vaak gebruikt. Mensen vragen zich af wat is daltononderwijs dan nog? Dat is een van de klussen waar ik nu mee bezig ben, het formuleren van de identiteit. Ik denk dat één van de factoren die de daltonbeweging kenmerkt is dat het een lerende organisatie is met een stevige zorgstructuur. Er wordt hard gewerkt aan de professionalisering van het personeel, op steeds meer opleidingen kunnen studenten daltoncertificaten halen.”

Zwak
De afgelopen jaren werden vooral de vrije scholen, maar ook montessori en jenaplan door de Onderwijsinspectie op de vingers getikt vanwege het grote aantal zwakke en zeer zwakke scholen. Er is hard aan gewerkt om dat te verbeteren. Het landelijk gemiddelde ligt op 7,2 procent, bij jenaplan was het 21,5 procent en is nu 11,9 procent. Montessori heeft het aandeel zwakke scholen teruggebracht tot de helft van 15,3 naar 7,5 procent. Met de vrije scholen ging het helemaal slecht, 60 procent was zwak of zeer zwak, dat is nu 15,5 procent. Bij dalton ligt het aandeel zwakke scholen iets boven het gemiddelde met 9,4 procent. Van der Ploeg denkt dat het grote aantal zwakke scholen bij de vernieuwingsbewegingen ook te verklaren is uit de meetmethode van de inspectie. “Dat geldt vooral voor de vrije scholen, door hun onderwijsconcept zijn de resultaten moeilijk te meten. Aan de andere kant vind ik dat sommige scholen heel erg doorgeslagen zijn in het nieuwe leren en allerlei nieuwe concepten hebben overgenomen zonder dat duidelijk is of die wel werken. Ik houd de daltonmensen altijd voor dat de grondlegger van het daltonplan, Helen Parkhurst, zelf vooral keek naar wat werkte bij kinderen en niet het concept op de eerste plaats zette. Zelfstandigheid bij leerlingen werkt, maar loop niet te hard van stapel, blijf controleren of ze niet de draad kwijtraken en bijgestuurd moeten worden. Onderwijs is de afgelopen jaren overspoeld met nieuwe ideeën zoals het hart-brein leren, maar waar het toch vooral om moet gaan is heel rustig ambachtelijk werken en kijken wat wel en wat niet werkt. Op de site van de Dalton Vereniging illustreert Van der Ploeg deze opvatting met een column waarin hij knabbelt aan het heilige huisje waarin de autonomie van de leerling centraal staat. Volgens hem kan autonomie heel goed samengaan: ‘leraargestuurd onderwijs’ dus met veel aanwijzingen van de docent. “De leraar moet open staan voor kritiek en hij moet het nut van het schoolwerk aannemelijk maken. Wat hij niet hoeft te doen is de leerlingen allerlei vrijheden geven, bijvoorbeeld de vrijheid de eigen tijd in te delen, zelf leermiddelen te kiezen of zelf onderwerpen te bepalen. Zulke vrijheden doen er niet toe. Volgens self-determination-onderzoek hebben leerlingen in het onderwijs weinig inspraak, zeggenschap en keuze nodig.”
Scholen die voor hun voortbestaan kiezen voor een vernieuwingsconcept om zich op die manier te profileren, kiezen gemakkelijker voor dalton dan voor een ander vernieuwingsconcept. Ze zitten dan niet gevangen in een afgerond idee waar ze aan moeten voldoen, de openheid spreekt ze aan.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.