- blad nr 6
- 27-3-2010
- auteur W. de Lange, de
- Column
Geduld
Peggy had geen vinnig karakter. Ik dacht zelfs een tijd dat ze helemaal geen karakter had. Ze werd hoogstens een soort van werktuiglijk boos als ik haar plaagde met de manier waarop ze in vertraagd Amsterdams ‘tééééring’ zei achter alles wat haar niet zinde. “Van wanneer tot wanneer was de tijd van Grieken en Romeinen? Hoe weet ik dat nou? Tééééring.” Ik kon het niet laten haar te plagen. “Wéééér die téé…” “Juf, u seeeurt… tééééring.”
Maar echt kwaad werd ze nooit, op niemand. Althans, dat was mijn indruk. Weggekropen achter haar straatwijzere vriendinnetje maakte Peggy, veertien jaar oud, een kwetsbare indruk. Lievig, zwak, onzeker, tot na-apen geneigd. In een te knusse les, waarin we even de uitgaanspatronen in de klas doornamen, vertelde Peggy dat ze in het voorgaande weekend een hele nacht op straat had gezworven met een vriendinnetje. “We waren dronken”, zei ze er trots bij. “We hebben in het park geslapen.” Navraag leerde dat de ouders van het vriendinnetje bij wie ze logeerde de meisjes hadden buitengesloten. Die ouders waren boos geworden omdat de meisjes dronken waren. Ik was geschokt. Maar Peggy haalde haar schouders er over op. Ze had wel een spannende nacht gehad, zo op een bankje in het park. “Maar koud… tééééring.” Veel meer was er niet te vertellen, vond ze.
Peggy wekte in het algemeen de indruk weinig met taal te kunnen noch met vakken die van taal afhankelijk zijn, zoals geschiedenis en aardrijkskunde. Bij mij haalde ze dus steevast belabberde cijfers. Ze deed er niet eens moeite voor. Ze liet ze gewoon allemaal niet binnen: Grieken, Romeinen, de ridders, monniken, orkanen en hoofdsteden van Europa. Ik dacht daarom dat Peggy tot niet veel in staat was. Ik dacht ook dat ze tegen alles beschermd moest worden. Tot ze me op een gegeven moment vertelde dat ze – vijftien geworden - in de weekeinden aan het werk was gegaan in een verpleegtehuis voor demente bejaarden. Dat wilde ze namelijk worden, verzorgster van demente bejaarden. “Je moet heel veel geduld hebben, juf. Als je iemand moet helpen met tandenpoetsen, kan je bijvoorbeeld het beste meezingen met een liedje dat die mevrouw zingt en daarna zelf een liedje zingen, terwijl je haar hoofd vasthoudt. Of doen alsof je een dansje met haar maakt. Het zijn net kinderen! Je moet een gedúld hebben… tééééring.”
Ik viel van mijn stoel. Dat kleine, ronde opdondertje had er zelf voor gekozen zich voor te bereiden op een hondsmoeilijke baan die draait op doortastendheid, zachtheid en eindeloos geduld. Ik weet niet hoe het is afgelopen. Ik droom dat ze heeft doorgezet. Ik weet helemaal niet zeker of ik en de collega's haar degelijk genoeg hebben voorbereid op wat haar wacht.