- blad nr 5
- 13-3-2010
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Plasterk is boos
“Het voelt wel een beetje leeg”, zegt hij, “al die mensen waar je drie jaar nauw mee hebt samengewerkt die dan opeens wegvallen. Dat is heel raar, het was een dreamteam, dat is opeens weg.” In het PvdA-kantoor aan de Herengracht in Amsterdam, negen dagen na de nacht waarin de PvdA opstapte, kijkt Ronald Plasterk terug op deze gebeurtenissen en op zijn ministerschap. Kwaad was hij die nacht, en dat is hij nog steeds. “Als het hele kabinet was afgetreden was ik nu demissionair geweest en had ik de zaken netjes kunnen afwikkelen. Rouvoet moet het er nu bij doen, we hebben nu een half kabinet voor een heel land.” Het CDA heeft volgens hem bewust aangestuurd op een stemming waardoor de minderheid gedwongen werd op te stappen. “Ik vind dat niet chique, de premier heeft hiermee het partijpolitiek belang zwaarder laten wegen dan het landsbelang.” Nu is hij ambteloos burger en bemoeit zich niet meer met zijn oude departement. Wel maakt hij zich zorgen over één van de belangrijkste resultaten van zijn ministerschap, het Convenant leerkracht dat de positie van leraren moet verbeteren en waarvoor één miljard euro gereserveerd is.
In Vrij Nederland zei u: ‘Ik hou mijn hart vast of mijn opvolgers daar met hun vingers vanaf zullen blijven.’ Is de situatie echt dreigend?
“Ik las dat Van Geel (fractievoorzitter CDA, red.) het over één miljard aan onderwijssubsidies had waarvan niemand weet waar dat geld naartoe gaat en dat daar best in gesneden kan worden. Maar in dat bedrag zitten de extra conciërges, voortijdig schoolverlaters, het bestrijden van achterstanden van allochtonen. Als je werkelijk denkt dat je dat weg kunt pakken, dan vind ik dat bedreigend.” Met nadruk: “Deze club moet het gas, water en licht betalen en de prullenbakken legen en verder niets doen tot de verkiezingen.”
Dreiging
De wetenschapper en columnist Ronald Plasterk (53) werd in het kabinet Balkenende IV in februari 2007 minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Na tien jaar zat er weer een sociaaldemocraat op onderwijs, met in zijn portefeuille onder andere personeelsbeleid. Met de dreiging van het lerarentekort op de achtergrond stelde hij de commissie-Rinnooy Kan in, die moest bekijken hoe de positie van de leraar verbeterd kon worden. Alexander Rinnooy Kan vond dat de professionaliteit weer voorop moest staan en zocht de oplossingen vooral in scholing en salarisverbetering. Plasterk nam in zijn Aktieplan leerkracht de meeste punten over. In 2008 werd er ten slotte door alle werkgevers en bonden een convenant getekend, waarin is afgesproken dat iedereen in het onderwijs de Lerarenbeurs kan aanvragen en dat besturen verplicht zijn om op hun scholen alle functies met de daarbij behoren salarissen in te stellen. Als uit controle blijkt dat een bestuur dat niet gedaan heeft, dan krijgt het ook geen geld. Er wordt een miljard euro extra uitgetrokken, met dat geld komt ook het maximum sneller in zicht en er komt een bindingstoeslag.
Achteraf ziet Plasterk zijn actieplan als een eerste trendbreuk, omdat de besturen niet langer zelf mogen bepalen wat ze met het geld doen. “Het was een inbreuk op de lumpsumfinanciering en daar verzetten de besturen zich tegen. Zij gingen ervan uit dat de overheid zich niet mocht bezighouden met de inhoud van het beleid, maar je kunt dus niet een miljard wegzetten voor personeelsbeleid en dan maar zien. Het is een misverstand dat de overheid zich niet met het ‘hoe’ zou mogen bezighouden. Dit ging over personeelsbeleid, dan zeg je dus hoe dat geld besteed moet worden. Het gaat tenslotte om de inhoud, ik heb vanaf het eerste begin gezegd van mij zul je niet gauw horen ‘daar ga ik niet over’. Dat hele liberale van op afstand regeren, daar ben ik niet van. Dat is wel een structureel verschil met het CDA, dat de autonomie van het bestuur vooropstelt.”
Er wordt nu gemopperd dat het convenant te duur is.
“Het convenant is tot stand gekomen omdat het beroep in de afgelopen dertig jaar uitgehold was en nieuw elan moest krijgen. Nu zal het door de conjunctuur misschien even meevallen met het lerarentekort, maar het convenant is een structurele oplossing voor een structureel probleem. Natuurlijk zijn er mensen geweest die vonden dat het wel met minder kon, die dreiging is er nog steeds, daarom is het ontzettend jammer dat ik niet meer in de positie ben om aan de goede kant van dat krachtenveld te hangen.”
U wilt opnieuw minister van Onderwijs worden, waarom?
“In de afgelopen drie jaar hebben we de mammoettanker wel een beetje van richting laten veranderen. Behalve op de positie van de leraar, hebben we ook ingezet op meer structuur in het onderwijs, rekenen, taal en exameneisen. Maar ik heb het gevoel dat ik niet klaar ben. Ik heb altijd gevonden dat vier jaar niet genoeg is. In de afgelopen dertig jaar is iedereen voor dingen geweest waarvan ik nu zeker weet dat die niet goed waren voor het onderwijs. Autonomie, outputfinanciering: alsof een school een bedrijf is. De commissie -Dijsselbloem was een keerpunt daarin. Je hebt meer dan een kabinetsperiode nodig om dat weer te veranderen.”
‘Outputfinanciering’ spreekt hij een beetje uit als een vies woord.
“Dat kun je toepassen op zoveel strekkende meters asfalt, maar in het onderwijs leidt dat tot perverse effecten. Als scholen alleen nog maar afgerekend worden op de resultaten van de Cito-toets gaan ze alleen nog oefenen op de Cito-toets. De hbo-fraude werd indertijd in de hand gewerkt omdat er alleen nog afgerekend werd op diploma’s.”
U kondigde een tweede actieplan aan, wat komt daar dan in?
“Dat je terug moet naar werkbare organisaties, kleinschaligheid, daar hebben we nu tot nu toe alleen de fusietoets voor ingevoerd. Maar er is natuurlijk al zoveel gefuseerd dat je instellingen ook weer zal moet ontvlechten, terugbrengen tot een werkbare organisaties. Er ligt dat idee van Staf Depla (PvdA-Kamerlid, red.) om het geld niet aan de besturen over te maken maar naar de locatie, de school. Dat is ingewikkeld, maar daar willen we de volgende periode mee bezig gaan.”
Ligt het probleem dan niet bij de besturen?
“Het probleem is dat door het alsmaar doorfuseren er nu, ongetwijfeld heel professionele, managers zitten die het voor het zeggen hebben. Vroeger had je bij het openbaar onderwijs invloed op het bestuur door de stem die je uitbracht tijdens de verkiezingen, en bij het bijzonder onderwijs zaten er vaak ouders in het bestuur. Van wie is de school nu? Waar moet je wezen als je het er niet mee eens bent? Het CDA vindt dat er niets aan de hand is, die wijst op de horizontale medezeggenschap. Van de autonomie van de besturen moet je afblijven. Maar ik vind dat langzamerhand de legitimatie van de huidige besturen onder druk staat. Aan wie leggen ze verantwoording af? Voor een sector waar we 35 miljard doorheen pompen, waar we onze kinderen aan toe vertrouwen, is dat toch een legitieme vraag? Het is publiek geld.”
Gaat u in een nieuw kabinet pleiten voor nieuwe investeringen in het onderwijs?
“Zonder crisis zou dat zeker het geval zijn, maar nu wil ik geen verkeerde verwachtingen wekken. Er ligt de motie van Mariëtte Hamer (fractievoorzitter PvdA, red.) waarin staat dat Nederland tot de top 5 van de kenniseconomieën moet gaan horen, dus dat onderwijs bij de bezuinigingen gespaard moet worden. Die is Kamerbreed aangenomen en die heb ik altijd in mijn binnenzak gedragen. Tegelijkertijd denk ik dat je binnen die 35 miljard best kunt kijken of er niets efficiënter kan. Andere partijen zoeken dan de uitruil met de sociale zekerheid, maar daar ben ik niet voor. Als je op de begroting kijkt naar de lijst subsidies, dan zijn er verschillende intermediaire organisaties die subsidies verdelen waar bij elkaar meer mensen werken dan op het ministerie, dan kun je nog wel wat vinden.”
Bij de heroverwegingscommissies moet de commissie-Smit kijken naar meer efficiency in het onderwijs. Is dat reëel?
“Ik ben daar geen voorstander van. Ik heb die mensen van het Netwerk Onderwijsinnovatie aan mijn bureau gehad, die vinden dat je meer kunt doen met minder mensen. Ik vroeg ze hoe ze dat dan concreet dachten in te vullen, toen werd het heel stil. Zomaar een efficiencykorting is gewoon hetzelfde als bezuinigen. Daar geloof ik niet in. Onderwijs is niet hetzelfde als brood bakken, in een bakkerij kun je het productieproces efficiënter van maken. Maar een strijkkwartet van Schubert heeft altijd dezelfde tijd en hetzelfde aantal mensen nodig. Daarmee kun je het begeleiden van leerlingen dan vergelijken. Dat wil niet zeggen dat je met innovatie, moderne hulpmiddelen bepaalde leerprocessen kunt versnellen of veranderen, daar kun je hele leuke dingen mee doen.”
U wilt weer minister van Onderwijs worden, maar uw fractievoorzitter Hamer had het over zeven kerndepartementen. Onderwijs moet dan samengaan met Sociale en Economische Zaken.
Hij kijkt niet erg enthousiast. “Ja, op zichzelf vind ik het reduceren van het aantal ministers verstandig. Over de huidige projectministeries laat ik me nu even niet uit, maar ik kan me voorstellen dat je tot een herschikking komt.”
Feesten
Op de uitspraak van André Rouvoet (ChristenUnie) - ‘Nu is er weer een minister van onderwijs’ - wil hij niet reageren. Rouvoet neemt tot aan de formatie de post van Plasterk over. Over zijn voorganger zei hij: ‘De afgelopen jaren is er in de portefeuille van de heer Plasterk teveel de indruk gewekt dat we een staatssecretaris van Onderwijs hadden en een minister van Feesten, Partijen en Emancipatiebeleid. Hij was zichtbaar, heeft goede dingen gedaan op belangrijke onderwerpen, maar nu is er weer een minister van Onderwijs.’ Rouvoet bood de volgende dag zijn excuses aan, maar de toon was gezet.
Plasterk: “Het is de goede gewoonte om geen kwalificerende opmerkingen over je voorganger te maken.” Fijntjes: “Dat heeft met normen en waarden te maken.”