- blad nr 15
- 3-10-2009
- auteur E. Helder
- Column
De rotte appel
Matthijs is de koning van alle pesters. Als ervaren jager kiest hij zorgvuldig zijn prooi. Zodra hij de kwetsbaarheid ruikt, schiet hij zijn giftige pijlen af. Wijs hem vooral op zijn pestgedrag. Dat vindt hij heerlijk. Je geeft hem daarmee de gelegenheid eindeloos te discussiëren. “Ik heb écht niets gedaan. Hoe kunt u dat nou zeggen?” Dat is Matthijs. Een jongen vol wijsheid. Maar hij gebruikt zijn inzicht om een ander te manipuleren. Hij is sluw. Hij pakt je wanneer hij je pakken kan. Hij raakt je, precies op de plek waar je niet geraakt wilt worden. Het is te weinig om er iets van te zeggen en te veel om er niets mee te doen.
Het is zo’n leerling waar je geen grip op krijgt. Het blijft een grijs gebied, waarin hij teveel ruimte krijgt. Vier jaar lang weet hij te ontglippen. Laten nablijven, eruit sturen, schorsen, hem aanspreken op zijn gedrag: niets helpt. Zelfs al zou je hem aan de schandpaal nagelen, dan nog zou hij geen enkele vorm van berouw tonen. Het ligt aan de school, de docenten en de leerlingen. Het ligt zeker niet aan hem. Dat vinden zijn ouders ook. En daarmee kunnen we de hoop op verbeterd gedrag wel vergeten.
Vorig jaar vertrouwde klasgenoot Dave mij in een persoonlijk gesprek toe: “Mevrouw, ik heb zo’n hekel aan die jongen. Ik ken niemand die zo slecht in elkaar zit.” Ik geloofde hem direct, maar een jaar later zijn het vrienden. Puur uit zelfbescherming. Als ik hem herinner aan zijn uitspaak van vorig jaar zegt Dave geen slachtoffer te willen zijn van manipulatief gedrag. Of zoals hij zelf zegt: “Ik wil niet naar de klote door die gast.” De klas keert hem liever de rug toe buiten zijn gezichtsveld. Voordat je het weet ben je zijn prooi. Van Matthijs verlies je altijd.
Na het examen haalt iedereen opgelucht adem. Meneer heeft zijn examen gehaald, weliswaar met een matig resultaat. Na afloop van de diploma-uitreiking zoeken de kliekjes elkaar op. Ik zie lachende gezichten, leerlingen die elkaar omhelzen en trotse ouders die het tafereel aanschouwen. Matthijs staat met zijn ouders afgezonderd in de zaal. Wanneer ik het stel bijna passeer, houd ik bewust mijn pas in. Ik kan het niet nalaten om persoonlijk afscheid van de bandiet te nemen. Nog voordat ik hem wil feliciteren zegt hij met een grote grijns: “Sorry.” Terwijl ik zijn ouders op de achtergrond hoor lachen, denk ik: Je meent er geen klap van. Wat krijg jij het nog moeilijk in de toekomst.
{citaatje}
@C1:‘Zelfs al zou je hem aan de schandpaal nagelen, dan nog zou hij geen berouw tonen’