- blad nr 12
- 27-6-2009
- auteur S. Ridder
- Redactioneel
Haal dyslexie uit de wandelgangen’
De aanpak start in de klas
Er was een tijd dat dyslectische leerlingen uit de klas werden gehaald om met een remedial teacher, docent of hulpouder apart te oefenen. En dan mocht de leerling eigenlijk nog van geluk spreken: er werd tenminste iets aan gedaan. Veel kinderen met dyslexie bleven worstelen met hun handicap, waren onzeker en hadden weinig zelfvertrouwen. Vaak presteerden ze onder hun niveau omdat ze teksten niet goed begrepen of hun proefwerken gewoonweg niet afkregen.
De leerling met dyslexie van nu heeft nog steeds een heel vervelend probleem, maar er is ook een heel scala aan maatregelen bijgekomen. Denk daarbij aan dispenserende en compenserende maatregelen, verlenging en ict-hulpmiddelen als voorleessoftware en de Readingpen. Omdat je niet van dyslexie kunt genezen, ligt de nadruk op het leren omgaan met de handicap. De leerling ontwikkelt zo meer zelfvertrouwen en kan beter zelfstandig werken. Groot voordeel is dat de leerling in de klas mag blijven.
Wonderen
En in die klas, daar zijn de deskundigen het over eens, ligt de basis van de aanpak van dyslexie. Ria Kleijnen, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en het Expertisecentrum Nederlands, is een van die deskundigen. Kleijnen: “De begeleiding hoort altijd te starten in de klas. Dat is de basis. Op die plaats brengt de leerling de meeste tijd door en hier is de link met de vakles het duidelijkst aanwezig.” Dit betekent een belangrijke rol voor de vakdocent. Kleijnen stelt dat bewustwording van de problematiek een eerste belangrijke stap is. “Ga als vakdocent in gesprek met zo’n leerling. Dat hoeft niet lang, drie keer per jaar een kwartiertje kan al zo veel doen.” Kleijnen zegt dat deze erkenning het kind rust kan geven, dat het voelt dat het geen dom kind is dat niet kan lezen, maar ‘gewoon’ dyslexie heeft. En dat er samen met de school gekeken wordt naar wat er aan gedaan kan worden. Kleijnen: “Vervolgens kijk je wat jij voor die leerling in zijn situatie kunt doen. Dat kan zijn dat je apart uitleg geeft, of dat hij verlenging krijgt voor een proefwerk. Overleg dit met de zorgcoördinator of de dyslexiecoach. En kies niet zomaar voor bepaalde ict-middelen, want er is zoveel op de markt. Kijk altijd naar wat past bij dit kind. Samen met de leerling kun je vervolgens plannen wat er moet gebeuren om het vak zo goed mogelijk te kunnen volgen. Op deze manier kunnen ook docenten wiskunde, aardrijkskunde of Frans wonderen verrichten. Als zij leerlingen met dyslexie maar serieus nemen.”
Volgens Ria Kleijnen spelen mentoren en dylexiecoaches een belangrijke rol. “Zij begeleiden de docent in zijn aanpak en samen met de collega’s, leerlingen en ouders moeten zij zoeken naar passende arrangementen. Willen we er echt iets van gaan maken dan is samenwerking op alle niveaus van belang,” aldus Kleijnen.
Analyse
Die samenwerking kan worden vormgegeven in een beleidsplan. Hier zijn dylexiecoaches bij gebaat omdat zo wordt voorkomen dat je iedere leerling apart gaat begeleiden en dat de begeleiding van de docenten op los zand is gebaseerd. Koos Henneman, medeauteur van het Protocol Dyslexie voortgezet onderwijs en eigenaar van Advies&Scholing Dyslexie, en Marzenka Rolak van het Dyslexiecentrum Rotterdam hebben een format voor een beleidsplan ontwikkeld. Dit helpt scholen helpt bij het schrijven van een goed plan. Henneman: “Scholen worstelen met het papierwerk. Soms zie je vuistdikke rapporten voorbijkomen. Geen wonder dat het dan door de afzonderlijke docent niet wordt opgepakt. Wij adviseren om een handzaam document met de belangrijkste zaken te maken. Zoals de visie, de stand van zaken, de gewenste situatie, de doelen op korte en lange termijn en de relatie met andere ontwikkelingen. Een paar A4’tjes, maximaal. De rest werk je uit in bijlagen. Scholen kunnen hier snel mee aan het werk. Mits er natuurlijk ook draagvlak is voor het plan bij de directie.”
Henneman en Rolak hebben de afgelopen jaren veel scholen ondersteund bij de ontwikkeling en uitvoering van beleidsplannen. Op basis van die ervaringen hebben zij een voorbeeld van een sterkte-zwakteanalyse gemaakt, die is uitgewerkt in een overzichtelijke tabel. Rolak: “Met die tabel in de hand is het eenvoudiger om de gang van zaken op je eigen school te analyseren. Waar liggen kansen? Wat missen we nog? We zien dat scholen er altijd snel mee aan de slag kunnen.”
Vliegende start
Een belangrijke tip van Henneman en Rolak is om dyslexie uit de wandelgangen te halen. Henneman: “Niet zelden wordt een dyslexiecoach, zorgcoördinator of remedial teacher tijdens de koffiepauze tussen neus en lippen gevraagd of ze eens naar Pietje of Marietje willen kijken. Maar op die manier blijft iemand bezig met kunst- en vliegwerk. Beter is het om een onderzoek samen met de mentor goed te structureren.” Volgens Henneman moeten alle docenten die bij die leerling betrokken zijn, eerst een vragenlijst invullen. Alle mogelijke verschijnselen die te maken hebben met dyslexie staan op die lijst. Pas als alle docenten de lijst hebben ingeleverd komt de dyslexiecoach of remedial teacher in actie. “Het voordeel is dat je meteen alle docenten goed hebt laten observeren en je verkrijgt enorm veel informatie over die leerling. Je kunt dan een vliegende start maken.”
De vakdocenten krijgen vervolgens een belangrijke rol in de aanpak. Immers, de aanpak van dyslexie start in de klas en niet meer in een apart kamertje. Dit mislukt vaak, erkennen Henneman en Rolak. “De dyslexiecoaches van de scholen met wie we werken, melden dat er te weinig gebeurt in de klas zelf. Heel frustrerend natuurlijk. De natuurlijke neiging van zo’n dyslexiecoach is dan vaak om toch weer zelf aan de slag te gaan”, stelt Rolak. “Begrijpelijk, omdat ze zelf ook vakdocent zijn. Maar houd de coachende taken gescheiden van de vakinhoudelijke begeleiding”, waarschuwt ze. Een beproefde methode om de overdracht naar de klas te bewerkstelligen is volgens de twee om met een docent na te gaan wat hij al doet, en vervolgens een maatregel te laten kiezen voor de komende drie maanden. In het Protocol Dyslexie staan lijsten met mogelijke maatregelen, deze kunnen heel concreet en makkelijk toepasbaar zijn. Henneman: “Een docent koos er bijvoorbeeld voor om de lay-out van zijn proefwerken te verbeteren. Het bleek een simpele maatregel met grote gevolgen, bekende de docent achteraf met het schaamrood op zijn kaken. Het was voor hem ook makkelijker geworden om een volgende maatregel in te voeren. Hij ging in overleg met zijn leerling.”
Scholen kunnen de voorwaarden scheppen om een leerling met dyslexie zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen. Erkenning van het probleem van de leerling is belangrijk, net als een goede aanpak in de klas van de vakdocent. Mits er draagvlak is vanuit de directie kunnen dyslexiecoaches en zorgcoördinatoren met een goed beleidsplan, coaching en heldere lijnen zorgen voor een klimaat waarin de docent zijn klus ook kan waarmaken.
{Kadertje}
Elke docent een dyslexiespecialist?
Een belangrijke rol in de aanpak van dyslexie op scholen is weggelegd voor de gewone docent. Dit betekent overigens niet dat deze docenten ook meteen dyslexiespecialisten moeten worden. “Dat kan ook helemaal niet. Ik zeg altijd maar dat je vooral goed moet kijken en luisteren”, verklaart Heleen Schoots van de KPC Groep. “En liefst zelf wat minder praten als het kan. Geef de kinderen het woord. Maak ook geen lijstje van wat kinderen volgens jou allemaal niet kunnen, maar laat kinderen zelf aangeven wat ze wèl kunnen en willen. Laat ze zelf dingen oplossen in plaats van ze alles uit handen te nemen.”
Koos Henneman houdt de tip aan vakdocenten simpel: “De een heeft verlenging nodig, een ander een speciaal ict-programma. Maar wat ze allemaal nodig hebben is erkenning. Je zult zien dat ze dan opbloeien.”
{kader}
Protocol
Het Protocol Dyslexie voortgezet onderwijs onderscheidt vier onderwijszorgniveaus. De basis wordt gelegd op niveau 1, in de klas. Alle leerlingen profiteren van inzet op dit niveau. Leerlingen die meer begeleiding nodig hebben, krijgen dat op niveau 2. Niveau 3 en 4 zijn voor leerlingen die ernstiger vormen van dyslexie hebben.
Niveau 1: Afstemming van pedagogisch-didactisch handelen op de instructiebehoeften van de leerlingen, met andere woorden: goed onderwijs voor alle leerlingen.
Niveau 2: Uitvoering van specifiek op de dyslecticus afgestemde maatregelen en instructie, zoals compensatie en dispensatie en extra instructie binnen klassenverband.
Niveau 3: Tijdelijke aanvullende interventies voor dyslectische leerlingen buiten klassenverband of als differentiatievariant binnen klassenverband.
Niveau 4: Behandeling van dyslexie door specialisten uit de gezondheidszorg of het bieden van speciale onderwijsvoorzieningen.
{kader}
Een schoolvoorbeeld
Ellen Vlasveld vermoedde al jaren dat haar dochter Sharon dyslectisch was, maar op de basisschool kreeg ze met haar twijfels geen poot aan de grond. Er kwam uiteindelijk wel een dyslexieverklaring, maar er werd niet naar gehandeld. Pas op de middelbare school, het Visser ’t Hooft Lyceum in Leiderdorp, werd er serieus naar gekeken. Sharon werd begeleid, kreeg hulpmiddelen en bloeide op. Ellen: “Eindelijk kon mijn dochter laten zien wat ze allemaal in haar mars heeft.”
Zorgcoördinator Erica Handofsky is blij dat het met Sharon nu beter gaat. “Dit is precies wat we willen, dat leerlingen optimaal kunnen leren, of ze nu dyslexie, adhd of autisme hebben.” Het lyceum staat onder ouders goed bekend, onder andere vanwege de duidelijke plaats van de leerlingbegeleiding binnen de school. Van de 650 leerlingen zijn er ongeveer vijftig met een meer of minder zware vorm van dyslexie. Bang dat de school alleen maar kneuzen en probleemgevallen aantrekt, is Handofsky niet. “Alle leerlingen hebben recht op een plaats op deze school. Zij staan centraal. En als je het als school goed geregeld hebt, is het echt geen enorme taakverzwaring om een kind met dyslexie in de klas te hebben. Als je maar goed weet waar je op moet letten.” Een handig middel hierbij is een overzicht van alle mogelijke aandoeningen. In deze handelingswijzer staat precies wat de mogelijke uitingsvormen van verschillende stoornissen zijn en wat de beste aanpak is. Voor iedere docent is de handelingswijzer op ieder moment te raadplegen. Handofsky: “Ik coördineer het zorgbeleid, maar het wordt op alle niveaus door alle docenten in de lessen uitgedragen. Gelukkig maar, want zonder de inzet van de docenten ben je als zorgcoördinator een roepende in de woestijn. Bovendien staat de directie pal achter dit beleid. En dan gaat er veel goed.”
{onderaan}
Meer informatie
Er is een themanummer over dyslexie verschenen van Remediaal, tijdschrift voor leer- en gedragsproblemen in het vo/bve. Dit nummer (nummer 4, 2008/2009) is te bestellen voor € 12,50, exclusief verzendkosten. Bestellen kan via het bestelformulier van www.uitgeverijbetelgeuze.nl of met een telefoontje naar 079 3300300.
www.masterplandyslexie.nl: helpt scholen bij een systematische en geïntegreerde aanpak van dyslexie in het onderwijs.
www.balansdigitaal.nl: oudervereniging van kinderen met leer-, ontwikkelings- en gedragsstoornissen.
www.kwaliteitsinstituutdyslexie.nl: kwaliteitsinstituut van Balans en Stichting Dyslexie Nederland.
www.stichtingdyslexienederland.nl: stichting waarin dyslexiewetenschappers zijn vertegenwoordigd.