• blad nr 12
  • 27-6-2009
  • auteur L. Douma 
  • Redactioneel

 

Meester schrijft een boek

Jan Siebelink, Simon Bottema en Jacques Kruithof. Zomaar drie oud-leraren die schrijver zijn geworden. Op scholen zijn veel aspirant-auteurs. In de zomervakantie zullen zij hun gedachten weer op papier proberen te zetten. En dan? Hoe een docent schrijver wordt.

“Ongeveer een miljoen Nederlanders heeft een manuscript in zijn bureaulade liggen”, weet acquirerend redacteur bij uitgeverij Querido Patricia de Groot. Daarmee verwijst ze naar een tien jaar oud onderzoek van TNS Nipo in opdracht van de Stichting Schrijven. Daaruit bleek dat 620 duizend mensen gedichten schrijven, 372 duizend mensen verhalen optikken en 248 duizend landgenoten lied- en toneelteksten maken. Daarnaast werken er 60 duizend aan een roman. En dat was tien jaar geleden. Door internet is het aantal schrijvers naar verwachting nog groter geworden.
Onder hen een groot aantal docenten. Schrijver en oud-leraar John Brosens begrijpt wel waarom. “Elke docent heeft wel iets van een verteller in zich. Ik ken veel leraren geschiedenis en aardrijkskunde die na verloop van tijd naar de pen grepen.” En ook van mensen die talen onderwijzen, is het niet verwonderlijk dat zij literaire aspiraties hebben, denkt schrijver en oud-docent Robert Anker. “Wie van taal houdt, wil daar zelf vaak ook wel iets mee.” Aan de andere kant kent hij genoeg schrijvers die voorheen werkzaam waren in bijvoorbeeld het bedrijfsleven. “Ik heb niet het idee dat oud-docenten oververtegenwoordigd zijn onder schrijvers.”
Auteurs die voorheen voor de klas stonden, gebruiken de school vaak als decor voor hun boeken. “Een conflict is de basis voor elke roman. En de school is bij uitstek een plek waar zich conflicten voordoen”, zei Renate Dorrestein twee jaar geleden in het Onderwijsblad. “Het is een interessant decor”, vindt ook De Groot van Querido. “De school is een soort maatschappij in het klein. Wanneer er veranderingen in de maatschappij optreden, doen die zich vaak het eerst op school voor.”
Ook onderwijsvernieuwingen en –maatregelen vertalen zich dikwijls in romans. De ene schrijver bedient zich van ironie (Cor de Hoon, Simon Bottema, Paul de Vaan). Voor een ander is het onderwijs een te serieus onderwerp om er een luchtig verhaal omheen te hangen (Jacques Kruithof, Jan Siebelink).
Frustratie over het lage niveau van leerlingen, studenten en collega’s is iets wat in hedendaagse Nederlandse en Vlaamse onderwijsromans veelvuldig voorkomt. Ook het gebrek aan algemene ontwikkeling en een overheid die het onderwijs verwaarloost, zijn veelvoorkomende thema’s.
“De onderwijsroman is bijna een genre op zich”, zegt De Groot. “Er is al zoveel over geschreven. Je moet van heel goeden huize komen wil je dat onderwerp op een interessante, vernieuwende manier brengen.”

Bekentenissen
Maar een roman schrijven is nog wat anders dan een roman publiceren. Het clichébeeld van de amateurschrijver die stiekem droomt van een carrière als gevierd auteur, klopt volgens het TNS Nipo-onderzoek niet. Het merendeel van de amateurschrijvers doet het voor zichzelf. Schrijven is voor hen een middel om bekentenissen te doen, een trauma te verwerken of frustraties te uiten.
Desondanks gaven ruim 293 duizend mensen in het onderzoek aan naar publicatie te streven. Jaarlijks rouleren er zo’n 10 duizend manuscripten tussen schrijvers en uitgevers. Slecht nieuws voor hen. De Groot: “In de twaalf jaar dat ik bij Querido werk, heb ik slechts twee keer een roman die met de post kwam uitgegeven.” En dan te bedenken dat zij – net als haar collega’s - elke dag een manuscript beoordeelt.
De Groot: “Wie werk gepubliceerd wil krijgen, adviseer ik om eerst eens goed in de eigen boekenkast te kijken. Welke auteurs passen bij jouw manier van schrijven en welke uitgevers hebben hun werk in het fonds? Verstuur manuscripten gericht, anders beland je niet eens op de grote stapel, maar komt het ongelezen terug.”
Dan nog is de kans op publicatie erg gering, weet auteur Brosens. “Het is dringen bij de uitgeverijen. Het beste is om bij een uitgeverij geïntroduceerd te worden. Volg bijvoorbeeld een schrijfcursus. De cursusleiders hebben vaak wel ingangen bij uitgeverijen. Wanneer ze je goed genoeg vinden, willen ze je wel verder helpen.”

Opleidingen
In Nederland zijn twee hbo-instellingen die opleiden tot professioneel schrijver. De Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht heeft de richting dramaschrijven. En de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie heeft een afstudeerrichting schrijven. Daarnaast zijn er in verschillende steden schrijversvakscholen. “Het is goed om zoiets te doen”, vindt ook De Groot. “Op zulke scholen worden technische vaardigheden aangeleerd. Je leert op een analytische manier naar een tekst kijken. Maar er is uiteraard geen een-op-een relatie tussen zo’n cursus en het uitgeven van een roman. Je moet van nature ontvankelijk zijn, goed kunnen observeren en een rijk taalgevoel hebben. Dat valt niet aan te leren.”
Een ander idee is je manuscript betaald laten beoordelen door een professional. Diverse bureautjes, zoals Scriptplus in Amsterdam, doen dit. Voor 475 euro (voor maximaal 35 duizend woorden) schrijft iemand van Scriptplus een uitvoerig leesrapport, waarmee het manuscript eventueel nog aangescherpt kan worden.
Een andere manier om de aandacht van uitgeverijen te trekken is een verhaal publiceren in een literair blad. Of een voordracht houden op een literaire avond. De Groot: “Ik benader via die weg wel mensen.”
Al met al is het vooral een kwestie van lange adem. “Je moet weten dat zelfs James Joyce zijn manuscript retour kreeg, keer op keer. Als aspirant-schrijver moet je innerlijk ontzettend gedreven zijn.” En wie dan toch iets gepubliceerd krijgt, kan daar meestal niet van leven. “Je moet wel een bestseller schrijven om ervan rond te komen. Het winnen van een grote prijs helpt ook.” En bestsellers, dat zijn meestal geen debuutromans.
Een laatste advies: “Volg je eigen stem. Ga niemand nadoen. En laat je niet uit het veld slaan.”

{kader 1}

De school als decor

Oud-docent Nederlands Robert Anker (1946) is schrijver, dichter en essayist. Vorig jaar was hij stadsdichter van Amsterdam. In 2002 ontving Anker de Libris Literatuurprijs voor zijn roman Een soort Engeland.

“Om Mulisch te citeren: Je wordt als schrijver geboren. Ik geloof niet dat iedereen schrijver kan worden, daar ben ik te romantisch voor. Ik ben altijd schrijver geweest. Daarnaast gaf ik les.
Mijn lange carrière voor de klas heeft één boek opgeleverd: Hajar en Daan, over een docent die een relatie krijgt met een leerling. Er was geen innerlijke noodzaak om over het onderwijs te schrijven. Ik wilde een heel leeg iemand opvoeren. Toen dook daar de leraar op die wel lesgeeft in geschiedenis, maar niet nadenkt over hoe die geschiedenis tot stand is gekomen. Ergens lag de school als decor voor de hand. Op school is genoeg conflictstof – tegengestelde belangen, frustraties – die ik lekker kon gebruiken. Dat ik bij een leeg persoon juist aan een leraar dacht, komt misschien doordat ik het onderwijs heb zien achteruitgaan. Halverwege de jaren tachtig ging mijn school samen met een mavo. De beter opgeleide docenten vertrokken. Er kwamen meer tweedegraadsdocenten. Daar heb ik geen hoge pet van op. Er waren collega’s die van toeten noch blazen wisten, die zelfs niet wisten wie W.F. Hermans was.
Mijn personages heb ik verzonnen, maar daar dachten sommige collega’s heel anders over. Het was op het kinderachtige af. Een collega droeg vaak een rode broek, net als een personage in mijn boek, dus dacht hij dat hij dat personage was. Een collega met een omvangrijk achterste dacht dat ik haar derrière had beschreven. In één personage – een leraar Nederlands – kon ik wel iets van mezelf stoppen. Die leraar had stevige meningen over de tweede fase, het taalgebruik van leerlingen, de teloorgang van het literatuuronderwijs - die meningen deel ik. Over het literatuuronderwijs heb ik me een aantal jaren erg druk gemaakt. Wij zijn een land van boeren en kooplieden en hebben niet zoveel op met cultuur. Daar maak ik me boos over.”

foto: Yvonne de Blaauw

{kader 2}

Stuwmeer vol ideeën

John Brosens (1946) schrijft thrillers en jeugdboeken. Ook publiceert hij poëzie onder het pseudoniem Adriaan Broos. Voordat hij fulltime auteur werd, werkte hij als meester, docent Engels en remedial teacher. Brosens’ historische jeugdroman Koers pal noord werd genomineerd voor de Thea Beckmanprijs 2007.

“Toen ik lesgaf op een huishoudschool, merkte ik dat veel kinderen helemaal niet geïnteresseerd zijn in leren. En dus besloot ik zelf lesmateriaal te maken met songs en spelletjes, waarmee ik toch dezelfde onderwijsdoelen bereikte. Uiteindelijk werd het in 2002 dankzij royalty’s van mijn lesmaterialen en een uitgeklede vut-regeling mogelijk aan mijn tweede carrière te beginnen. Ik had een stuwmeer vol ideeën en halfafgemaakte manuscripten waarop ik mij stortte.
Mijn eerste onderwijsthriller was Jacht op de jager, over een docent die wordt vermoord. Het idee ontstond toen ik na een Halloweenfeestje van school naar huis fietste door een pikdonker viaduct. De verlichting was uitgevallen, mijn fietslicht kapotgemaakt. Ik fantaseerde over wat er allemaal kon gebeuren. Met die fantasieën begint het boek. Een week nadat ik mijn manuscript inleverde, jaren na dat bewuste Halloweenfeestje, werd conrector Hans van Wieren in Den Haag vermoord. Dat was best een beetje eng. Ik had het idee dat de realiteit mijn fictie inhaalde. Ik heb nog overwogen de publicatie uit te stellen, wilde niet van lijkenpikkerij beschuldigd worden, maar zag daar toch vanaf. Ik heb ook nooit vervelende reacties gehad.
Ik blijf altijd verbonden met het onderwijs. Toch schrijf ik bewust niet alleen over dat onderwerp. Dat is me aan het begin van mijn schrijverschap ook afgeraden. Wanneer je een aantal keren hetzelfde thema toepast, word je door lezers, maar ook door uitgevers, in een bepaalde hoek gedrukt. Ik wil juist laten zien hoe veelzijdig ik ben. Dat neemt niet weg dat ik nog wel tien boeken over onderwijs kan schrijven. Er zijn zoveel dingen die rond school spelen: incest, Marokkaanse meisjes die op vakantie gedwongen worden te trouwen, voordrinken voor een feestje. Zie, daar heb je alweer drie aardige verhalen.”

foto: Ton Poortvliet

{kader 3}

Onderwijs drijft tot waanzin

Lévi Weemoedt (1948), pseudoniem van Izaäk Jacobus van Wijk, is schrijver van tragikomische korte verhalen en gedichten. Tot in de jaren tachtig was hij leraar Nederlands. Daarover schreef hij De ziekte van Lodesteijn.

“Lodesteijn en ik zijn familie. Ook in mij zit een vleug van waanzin. Het leven – en zeker het onderwijs – drijft tot waanzin. Net als Lodesteijn heb ik de school op een ongelukkige manier verlaten. De boosdoeners waren de bazen; het zijn altijd de lichtgewichten die in de staf terechtkomen. Het is toch geen oorlog: waarom dan nu al collaboreren? Bazen leveren elke overtuiging in. Denk jij dat de directeur van Shell nog een eigen mening heeft? Die is allang afgekocht!
Ik was verbolgen op mijn schoolleiding. En wilde wraak nemen, altijd een nobel motief. Naar mijn idee had ik een ingetogen boekje geschreven, strak, met niet al te veel humor. Geen slapstick zoals in mijn eerdere verhalen. Iets serieus misschien wel. Later hoorde ik dat mensen op elke pagina wel een keer moesten lachen.
Ik moest later nog vaak denken aan een bepaald fragment uit dat boekje. Lodesteijn zegt op een gegeven moment dat een land dat genoeg scholen bouwt, geen gevangenissen meer nodig heeft. Want dan zìt iedereen al in de gevangenis. Het grappige is dat ik kwam te werken in een bajes. En met veel plezier! Dat was toch wel iets anders dan een school. Het is woester. Maar van die stressvolle omgeving word ik juist rustiger. Mijn krankzinnigheid kwam me ook daar weer goed van pas. Mensen zijn altijd een beetje bang voor gekken. Dan heb je vanzelf alle aandacht. Alsook gezag.
Soms stuit een leerling dankzij jou op iets moois waar hij de rest van zijn leven van kan genieten. Een boek. Schitterende muziek. Dat geeft warmte aan het leven. Dat is mooi aan onderwijs. Maar dat kun je ook gewoon in een bus aan iemand vertellen. Of op straat, daar hoef je geen gebouw omheen te zetten. Dus ben ik eigenlijk wel klaar met het onderwijs. Ik denk niet dat ik er nog over zal schrijven.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.