- blad nr 6
- 28-3-2009
- auteur . Lachesis
- Column
Klem
Er heeft op de pabo een nieuw fenomeen zijn intrede gedaan: de ouderavond. De avond was met samenzang begonnen. Tijdens het liedje Deze vuist op deze vuist waren veel ouders samen met hun kinderen boven op de tafels geklommen teneinde een nog hoger punt te kunnen bereiken met hun vuisten. Deze aanblik had me eerlijk gezegd wat ontregeld. Zo’n klauterpartij zou je eerder op een basisschool verwachten, maar daar had ik het verschijnsel nog nooit aangetroffen. In de pauze lopen er overal groepjes studenten met hun ouders door het gebouw. Kijk, hier is de kantine, hier het biologielokaal, daar ga ik altijd gymmen! Het zijn vrolijke groepjes, de ouders lijken blij met de kans kennis te maken met de school van hun kroost.
Tijden veranderen. Al waren mijn ouders destijds op hun knieën gegaan, dan nog zou ik geen tel overwogen hebben om hen daadwerkelijk mee op sleeptouw te nemen. Eens ben je ergens te oud voor geworden. Deze generatie studenten denkt daar duidelijk anders over. Het merkwaardige is dat er van diezelfde generatie wel verwacht wordt dat ze vanaf de start van de opleiding hun eigen studie kunnen managen: ze moeten een complex leerstofaanbod leren doorgronden, zich een slag in de rondte reflecteren, op eigen houtje competenties leren ontwikkelen. En dat alles met een minimum aan contacturen. Als ik ze zo zie lopen, bedenk ik dat het geen wonder is dat ze bij elke kwaliteitsmeting de vloer aanvegen met al die nadruk op competentieontwikkeling en verslaglegging. Deze studenten zijn nog jong en willen gewoon leren hoe het zit.
Ook de staatssecretaris heeft er genoeg van. Ze maakt in haar rapport Krachtig meesterschap melding van haar voornemen de studenten meer inhoud aan te bieden, meer contacturen te laten maken en minder papierwerk te laten verrichten. De staatssecretaris heeft makkelijk praten. Competentieleren komt niet uit de koker van het ministerie maar uit die van de hogere managementlagen van de hogescholen. De opdracht van de staatssecretaris is door de mensen op de werkvloer dan ook niet zomaar uit te voeren. Die zitten inmiddels klem tussen deze elkaar tegensprekende richtlijnen. Toch zijn zij het die met de povere resultaten van kwaliteitsmetingen om de oren worden geslagen: weer een 5.8, maak eens een analyse, kom eens met een verbeterplan. En daar gaan die arme uitvoerders weer: meer ondersteuningsprogramma’s in nog minder tijd, meer coaching, meer oppeppen, meer planningsstrategieën, meer workshops. Is het zo dan goed? Maar het is niet goed. Het is nooit goed. Eerstejaarsstudenten en competentieleren passen niet bij elkaar. Eerstejaars willen nog gezellig samen met hun ouders op de tafel staan zingen en hen wijzen waar de kantine is. Daarna willen ze leuke dingen met kinderen doen en van hun leraren horen hoe je lesgeeft. Bij alle andere zaken grijpen ze rücksichtslos naar het enquêteformulier: Het was wéér niks, nada, prut! Wanneer leer ik hier nou eens echt wat?