• blad nr 6
  • 28-3-2009
  • auteur E. Went 
  • Mastergids ZoekSO.nl

Wie waarborgt de kwaliteit? 

De ene master is de andere niet

Masters zijn sexy. Een beetje opleidingsinstituut heeft er tegenwoordig wel een paar in zijn assortiment. Maar de ene master is de andere niet. Hoe voorkom je dat je een kat in de zak koopt? Een ordening in het woud van accreditatiemechanismen, erkenningsorganisaties en kwaliteitsstempels.

Voor alle soorten masters waaraan wettelijke graden en officieel erkende titels verbonden zijn, is de situatie nog lekker overzichtelijk. De enige organisatie die de kwaliteit van deze opleidingen in de gaten houdt, is namelijk de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). In opdracht van de NVAO krijgen alle universiteiten en hogescholen die masters aanbieden een Visiterende en Beoordelende Instantie (VBI) over de vloer. Deze (in Nederland hebben we er vier) schakelt een commissie van onafhankelijke deskundigen in die zich een oordeel over de opleiding vormt. Daarna brengt de VBI advies uit aan de NVAO. Neemt de NVAO dat advies over, dan wordt de master geregistreerd bij het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Daarmee is de bekostiging en financiering van de masteropleiding door de overheid officieel gegarandeerd. Bovendien zijn de opleidingen dan gerechtigd erkende diploma’s en graden af te geven en kunnen studenten aanspraak maken op studiefinanciering.
Door de NVAO zijn bijna 1100 Nederlandse masteropleidingen op deze manier op kwaliteit beoordeeld: ruim 200 hbo-masteropleidingen en een kleine 900 wo-masteropleidingen. Slechts in vijf gevallen heeft de NVAO een rapport van een VBI afgekeurd.
Waar een NVAO-accreditatie wettelijk de kwaliteitsvraag meetbaar afdekt, zijn er opleiders die dat stempel zelfs nog niet genoeg vinden. Het Nederlands Instituut voor Masters in Educatie bijvoorbeeld (NiME). Dit nieuwe initiatief van een grote groep vo-besturen biedt via geselecteerde opleidingsinstituten als de Universiteit Utrecht, de Universiteit Twente, de UvA, de VU en het Centrum voor Nascholing Amsterdam een Professional Master en drie Academische Masters aan. Daarvoor worden uiteraard de verplichte NVAO-accreditaties aangevraagd. Maar daarnaast heeft het NiME ook nog een eigen kwaliteitsraad in het leven geroepen.

Stichting Coach
Tot zover is alles zo helder als glas. Het NVAO controleert de wettelijk erkende opleidingen, met de daaraan gekoppelde wettelijke graden en titels. Maar hoe zit dat nu met al die masters die door particuliere opleidingsinstituten gegeven worden? Een eerste blik op de website www.lerarenbeurs.info leert dat er in deze gevallen een keur aan erkenningsorganisaties actief is die elk hun eigen regels en toetsingscriteria hebben.
Stel bijvoorbeeld dat je de Master Coach wilt gaan volgen, een ‘korte cursus’ (duur 19 maanden; kosten €8920,-) die wordt aangeboden door het Europees Instituut voor Educatie in Coaching & Counseling. Om er zeker van te zijn dat je geen kat in de zak koopt – deelnemers kunnen hiervoor geen studiebeurs aanvragen dus moeten alles uit eigen zak betalen - moet je vertrouwen op het oordeel van de Stichting Coach. Deze onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk is door opleidingsinstituten zelf (waaronder dus ook het Europees Instituut) in het leven geroepen om de transparantie van coaching te vergroten, de kwaliteit van opleidingen te toetsen en hun erkenningen te faciliteren. Samen hebben zij criteria opgesteld waaraan opleidingen moeten voldoen. Zo wordt geacht dat afgestudeerde coaches een competentieprofiel hebben dat door de stichting is vastgesteld, mogen deelnemersgroepen niet uit minder dan acht en niet meer dan achttien personen bestaan, moeten de opleidingen minimaal honderd contacturen bevatten en moet duidelijk vastliggen hoe de beoordeling en afronding van de opleiding geregeld is. Alleen wie aan alle regels voldoet krijgt het ‘onafhankelijke keurmerk’ als kwaliteitsstempel op de opleiding gedrukt.
Volgens Ron van Deth, stafmedewerker van het Europees Instituut, is erkenning door de Stichting Coach “de beste garantie op kwaliteit die je in de Nederlandse wereld van coaching kunt krijgen”. “Coach is namelijk geen beschermde titel. Wie zichzelf morgen als zodanig in de markt wil zetten kan dat zomaar doen. Dan is het goed als er ter regulering breed gedragen eisen aan opleidingen worden gesteld.” Toch gaat de instelling dit jaar ook voor een post-hbo-accreditatie. “Want hoe stelliger we in deze sterk concurrerende markt onze kwaliteit kunnen aantonen, hoe beter”, redeneert Van Deth.

ISNLP
Een ander voorbeeld: je bent van plan om de NLP Master Leergang bij opleidingsinstituut Crealon te gaan volgen. Voordat je verspreid over twaalf maanden 130 contacturen ‘koopt’ à raison de €2450,- wil je wel zeker zijn dat dit geen weggegooid geld is. Een ding is op voorhand duidelijk: deze master is van een heel andere orde dan de masters die onder auspiciën van de NVAO vallen. NVLPP-bestuurslid Dick Kleine: “De term ‘master’ zoals wij die hanteren, is meer zoals we hem gebruiken in de volksmond. En daar is niets mis mee, want master is geen wettelijk beschermde titel.”
Om toch te weten hoe het met de kwaliteit van de NLP masters gesteld is, krijgen erkende opleidingen het kwaliteitsstempel van de Nederlandse Vereniging voor NLP (NVNLP). Deze vereniging hanteert daarvoor de criteria van de International Society for Neuro Linguistic Programming (ISNLP). Voor de Master Practitioner beschrijft de ISNLP bijvoorbeeld nauwkeurig welke elf NLP-technieken er tijdens een master aan de orde moeten komen, hoeveel contacturen er minimaal vereist zijn (130) en dat er ‘buiten de klas training voor oefening en evaluatie’ moet plaatsvinden. Slechts die opleidingsinstituten die hun opleidingen staven naar deze criteria worden door de NVNLP als bonafide geaccepteerd en kunnen als zodanig ook geregistreerd worden.

CEDEO
Een organisatie die ook veelvuldig opduikt in het ‘erkenningencircuit’ rond masters en vergelijkbare opleidingen, is CEDEO. Dit is een initiatief van HR-managers bij de grootste bedrijven en instellingen van Nederland, gesteund door het ministerie van Economische Zaken. Opdracht van CEDEO is de kwaliteit van het aanbod van bedrijfsopleidingen te waarborgen. “Want dat zijn er heel wat”, weet directeur Paul Esveld. “Zo hebben wij onlangs het aantal opleidingsinstituten in Nederland geteld. Dat zijn er maar liefst 12.500, waarvan er 8500 economisch actief zijn.”
De methode die CEDEO hanteert om het kaf van het koren te scheiden, is eenvoudig. Esveld: “Wij kijken niet naar de kwaliteit van de opleidingen zelf, maar hoe de markt ofwel de cliënt die opleidingen beoordeelt. Dat doen wij met behulp van klanttevredenheidsonderzoeken. Als 80 procent van de cursisten tevreden tot zeer tevreden is over de genoten opleiding, dan mag een opleidingsinstituut het CEDEO-keurmerk dragen.”

Naamsbekendheid
Met alle keurmerken, accreditatiemechanismen en vermeende waarborgen voor kwaliteit die er inmiddels in omloop zijn, is nog lang niet het volledige spectrum aan masters ‘gedekt’. CEDEO-directeur Esveld snapt wel hoe dat komt. “De term ‘master’ is namelijk enorm sexy. Het aantal masteropleidingen neemt explosief toe, waarbij het predicaat master te pas en te onpas wordt gebruikt. En waarom ook niet: het is een term die niet geblokkeerd wordt door de overheid. Dus strafbaar is dat niet.”
Hoe kunnen docenten en schoolleiders die zich oriënteren op deze markt dan toch nog enige garantie krijgen op kwaliteit? Esveld: “Dat blijft lastig. Het enige waar je vaak op af kunt gaan is op naamsbekendheid. Mijn advies zou zijn: Vraag aan een opleidingsinstituut waar je niet zeker van bent altijd een paar namen en telefoonnummers van oud-cursisten. Zij kunnen een redelijk objectief beeld geven van wat zo’n opleiding nu echt voorstelt. Elk instituut dat zeker is van zijn zaak zal zo’n verzoek nooit weigeren.”

{kadertje}
Meer weten?

* www.lerarenbeurs.info
* www.nvao.net
* www.ib-groep.nl/zakelijk/HO/CROHO voor het CROHO-register
* www.stichtingcoach.nl
* www.cedeo.nl
* www.mastersineducatie.nl
* www.masterinformatiecentrum.nl

{streamer}

@C1:‘Het aantal masteropleidingen neemt explosief toe, waarbij het predicaat master te pas en te onpas wordt gebruikt’




BaMa-structuur

In 1999 hebben ruim dertig Europese landen de Bologna-verklaring ondertekend en besloten de bachelor-masterstructuur (BaMa) in te voeren in het hoger onderwijs. Deze had tot doel de internationale herkenbaarheid van het hoger onderwijs te vergroten. Voor een aantal landen, waaronder Nederland, was dit aanleiding om een accreditatiestelsel te introduceren waarmee kan worden vastgesteld of opleidingen voldoen aan de criteria voor basiskwaliteit. In Nederland en België is de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) de organisatie die deze kwaliteit bewaakt.
Het aanbod in het hoger onderwijs bestaat uit bachelor- en masteropleidingen op hbo- en wo-niveau. Afgestudeerden van een geaccrediteerde hbo-masteropleiding mogen de mastertitel voeren. Afgestudeerden van een wo-masteropleiding krijgen naast de mastertitel de toevoeging 'Science' of 'Arts', afhankelijk van het studiedomein.

{noot}
Bron: Master Informatiecentrum (www.masterinformatiecentrum.nl)


{Drie portretten van cursisten die een master volgen}

‘Ik zoek verdieping in mijn vak’

Melanie Aarts, docent maatschappijleer aan de Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur

“Ik doe de master Maatschappijleer aan de Fontys Lerarenopleiding in Tilburg. Dat is een opleiding van drie jaar. Ik zit nu in het tweede jaar. Gemiddeld ben ik acht uur per week met deze opleiding bezig, en dat is best pittig naast een fulltime baan.
De reden waarom ik voor de master gekozen heb, is dat ik meer verdieping wil in mijn vak en graag les wil geven aan de bovenbouw. De master geeft mij meer theoretische achtergronden en leert me allerlei nieuwe vaardigheden. Zo moet ik bijvoorbeeld onderzoek gaan doen. Op mijn school ben ik verantwoordelijk voor de maatschappelijke stage. Het idee is nu dat ik voor mijn eindopdracht ga onderzoeken in hoeverre deze stage in het curriculum geplaatst kan worden.
Mijn leerlingen profiteren er nu al volop van dat ik deze studie doe. Zo wissel ik veel ervaringen en tips uit met mijn medestudenten en dat zien mijn leerlingen direct terug in de klas. De een tipt me bijvoorbeeld over een goede documentaire, de ander over leuke discussievormen. Vaak pas ik die nieuw verworven kennis meteen toe in de klas. Zo moest ik laatst de Europese politiek behandelen. Voorheen zou ik dat voorzichtig benaderen, als een soort geschiedenisles. Omdat ik nu – dankzij de master - veel meer over dit onderwerp weet, heb ik er een quiz over gemaakt.
Om me heen zie ik de trend dat steeds meer docenten een master doen. Voor een deel komt dat omdat er nogal wat oudere collega’s met pensioen gaan. Met een eerstegraads bevoegdheid is het dan mogelijk om door te stromen.
Wie meer wil weten over zijn vak kan ik zo’n master dus van harte aanbevelen. Maar je moet het niet doen omdat iemand anders dat van je vraagt. Dan houd je het niet vol. Daar is de opleiding toch echt te zwaar voor.”

‘Voeten in de klei, hoofd in de wolken’

Willy van Dijk, beleidsmedewerker Onderwijs en Opleiding bij het KPOA in Amersfoort

“Ik werk bij het Katholiek Primair Onderwijs Amersfoort (KPOA) als beleidsmedewerker Onderwijs en Opleiding, en ga vanaf september de master Leren en Innoveren volgen bij het Marnix Onderwijscentrum. Eigenlijk zou deze opleiding begin dit jaar starten, maar er waren niet genoeg deelnemers. Dus moesten we wachten. Cursisten die zich hadden aangemeld, kregen gelukkig een literatuurgroep aangeboden om de wachttijd tot september te verkorten. In deze groep bereiden we de opleiding nu alvast voor. Dat is geweldig leuk.
In ben een soort vooruitgeschoven post met als opdracht de opleiding voor te proeven. Het KPOA streeft er namelijk naar dat op elk van onze zeventien basisscholen minimaal één leerkracht de master Leren en Innoveren gaat doen. Deze opleiding, speciaal bedoeld voor leraren die de drive hebben om de onderwijspraktijk te verbeteren en vernieuwen, is goed voor de kwaliteit van ons onderwijs. De opleiding kan ervoor zorgen dat innovaties vanaf de werkvloer tot stand komen in plaats van dat we daar allerlei externe partijen voor moeten inhuren.
Op onze scholen lopen behoorlijk wat leerkrachten rond die meer kunnen dan anderen en die ook allerlei ambities hebben. Voor hen zijn er geen doorgroeimogelijkheden, behalve dat ze overstappen naar het management, maar dan zijn we ze meteen voor de onderwijspraktijk kwijt. Deze master geeft leerkrachten de kans om met de voeten in de klei en het hoofd in de wolken te lopen.
De master is overigens best pittig. Zo is mij verteld dat we straks minimaal twintig uur per week thuis moeten werken aan onze eigen opdrachten. De opleidingsdagen faciliteert het KPOA. Maar dat huiswerk in eigen tijd, daar zullen docenten toch echt zelf een oplossing voor moeten verzinnen.”

‘De pabo was te oppervlakkig’

Judith Huurman, student master SEN bij Inholland

“Ik loop twee dagen per week stage op een zmok-school in Dordrecht en ga twee dagen per week naar school. Ik volg de voltijdopleiding master Special Education Needs (SEN) bij Hogeschool Inholland. Deze opleiding duurt een jaar. De stage maakt deel uit van deze opleiding. Idee is dat ik tijdens die twee dagen per week op de werkvloer praktijkopdrachten uitvoer.
Ik heb gekozen voor de voltijd master omdat ik na de pabo behoefte had aan meer verdieping voordat ik voor de klas zou gaan staan. Inhoudelijk vond ik de stof namelijk behoorlijk oppervlakkig. Ik wil gaan werken in het speciaal basisonderwijs, en om dat te kunnen heb ik toch echt meer bagage nodig, vind ik. De master biedt mij die verdieping. Zo heb ik net een opleidingsmodule voor kinderen met rekenproblemen achter de rug. Idee is dat je dan een kind uit jouw praktijksituatie als uitgangspunt neemt, en dat je de literatuur aan de problemen van dat kind aanpast. En dat werkt. Het helpt me om de link tussen theorie en praktijk echt te leggen. Bovendien helpt de master mij in z’n algemeenheid om mijn eigen handelen kritisch te bekijken, en dat is altijd goed. Ik zal daarom niet snel vanuit een soort automatisme handelen of ‘omdat we dat nu eenmaal zo gewend zijn op school’.
Zo’n master is een uitkomst voor al diegenen die niet uitkomen met de pabo, zoals ik. Wat je vaak ziet is dat er een enorm groot verschil is tussen hoe mbo-leerlingen de pabo beleven en middelbare scholieren, zoals ik. Die laatste groep vindt de theorie vaak weinig uitdagend, maar moet in de praktijk keihard werken om het hoofd boven water te houden. Bij mbo’ers zie je vaak het omgekeerde. Als je dan zoals ik de pabo hebt afgerond, komt toch weer die behoefte aan achtergrond bovendrijven. In dat geval is een master een prima investering.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.