• blad nr 4
  • 28-2-2009
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

Nieuwe wet om zwakke scholen aan te pakken 

Onderwijsjurist heeft twijfelts

Natuurlijk moeten zeer zwakke scholen met onwillige besturen gesloten kunnen worden. Onderwijsjurist Miek Laemers vindt dat in sommige gevallen, als ook de ouders het laten afweten, het beste. Toch betwijfelt ze of de nieuwe wet die dit mogelijk moet maken, het juiste instrument hiervoor is.

Binnenkort gaat de Tweede Kamer de langverwachte onderwijswet Goed onderwijs en goed bestuur* behandelen die het de overheid mogelijk moet maken eerder in te grijpen op scholen waar het slecht gaat. “De strijd om artikel 23 zal weer ontbranden”, voorspelt Miek Laemers. Als onderwijsjurist weet ze als geen ander dat deze wet nog een lange weg te gaan heeft. Het Onderwijsblad spreekt Laemers in haar bescheiden werkkamer op de Radbouduniversiteit van Nijmegen tussen wat zij ‘haar stapels’ noemt.
Over (zeer) zwakke scholen wordt momenteel veel discussie gevoerd. Laemers schreef er eind vorig jaar een preadvies over voor het jaarlijkse symposium van de Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht (NVOR). Daar was ook onderwijswethouder Geluk van Rotterdam. Hij maakt zich samen met de andere wethouders van de grote steden erg boos over de Onderwijsinspectie omdat die de scholen maar aan laat modderen. Intussen, zo stellen de wethouders, krijgen 25.000 leerlingen niet het onderwijs waar ze recht op hebben. Geluk stelde voor een bewindvoerder aan te stellen die zich volledig richt op het herstel van de kwaliteit van onderwijs.
Vindt u het een goed idee zo’n bewindvoerder?
“In de nieuwe wet staat iets vergelijkbaars. Bij wanbeheer kan het ministerie het bestuur een ‘aanwijzing’ geven. Dan worden er bijvoorbeeld externe deskundigen toegevoegd aan het bestuur.” Als een bestuur dat niet toestaat, kan er een bekostigingssanctie volgen. Wethouder Geluk kwam in het nieuws toen hij de strijd aanbond met de islamitische school voor voortgezet onderwijs Ibn Ghaldoun. Hij schreef de ouders een brief waarin hij hen afraadde hun kinderen naar die school te sturen. De rechter vond dat onrechtmatig.
Laemers kan zich voorstellen dat wethouders ongeduldig worden omdat ze veel geld investeren in onderwijs maar niet kunnen ingrijpen. Toch vindt ze het wel van belang dat in de uitspraak van de rechter nog eens tot uitdrukking komt dat het lokale bestuur geen zeggenschap heeft over het onderwijs. “Stel dat er een heel foute wethouder zit die vanuit zijn visie bepaalde maatregelen wil doorvoeren in het onderwijs. Dat zou ik niet juist vinden. Gemeentes zijn nu wel verantwoordelijk voor de huisvesting. Verder kunnen ze signalen van scholen waar het niet goed gaat doorgeven aan de inspectie.”
Zouden er geen hogere eisen gesteld kunnen worden aan het bestuur van een nieuwe school?
“De oprichting van een nieuwe school hangt nauw samen met de vrijheid van onderwijs. Volgens mij kan een ouder in een bestuur van een school heel goed functioneren zonder dat hij daarvoor een opleiding heeft gevolgd. Welke eisen moet je dan gaan opnemen in de wet? Het lijkt me geen goed idee om hier weer allerlei toetsen voor te maken.”

Praktische oplossingen
Alle ogen zijn nu gericht op de nieuwe wet Goed onderwijs en goed bestuur, maar Laemers heeft zo haar bedenkingen. “Het hele veld is hier al zo’n zes jaar mee bezig. Uit het advies van de Raad van State blijkt dat het allemaal nog niet zo eenvoudig is. Met het oog op de rechtsgelijkheid van scholen bijvoorbeeld moeten de leeropbrengsten meetbaar zijn. De aandachtspunten van de inspectie ten aanzien van de minimaal vereiste resultaten per vakgebied moeten als bekostigingsvoorwaarden in de wet worden opgenomen. Dat wordt een hele klus. Met scholen die als zwak worden beoordeeld gaat het in 80 tot 90 procent van de gevallen na een tijdje weer de goede kant op. De nieuwe wet is dus vooral van belang voor het relatief kleine aantal zeer zwakke scholen.”
Verder vraagt ze zich af of de wet maatschappelijk wel de gewenste uitwerking heeft. “Het is echt niet zo dat zodra er iets in een wet staat het vervolgens ook met de scholen goed gaat.” Ze ziet meer in praktische oplossingen zoals versterking van het management en het betrekken van de ouders bij de school. “In de nieuwe Wet op het onderwijstoezicht wordt ervan uitgegaan dat er, naast de inspectie, allerlei andere partijen zijn die oog houden op de kwaliteit, zoals de ouders. Bij de vrije scholen, die vaak in het rijtje zwakke scholen voorkomen, zijn in sommige gevallen ouders eisen gaan stellen. Tegelijkertijd ben ik er niet tegen dat een school gesloten wordt, als een bestuur niet mee wil werken, de ouders niet betrokken zijn en er geen uitzicht is op verbetering. Dan moet dat kunnen. Juist de zwakke leerlingen worden anders de dupe.”

Rechtsbescherming
Scholen die het predicaat (zeer) zwak krijgen, moeten eigenlijk ook een vorm van rechtsbescherming hebben, vindt Laemers. “Zo’n school krijgt natuurlijk een heel circus over zich heen, omdat tegenwoordig berichten over zwakke scholen ook in de krant staan. Meestal gaat dat wel op een toon van ‘we zetten de schouders er onder’ maar het is natuurlijk wel een stempel en je kunt je nauwelijks verweren als je het er niet mee eens bent. De Onderwijsraad heeft wel eens voorgesteld de toekenning van het predicaat zeer zwakke school te zien als een besluit waartegen de gewone bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Met name kleine scholen in het noorden van het land kunnen benadeeld worden door het huidige beoordelingssysteem van de inspectie.”
De Tweede Kamer wil de behandeling van het wetsvoorstel voor de zomer van dit jaar afronden. De vrijheid van onderwijs, artikel 23 in de grondwet, is een heilige koe in Nederland. Die mag volgens onderwijsjurist Miek Laemers echter niet misbruikt worden om goede ontwikkelingen tegen te houden. “Ik ben benieuwd wat er van deze wet gerealiseerd wordt, we zullen het zien.”

{noot}
*Het wetsvoorstel ‘Wijziging onderwijswetten in verband met invoering bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten, aanvulling interventiemogelijkheden en verbetering intern toezicht’ (nr. 31828) is te raadplegen op de website van de Tweede Kamer.

{Kader}
Mr.dr. M.T.A.B. Laemers

Senior onderzoeker aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit Nijmegen
Bestuurslid Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht
Medewerker Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid (NTOR)
Bestuurslid Stichting Bijzondere Leerstoelen Onderwijsrecht (SBLO)

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.