• blad nr 4
  • 28-2-2009
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

Hoe rijk zijn de expertisecentra? 

Geld ambulante begeleiding naar reserve

Expertisecentra in het speciaal onderwijs hebben in 2006 en 2007 grote bedragen overgehouden omdat zij wel subsidie kregen voor de snel groeiende aantallen leerlingen met ambulante begeleiding, maar te weinig personeel in dienst hadden om de noodzakelijke hulp echt te bieden. Bij acht van de tien instellingen is de relatieve welvaart hoger dan de ‘signaleringsgrenzen’ van het ministerie van Onderwijs. Besturen verantwoorden hun hoge eigen vermogen slecht of niet en beschouwen hun rijkdom simpelweg als een goed teken.

Crisisopvang, hulp voor jonge moeders thuis, scholen voor gedrags- en psychiatrische problemen. Altra is met ruim 600 personeelsleden en een jaarlijkse omzet van ruim 44 miljoen een grote jongen in de jeugdzorg en het speciaal onderwijs in Amsterdam en omstreken. Maar op de ranglijst van opleidingen bungelen ze bijna onderaan als het gaat om hun financiële positie.
De solvabiliteit en het weerstandsvermogen – twee begrippen die de relatieve rijkdom aangeven (zie kader) – liggen erg laag in verhouding tot de meeste schoolbesturen in deze sector. Zo is de solvabiliteit bij Altra 18 procent voor de hele instelling en 28 procent voor het onderwijsdeel, terwijl acht van de tien instellingen 45 procent of nog veel meer noteren. Voelt Altra zich arm?
“Arm?” Controller J. Leene van Altra begint te lachen: “Nee, arm zijn wij zeker niet. Al jaren proberen wij de solvabiliteit of het weerstandsvermogen op dit niveau te houden en hebben de ervaring dat dat voldoende is. Wij hebben geen enkele zorg voor de toekomst, met de lopende inkomsten is dit vermogen genoeg om al onze activiteiten te continueren en de risico’s af te dekken. Ons soort organisaties, werkzaam in zorg en onderwijs, heeft hier naar onze mening voldoende aan.”
Altra is daarmee een witte raaf binnen de groep van 93 onderwijsinstellingen die onder de Wet expertisecentra vallen. Want samen hadden deze instellingen in 2007 een eigen vermogen van 259 miljoen euro, 6 procent meer dan het jaar daarvoor. Aan direct beschikbare tegoeden hebben ze samen ook geen gebrek: er staat in dat jaar 239 miljoen op de bank. Acht van de tien instellingen hebben een solvabiliteit die hoger ligt dan de signaleringsgrens van 45 procent die het ministerie van Onderwijs in 2005 heeft vastgesteld. Gemiddeld ligt die maat voor de welstand op 56 procent, maar de helft zit daar fors boven. Ook wanneer we kijken naar het weerstandsvermogen, een maat die populair begint te worden bij onderwijsinstellingen, zit de helft boven de grenzen die zij zelf in hun jaarverslagen noemen. Kortom: de wec-instellingen zijn gemiddeld genomen zeer welvarend.

Complex
Het is voor het eerst dat het Onderwijsblad de financiële situatie van deze kleine en diverse groep van 93 instellingen kan bekijken. Lastig, omdat het instellingen met een totaal verschillend karakter betreft. Zmok-scholen voor moeilijk opvoedbare kinderen, al dan niet met mogelijkheden voor ambulante begeleiding. Instellingen voor dove kinderen of mytyl/tyltyl-scholen voor gehandicapte leerlingen. Een aantal combineert dat met jeugdzorgactiviteiten of diensten voor volwassenen. Vanwege die complexiteit heeft het Onderwijsblad niet alleen de cijfers over 2006 en 2007 van de dienst Cfi van het ministerie van Onderwijs bekeken, maar ook jaarverslagen opgevraagd bij alle 93 instellingen.
Negentien voldeden aan dat verzoek, waardoor een veel scherper beeld is te schetsen van de situatie van de wec-instellingen. Hoewel, scherper… Het opvallendste is eigenlijk dat vrijwel geen enkele instelling op basis van een risicoprofiel de hoogte van de solvabiliteit, het weerstandsvermogen of het eigen vermogen bepaalt. De enige die daar in de buurt komt is RENN4 in Groningen.
Als het gaat om de hoogte van het weerstandsvermogen bestaat er in de jaarverslagen grote eenstemmigheid. Dat zou tussen de 10 en 20 procent moeten zijn, schrijven de besturen zelf in de jaarrekening. Een enkeling kent een eigen norm, zoals de Auris Groep in Gouda die 7 procent genoeg vindt.
Maar daar houdt de eenstemmigheid op: bij de solvabiliteit is de norm zoek. Sommige vinden 25 of 33 procent genoeg, een meerderheid houdt het op 50 procent. Meestal zonder die keuze te verklaren. Of zonder enige verantwoording af te leggen wanneer de solvabiliteit nog eens hoger uitpakt dan die 50 procent.
Zo concludeert de Stichting CSOVSO Noordoostpolder, die met een solvabiliteit van 74 procent ruim boven de 50 zit, simpelweg dat de vermogenspositie goed is. Interessant is ook Stichting De Wijnberg in Venlo die in een beschouwing schrijft dat hoge en groeiende reserves duiden op spaargedrag. Iets wat geheel en al opgaat voor de eigen organisatie die een forse stijging van solvabiliteit en weerstandsvermogen laat zien, ver boven de eigen normen. Conclusie in het bestuursverslag: ‘de situatie is gezond’, in plaats van in te gaan op het spaarelement.
Er zijn een paar uitzonderingen: de Stichting Kompaan in Leeuwarden geeft expliciet aan dat een grote buffer nodig is om de personele gevolgen van de verwachte leerlingdaling op te vangen. Gelukkig is er ook een aantal besturen die doorhebben dat de reserves echt te hoog oplopen. Stichting Het Maatman in Enschede en de Auris Groep in Gouda kondigen aan dat zij de reserves niet verder laten oplopen maar gaan investeren.

Hoge nood
Opvallend is dat zowel in 2006 als in 2007 instellingen op hun lopende begroting enorm veel geld hebben overgehouden. Voor de wec-instellingen samen ging het in beide jaren om 38 miljoen euro ‘winst’. Daarmee haalden zij ten opzichte van de omzet een recordrentabiliteit van 4,3 procent. In het basisonderwijs ligt die op 1,7 procent, terwijl de andere sectoren rond de 2 procent schommelen. Als grens hanteert het ministerie plus of min 3.
De wec-instellingen boerden dus bijzonder goed. Geen wonder dat de vermogens toenamen. Onder de wec-instellingen loopt de winstmarge zelfs op tot 22,7 procent, wat betekent dat bijna een kwart van de inkomsten niet werd uitgegeven.
In een flink aantal gevallen is het exploitatieoverschot in 2007 gestegen omdat er een snelle groei was van het aantal leerlingen die voor ambulante begeleiding in aanmerking kwamen. De subsidie kwam wel, maar zo snel was er geen personeel voorhanden, zo blijkt uit de jaarverslagen van RENN4 (Groningen), Auris (Gouda), Lyndensteyn (Beetsterzwaag) en Aloysius (Voorhout). De subsidies die werden ontvangen voor leerlingen met recht op ambulante begeleiding maar niet werden uitgegeven, verschoven naar de reserves.
Zo hield Orthopedagogisch Centrum de Ambelt in Zwolle in 2007 drie miljoen euro over, in plaats van het begrote tekort van ruim een ton. In het verslag van het college van bestuur wordt expliciet naar de explosieve groei van de ambulante begeleiding verwezen. ‘De vergoeding is gestegen terwijl er niet voldoende AB-begeleiders konden worden geworven door een landelijk tekort aan deze mensen.’
Wil dat zeggen dat scholen daardoor geen begeleiding kregen, terwijl er wel geld voor was? “Het aantal aanvragen overtrof onze capaciteit maar we hebben er op alle scholen wel voor gezorgd dat er enige begeleiding was”, licht bestuursvoorzitter F.J. Prins toe. “Vooral daar waar de nood hoog was. Bovendien probeerden we al in het voortraject – dus nog zonder handelingsplan - scholen al bij te staan. Scholen hebben ons in die periode ook wel verweten dat wij onze verplichtingen niet ten volle nakwamen. Inmiddels zijn onze inspanningen enorm uitgebreid en is het contact met de scholen waar wij ambulante begeleiding verzorgen stukken beter.” Hoewel het aantal leerlingen dat voor ambulante begeleiding in aanmerking komt nog steeds toeneemt, is de Ambelt er nu in geslaagd om de werving bij te benen. De stichting, die een zeer stevige vermogenspositie heeft met een solvabiliteit van 70 procent en een weerstandsvermogen van 30 procent, laat nu een sluitende begroting zien. Prins: “De komende jaren zal ons vermogen dan ook een daling te zien geven.”
Het jaarverslag van RENN4 in Groningen laat hetzelfde beeld zien. Over 2004 is een winst gemaakt van 2,4 miljoen, die volgens het stuk vooral wordt veroorzaakt ‘door de personele onderbezetting bij ambulante begeleiding’. Het geld is bij de algemene reserve terechtgekomen. “De groei van de ambulante begeleiding was in die jaren moeilijk te prognosticeren en de werving van nieuw en kwalitatief goed personeel liep achter de feiten aan”, zegt algemeen directeur Leendert ten Boom. “De situatie is nu sterk verbeterd. Geld dat voor ambulante begeleiding is bestemd, gaat ook naar ambulante begeleiding. De problemen uit 2007 hebben we in 2008 niet meer gezien en zullen ook in 2009 niet meer voorkomen.”

[Kader 1]

Solvabiliteit, rentabiliteit en weerstandsvermogen

Om de financiële positie van schoolbesturen weer te geven worden verscheidene normen gehanteerd.

Solvabiliteit: de verhouding tussen het eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen. Het ministerie hanteert signaleringsgrenzen. Als een schoolbestuur een solvabiliteit tussen de 10 en 45 procent heeft, beschouwt men de situatie als gezond. Het gemiddelde ligt bij de wec-instellingen op 56 procent, acht van de tien zitten boven de norm.

Weerstandsvermogen: het eigen vermogen, gedeeld door de totale inkomsten per jaar. Deze maat is geïntroduceerd bij het voortgezet onderwijs. Als norm werd gesteld dat een school moet uitkomen tussen de 10 en 40 procent. De wec-instellingen schrijven zelf in hun jaarverslagen dat zij voor het primair onderwijs uitgaan van 10 tot 20 procent. Tweederde zit boven die norm, een kleinere groep zit boven de 40 procent.

Rentabiliteit: het overschot of tekort op de begroting, gedeeld door de totale inkomsten. Het ministerie vindt dat dit tussen de -3 en plus 3 procent moet liggen. Eigenlijk dus het winst- of verliespercentage per jaar. Bij de wec-instellingen ligt de rentabiliteit gemiddeld op 4,3 procent, het hoogst van alle onderwijssectoren en een duidelijk signaal van spaargedrag.

[Kader 2]

De tien rijkste wec-instellingen in 2007

bestuur plaats Sol Wv R

Dr. A. Verschoor School NUNSPEET 82% 41% 7,3%
Herman Broeren Stichting DELFT 76% 57% 15,6%
Ver. v. CSO APELDOORN 76% 57% 5,4%
Chr. SO Fryslân DRACHTEN 76% 34% 9%
Buitenhof ZMOK HEERLEN 75% 62% 7,3%
Prof. dr. Leo Kanner OEGSTGEEST 75% 50% 10,1%
Ond. slechth. en spraakgebr. ETTEN-LEUR 74% 55% -2,1%
Martinus St. v. RK BUO ROTTERDAM 74% 45% 1%
Het Poortje GRONINGEN 74% 44% 10,6%
Chr. Spec. en VO EMMELOORD 74% 37% 3,6%

Landelijk gemiddelde 56% 27% 4,3%

(bron: Cfi, ministerie OCW)

Sol=solvabiliteit
Wv=weerstandsvermogen
R=rentabiliteit

[kader 3]

Kerncijfers wec-instellingen

Eigen vermogen 2006 € 244 miljoen
Eigen vermogen 2007 € 259 miljoen
Vermogensgroei 6,1%

Exploitatieresultaat (winst) 2006 € 38 miljoen
Exploitatieresultaat (winst) 2007 € 38 miljoen

Liquide middelen (banksaldo) 2006 € 205 miljoen
Liquide middelen (banksaldo) 2007 € 239 miljoen

(bron: Cfi, ministerie OCW)

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.