• blad nr 4
  • 28-2-2009
  • auteur E. Helder 
  • Column

 

Hard tegen hard

Maandagochtend 8.00 uur. Met een kop thee in mijn hand wandel ik rustig naar mijn lokaal. Even wakker worden. Hier en daar begroet ik wat leerlingen en collega’s op de gang. Meer moeten ze even niet van mij verwachten. In de verte zie ik mijn derde klas voor mijn lokaal staan. Nou ja, staan? Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik ze zie stuiteren. Niks gapende, slapende jongeren op de maandagmorgen. Er is iets aan de hand, dat is duidelijk. Ik moet aan de bak.
Geen leerlingen die mij begroeten met opgewekte opmerkingen als ‘goedemorgen, mevrouw’ of ‘fijn weekend gehad?’, maar: “Mevrouw, kunt u vechten?” Deze vraag wordt mij niet dagelijks gesteld. Mijn zintuigen worden met deze opmerking voldoende geprikkeld om wakker te worden. Ik blijf staan en denk na. Een vijftal jongens blijft mij verwachtingsvol aankijken. “Is dat nodig dan”, vraag ik wat beduusd.
Ik laat de klas binnen. Nick, Sem, Wouter, Finn en David staan meteen weer met veel bravoure rondom mijn bureau. Afgelopen zaterdagmiddag hebben deze jongens ruzie gehad met een stel hangjongeren in het winkelcentrum. “Ze scholden ons flink uit en dreigden het eerste uur bij ons op school te komen om ons in elkaar te slaan”, zegt Sem opgewonden. “Ons en de rest van de school”, doet Finn er nog een schepje bovenop. “Maar wij hebben niks gedaan, hoor. We hebben ons omgedraaid en gedaan alsof we ze niet hoorden”, zegt Wouter trots en vol onschuld. Sem voert liever de spanning een beetje op en zegt stoer: “Laat ze maar komen. We maken ze af!”
Ze zijn helemaal klaar voor een flinke vechtpartij. School is niet langer saai. Vandaag gaat het gebeuren. Ze hebben een selectie van zo’n twintig stoere, mannelijke leerlingen op de hoogte gesteld, waaronder Walter uit de vierde. Die is grofgebouwd, heeft een grote bek en is aanvoerder van het voetbalteam. Tegen hem kan niemand op.
Het klinkt allemaal heel serieus, maar of ik het ook serieus moet nemen is een tweede. Toch blijf ik alert. Je weet maar nooit. Vanuit mijn klaslokaal moet ik ze aan kunnen zien komen, gaat er nog door mij heen. Ik word toch wel wat onrustig van die wilde verhalen. Ik zie de kop ‘Leerlingen aangevallen tijdens les Nederlands’ al op de voorpagina staan van de landelijke kranten. Met als ondertitel ‘Docent negeerde signalen leerlingen’. Ik krijg het er warm van. Dus zeg ik: “Jongens, als jullie het niet vertrouwen, moeten jullie dit gaan melden bij de directeur.”
De meiden zitten al lang en breed op hun plek. Als dat ook met de jongens het geval is, begin ik eerst maar eens met de les. Orde en structuur, dat is wat ze nu nodig hebben. Halverwege de les fietst er een groep luidruchtige jongeren langs de school. Daar zal je ze hebben, denk ik. Het wordt onrustig in de klas. De jongens kijken naar elkaar, naar mij, naar buiten. Ze lachen en zwaaien naar de voorbijgangers. Vals alarm. Voor niks zweet op mijn neus. Wouter ziet mijn verhitte blik. “Mevrouw, wij beschermen u wel, hoor.” Pfff… bof ik even. Ik ben enorm gerustgesteld.
De bel gaat. “Ze zullen wel niet komen”, zegt Sem teleurgesteld. Niet langer verkeren de jongens in verhoogde staat van paraatheid. De rust keert terug. Het werd weer gewoon maandag. Een dag vol gapende en slapende jongeren en een alerte docent.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.