• blad nr 4
  • 28-2-2009
  • auteur F. Bakkeren 
  • Redactioneel

Marktwerking blijft voor problemen zorgen bij educatie 

Met de rug tegen de muur

Het nieuwe inburgeringsonderwijs vergt meer voorbereiding, begeleiding en administratie, maar daar is op de werkvloer juist minder tijd voor. Docenten Nederlands als tweede taal bij roc’s voelen zich met de rug tegen de muur staan. “Je komt er gewoon echt niet met vijftien minuten voorbereiding.”

Het meest geschrokken toonde Eberhard van der Laan zich tijdens zijn wittebroodsweken als minister van Integratie van de inburgering - of eigenlijk van het gebrek daaraan. De resultaten van de kabinetsambitie om zestigduizend cursisten per jaar aan een inburgeringstraject te laten beginnen, zijn bleek. Ook al trekt de cursisteninstroom bij de roc’s weer aan, de realiteit blijft achter bij de verwachtingen.
Met de invoering van marktwerking in de inburgering verloren roc’s opdrachten aan concurrerende cursusaanbieders. Daarna bleek ook nog eens dat bureaucratie en uitvoeringsproblemen de werving en instroom van cursisten sterk belemmerden.
In een flink aantal gevallen hebben roc’s en andere opleidingsinstituten de broekriem moeten aanhalen. Misgelopen inkomsten en sombere prognoses hebben geleid tot bezuinigingen, banenverlies en ontslagen. Persoonlijke drama’s voor veel docenten Nederlands als tweede taal (NT2) die noodgedwongen vertrokken naar een andere afdeling of het roc moesten verlaten.
Ook voor de collega’s die achterbleven, werd het er niet veel beter op. Roc’s zien zich gedwongen de kostprijs te drukken, in de hoop bij gemeenten meer contracten in de wacht te slepen. Op de werkvloer betekent dat meer lesuren en minder tijd voor voorbereiding. NT2-docenten slaan alarm, want de kwaliteit van inburgering staat onder druk.

Tijdelijke krachten
Ook in de bve-enquête, die het Onderwijsblad afgelopen najaar organiseerde, wezen velen verontwaardigd op wat er bij de inburgering aan de hand is:
‘Het enige doel is inmiddels zo snel mogelijk en voor zo weinig mogelijk geld cursisten het inburgeringsexamen te laten halen. Voor echte kennis van de taal is geen geld meer.’
Of:‘Het roc heeft veel te goedkoop geoffreerd, waardoor we met een minimum aan middelen een heel nieuw onderwijsprogramma moeten uitvoeren.’
En:‘Het idee dat concurrentie tot lagere kosten en betere kwaliteit leidt, is een farce.’
Herkenbare geluiden voor AOb-bestuurder Gerrit Stemerding. “Het gaat niet meer over mensen, maar over het zo goedkoop maken van eenheden product. Roc’s bedienen zich steeds meer van tijdelijke krachten. Arbeidsvoorwaarden worden uitgehold. En dat komt weer omdat roc’s moeten concurreren met commerciële bedrijven die goedkoper zijn omdat ze slechtere arbeidsvoorwaarden hanteren.”
In mei verwacht Stemerding de uitkomsten van een FNV-onderzoek naar de arbeidsvoorwaardelijke effecten van de marktwerking. Onder de loep liggen sectoren als de zorg, waar het kabinet vorig jaar voorzichtig ingreep, maar nadrukkelijk ook de inburgering.
Wat zich bij de inburgering voltrekt, lijkt veel op wat er in de zorg is gebeurd, aldus Stemerding. “Het verschil is alleen dat de zorg voor veel mensen dichterbij staat dan inburgering. Maar de arbeidsvoorwaarden en kwaliteit staan net zo onder druk.”
En dat terwijl het kabinet die kwaliteit juist wilde verbeteren. De Tweede Kamer moet er inmiddels weet van hebben dat het de verkeerde kant opgaat. Ook de Beroepsvereniging van docenten NT2 heeft er vorig jaar herhaaldelijk aangeklopt met bezoeken, brieven en een plan met veertien adviezen. In alles klinkt door: zorg dat de kwaliteit gewaarborgd kan worden.
Een van de problemen is dat gemeenten in hun contracten nagenoeg alle risico’s bij de taalaanbieders parkeren. Opleidingsinstituten krijgen vaak pas betaald als de cursist het examen heeft gehaald, wat niet erg aanmoedigt tijd te steken in lastige doelgroepen. Daarnaast stellen gemeenten soms onrealistische eisen voor de termijn waarbinnen bijvoorbeeld analfabeten een bepaald niveau moeten bereiken.
De Beroepsvereniging van NT2-docenten wilde in Den Haag ook met voorbeelden aankomen van gemeenten waar het wel goed gaat. Dat bleek lastig. “Ze zijn er wel”, zegt Merel Borgesius, die betrokken is bij de vereniging, “maar er zijn er niet veel.”

Saskia Glazenburg (51), NT2-docent roc Drenthe College

“Ongeveer de helft van de docenten is overgestapt naar het mbo of vertrokken. Dat zorgde voor een enorme leegloop bij educatie en dat heeft zijn weerslag op de werkvloer. Nu zie je een nieuwe ontwikkeling. Een groot commercieel bedrijf heeft zijn beloften niet waar kunnen maken en is over de kop gegaan. En nu komt de gemeente gelukkig weer met hangende pootjes bij ons terug. Dus we zijn weer wat positiever aan het worden, want we zijn toch weer meer nodig.
Collega-docenten hadden de keuze om vrijwillig over te stappen naar het mbo of te vertrekken, anders liepen ze het risico dat ze gedwongen ontslagen zouden worden. Ik heb dat risico maar genomen. Nu hoor ik soms collega’s zeggen: Ik wou dat ik terug kon naar educatie. Dan krijgen ze als antwoord: Daar heeft onze organisatie niet voor gekozen. Het steekt me dat medewerkers zich in alle mogelijke bochten moeten wringen, maar dat de organisatie weinig flexibel lijkt.
Mijn roc heeft gekozen voor een flexibele schil, dat wil zeggen werken met tijdelijke krachten. Dat betekent dat er veel mensen in en uit vliegen. Collega’s met een vaste aanstelling werken nu op veel meer locaties. Dat draagt allemaal bij aan de onrust op de werkvloer.
De mensen die bij educatie zijn overgebleven, zijn voor een deel echt verknocht aan dit werk. Dat geldt voor mij ook. Wel denk ik dat we aan de bel moeten trekken. Juist als dingen top-down worden ingevoerd, moet je als docent durven aangeven waar de grenzen liggen. Gemeenten hebben als opdrachtgever heel veel te vertellen, zij stellen de eisen. Managers willen begrijpelijkerwijs graag opdrachten binnenhalen en zijn geneigd naar gemeenten te luisteren. Maar ik denk: de docenten weten wat wel en wat niet werkt. En sommige dingen gaan gewoon niet.
Een aantal collega’s denkt er net zo over. Maar er zijn ook collega’s en vooral managers die vinden dat we blij mogen zijn dat we werk hebben. Dan denk ik: Hallo, we moeten wel kwaliteit blijven bieden.
Een van de maatregelen die ons roc heeft genomen is docenten meer les laten geven. Ik moet vier uur meer les geven dan voorheen. We krijgen er geen extra tijd voor, we moeten die uren uit de voorbereiding halen. Die maatregel is zonder overleg ingevoerd. Eigenlijk hebben we juist meer voorbereidingstijd nodig.
De nieuwe Wet inburgering geeft veel meer administratieve rompslomp. Deelnemers moeten bijvoorbeeld bewijzen verzamelen van dingen die ze moeten kunnen. Die bewijzen moeten allemaal gecontroleerd worden. Daarnaast moet er elke twee maanden een voortgangsgesprek plaatsvinden en een voortgangsrapportage worden gemaakt. Dat kost veel meer tijd dan voorheen. Terwijl je minder voorbereidingsuren hebt, heb je ze veel harder nodig. Het roc zegt: Dit is de enige manier om het hoofd boven water te houden. Dan kun je verder weinig meer, je staat met de rug tegen de muur.
Naast de onrust die er al is, zijn ze bij ons ook nog eens twee nieuwe registratiesystemen aan het invoeren. Alle veranderingen komen tegelijk, het is soms gewoon te veel. Overigens zijn mijn grieven wel aangehoord en is er begrip getoond door mijn leidinggevenden. Ook zij moeten roeien met de riemen die ze hebben.
Marktwerking is in deze vorm misschien gewoon niet geschikt voor het onderwijs, net zo min als ze geschikt is voor de gezondheidszorg. Je bent niet met producten bezig, maar met mensen. Maar er zit ook een positieve kant aan. Concurrentie dwingt je om creatief te zijn en je te onderscheiden. Maar het is wel heel zuur als educatieafdelingen van roc’s leeglopen omdat ze aanbestedingen mislopen.
Ik wil dit werk heel graag blijven doen. Wat is er mooier dan mensen uit de hele wereld in je klaslokaal hebben en die te kunnen helpen functioneren in de samenleving? Mensen uit landen die met elkaar in oorlog zijn, zitten in mijn klas naast elkaar en maken samen lol. Soms kijk ik mijn lokaal rond en denk ik: Wat is dit toch fantastisch!”

Maaike Baert (51), docent educatie bij roc Noorderpoort

“Dit schooljaar begon voor ons chaotisch. Dat kwam door veranderingen in het personeelsbestand, onduidelijke contracten en door tijdsdruk. Die onrust duurt voort tot op de dag van vandaag.
De marktwerking eist zijn tol. Er wordt vanwege de commercie flexibiliteit geëist van iedereen, maar volgens mij is een school niet geschikt voor die commercie. Is het eigenlijk wel goed voor onze klanten, de cursisten?
Er worden aanbestedingen gedaan en gelukkig ook contracten binnengehaald. Voor dat werk moeten weer docenten ingezet worden. Dat er werk binnenkomt valt natuurlijk te prijzen, maar de docenten zitten al tot over hun oren in de uitvoering. We draaien meer uren en iedereen doet braaf mee. Maar onze tijd om de uitvoering voor te bereiden is gekrompen, terwijl we die juist harder nodig hebben. Denk aan de diversiteit aan groepen en alle rompslomp eromheen, je komt er gewoon echt niet met vijftien minuten voorbereiding. We rennen van hot naar her, hoe efficiënt is dat?
De inburgeringsgroepen vergen veel tijd. Cursisten stromen op elk moment in en uit. Er zijn een- en tweejarige contracten, de cursisten worden door tig mensen begeleid, ze komen binnen via verschillende integratiebedrijven. De docent werkt zich door een brij van lesgeven, portfoliobegeleiding, examentraining en contactpersonen heen, en dan op naar de volgende klus. De docent wordt gezien als spin in het web, maar ik heb weinig tijd om een goed web te weven.
Er wordt erg veel uitgegaan van de cursist die zelf verantwoordelijkheid voor zijn cursustraject zal nemen. Als iemand dat kan, is hij of zij al ingeburgerd, zou ik denken. Er wordt uitgegaan van cursisten die zelfstandig kunnen leren, maar dat wordt erg overschat. De cursist heeft vooral goede lessen nodig. Begeleiding en coaching is iets anders, want dat veronderstelt dat de cursist zelfstandig is.
Van het management horen we dat ze ook niet ver vooruit kunnen kijken. Dat is jammer, want dat gaat op den duur ten koste van de kwaliteit van het onderwijs, en van de docenten. Waar is de visie, de planning op langere termijn? Die missen we in het werkveld.
Er mag van mij wel eens gekeken worden naar wat die marktwerking nou oplevert. Volgens mij kost het uiteindelijk meer geld en zijn de cursisten niet beter af. Iedereen zet zijn beste beentje voor, meer dan dat. Ik houd ondanks alles nog steeds van mijn werk, maar de collega’s om mij heen zijn doodop en voelen zich pionnen op een schaakbord. Wat wordt de volgende zet, en waarheen? Ik zie de toekomst voor educatie somber in.”



Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.