- blad nr 1
- 17-1-2009
- auteur R. Wisman
- Mijn leerling & ik
Roald & Nelly
Juf Nelly Damave herinnert zich nog goed hoe Roald twee jaar geleden bij haar in de groep zat. “Het was een onbeholpen ventje. Stilletjes, afwachtend. Hij maakte moeilijk contact met de andere kinderen. Een hele grote peuter eigenlijk.”
“Hij sprak een soort brabbeltaal die ik niet verstond en waar ik ook niets van kon maken. In plaats van woorden te articuleren, kraamde hij klanken uit.” ‘Aao’ was auto. ‘Iwiousjoesijjuh’ betekende ‘Ik wil op mijn stoel zitten’.
Op zijn tweede kreeg hij buisjes in zijn oren. Door vocht achter zijn trommelvliezen hoorde hij niet optimaal, vertelt Gerda Vegt, de moeder van Roald. Over zijn spraak zegt ze: “Ik begreep mijn kind, maar ik verstond hem niet.”
Het Audiologisch Centrum van de Vrije Universiteit Amsterdam adviseerde Roald naar een speciale school te sturen vanwege zijn ‘zeer zwakke communicatieve redzaamheid’. De ouders wilden graag dat hij naar de Bikube ging. Een reguliere basisschool waar hun oudste dochter ook ging. Damave, een ‘ouderwetse kleuterjuf’ met 34 jaar onderwijservaring, zag meteen dat het niet vanzelf goed ging met Roald in groep 1.
Met een paar andere taalzwakke leerlingen uit groep 1 startte ze een ‘voorleesmoment’. Samen met de kinderen las ze bijvoorbeeld Jip & Janneke. Aan de hand van de verhaaltjes mochten de leerlingen vertellen. Wat gebeurt er? Waarom is Jip’s moeder boos? Ook gebruikte ze de Piramide-vertelplaten. “Roald zat er eerst een beetje statisch bij. Passief. Deed nauwelijks mee. Ik moest hem er steeds bij betrekken.”
Bevestiging
Als Roald zijn mond opendeed, beloonde Damave dat. “Praten ging moeizaam, maar hij durfde het steeds beter. Daarin gaf ik hem continu bevestiging, waardoor hij merkte dat hij er mocht zijn. Dat hij mocht praten, of dat nou goed klonk of niet. Die zekerheid was belangrijk voor hem.”
Gaandeweg zag ze Roald meer lol krijgen met de taal. “Bij de vertelplaat met het thema herfst werd hij echt enthousiast. Ik zie nog levendig voor me hoe hij de blaadjes in de lucht na ging doen.” Na driekwart jaar constateerde ze een opwaartse lijn.
Ondertussen had Damave de procedure in gang gezet die Roald recht gaf op extra begeleiding: een ‘rugzak cluster 2’ voor kinderen met spraak- en taalproblemen.
Ze maakte een uitgebreid rapport op, liet de schoolbegeleidingsdienst onderzoek doen en besprak de procedure en de uitkomst daarvan met Roald en zijn ouders. Het was een heel gedoe. “Voordat het loopt, ben je een jaar verder.”
In groep 2 kreeg Damave dankzij haar inspanningen een ambulante begeleider in de klas. “Het eerste dat haar opviel was het korte tongriempje van Roald”, vertelt zijn
moeder. “Toen hij daaraan geopereerd was, ging het praten direct beter. Sommige klanken kon hij fysiek gezien amper maken.”
De ambulant begeleider gaf juf Nelly de mogelijkheid om elke dag tien minuten tot een half uur met Roald apart te gaan zitten. Voor extra spraaktraining. Ze liet hem ‘verhaalkaarten’ in de juiste volgorde leggen bijvoorbeeld, waarbij Roald vertelde wat het verhaal was. “Ik had echt de tijd voor hem. Vanaf dat moment is het heel snel gegaan”, herinnert ze zich.
Peutergedrag
“In plaats van een stil, nietszeggend ventje bloeide hij op tot een jongen die zich zeker genoeg voelde om zich te laten gelden. Zijn mond open te doen.”
Het was ontroerend. “Dat hij gewoon durfde, weet je!”
“Roald keek uit naar onze momentjes samen. Als hij de ambulant begeleider aan zag komen, pakte hij de spelletjes en snelde naar me toe. Dan was hij aan de beurt, wist hij. Dan gingen we even zitten om ons dingetje te doen.”
Met zijn ouders evalueerde Damave regelmatig de vorderingen. “Ze wilden er alles aan doen om Roald op de rails te krijgen en waren erg blij met de extra begeleiding.” De juf drukte hun op het hart nooit negatief op zijn spraak te reageren. “Het zekere gevoel dat hij langzaam verwierf, kon nog makkelijk teniet worden gedaan.”
Voor de juf is een kind met een rugzak een duidelijke taakverzwaring. “Je bent intensief met zo’n kind bezig, terwijl je een klas vol kinderen hebt. Maar ik doe het graag. De kinderen zijn mijn passie. Ieder kind is anders. In een kleuterklas heb je ruimte om daar wat mee te doen.”
“Sommige kinderen waren wel een beetje jaloers op Roald. Die wilden ook. Ach, dan nam ik er soms gewoon een paar mee”, lacht Damave.
Aan het eind van groep 2 ging hij mee naar groep 3. Maar daar bleek Roald qua werktempo en –houding toch nog teveel peutergedrag te vertonen. Daarom doet hij groep 3 nu voor de tweede keer. Zijn huidige juf Anneke gaat nog altijd een paar keer per week apart met hem zitten. “Ik informeer altijd even hoe het met hem gaat. Ik blijf natuurlijk nieuwsgierig naar zijn ontwikkeling.”
“Als ik hem tegenkom in de gang roept hij me nog altijd na: Juf Nelly, juf Nelly! Als ik met hem spreek, hoor ik een kind dat goed praat. Ik hoop dat dat zo blijft.”
Moeder Vegt: “Ik heb juf Nelly ervaren als een lieve vrouw, een ouderwetse kleuterjuf die écht voor haar vak staat. Door alle inspanningen van juf Nelly en de school gaat Roald er nog steeds met plezier naartoe.”