- blad nr 21
- 29-11-2008
- auteur . Lachesis
- Column
Eiland
Verongelijkt loopt Marlon weer naar zijn plaats. Nou ja zeg, ondankbaar wicht! Laat mij haar maar helpen, zeg ik tegen hem. Marlon knikt bozig. O ja, hij gaat daar heus niet meer heen, daar hoef ik niet bang voor te zijn. Even later zie ik vanuit mijn ooghoek Marjet naar Marlon wenken. Op zijn tenen sluipt Marlon achter mijn rug naar haar toe. Wat is er? Help me toch maar. Ja zeg en net zei je nog… Nou, dan doe je het niet! Ach, vooruit dan maar. Nee, het hoeft al niet meer. Zolang het allemaal nog vanuit een ooghoek valt waar te nemen is mijn rol nog wel te overzien. Lastiger wordt het als een van de twee meent dat mijn onmiddellijke interventie gewenst is. Juf, ik word helemaal gek van Marjet. Ik word gek van jou, zal je bedoelen. Nee, ik word gek van jou. Nee, ik van jou! Als jullie nou eens beginnen met niet zo op elkaar te letten, probeer ik. Marlon en Marjet kijken me onthutst aan. Niet op elkaar letten? Dat is onmogelijk, echt onmogelijk! De ander begint immers steeds.
Op een dag zitten ze allebei met de armen stijf over elkaar geklemd, een verbeten trek om hun lippen. Is er iets, vraag ik. Geen antwoord. Is er iets, vraag ik aan de leerlingen die in hun buurt zitten. Die schudden het hoofd. Ze weten het niet. Ze willen het eerlijk gezegd ook niet weten. Is er iets, vraag ik aan de hele klas. Er wordt gegrinnikt. Is er wel eens niet iets? Tien minuten later zitten ze er tot mijn verbazing nog net zo bij. Het zijn net standbeelden. Standbeelden van woede, nijd en chagrijn. Het wordt me te gortig. Dan moeten jullie het rekenwerk maar na schooltijd afmaken, besluit ik. Ga maar vast even naar huis bellen om te vertellen dat het later wordt. De standbeelden komen tot leven. Ze pakken hun pen. Even later zie ik ze aandachtig samen in het rekenboek turen. Kijk als je nu eerst de duizendtallen neemt. O ja, ik zie het! En daarna de honderdtallen. Wacht dan schrijf ik het vast op. Wat was er nou net met jullie, vraag ik nieuwsgierig. Afwezig kijken ze me aan. Was er wat? Wanneer? Met wie? Als het rekenwerk wordt opgeruimd, blijft er een uitrekenblaadje achter. Een blaadje waar ze allebei op gerekend hebben. Ruim jij het maar op. Nee, doe jij dat maar. Nee jij. Nee jij! Minutenlang wordt het blaadje van de ene naar de andere tafel geschoven. Woordeloos. Hun wangen kleuren rood van drift. Ze stoppen pas als ik het papier weggris.