• blad nr 17
  • 4-10-2008
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

Universiteiten moeten niveau leraren opkrikken 

Een grotere kweekvijver, nu de vissen nog

Een nieuwe leerroute op de universiteit. Het is één van de middelen tegen het dreigende tekort aan docenten. De Kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren moet de oplossing bieden voor de klachtenstroom over het niveau. De AOb is erg teleurgesteld over het plan. “Op cruciale punten grijpt de staatssecretaris niet in.”

‘Leraren die kunnen luisteren, verhalen kunnen vertellen, liefde bijbrengen voor geschiedenis, techniek of literatuur en het kwartje laten vallen bij hun leerlingen.’ Dat is de toekomstdroom van staatssecretaris Marja van Bijsterveldt opgeschreven in Krachtig Meesterschap. Kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren 2008-2011*. Er moet nog heel wat gebeuren voordat die droom werkelijkheid is. Vooralsnog kampen scholen met 10 procent onbevoegden, er is dus nu al een groot tekort aan goed opgeleide docenten. Daarnaast wordt er al jaren gestreden over de kwaliteit van de opleidingen. Wat doet de kwaliteitsagenda hier aan?
Uitbreiding van de ‘kweekvijver van leraren’ moet het dramatische tekort tegengaan - in het voortgezet onderwijs dreigt in 2011 een tekort aan 3300 voltijdbanen. In de visie van de staatssecretaris zitten de vissen vooral bij de universiteiten. Die leiden nu nog slechts 3 procent van de leraren op, van de 30 duizend mensen die in 2007 afstudeerden aan de universiteiten waren er slechts 620 leraar. De hogescholen kunnen volgens Van Bijsterveldt niet nog verder uitbreiden, momenteel studeert zo’n 20 procent van de hbo-studenten aan een lerarenopleiding. Ze vindt dat universiteiten zich te weinig inzetten voor dit probleem. Vandaar het plan om te gaan experimenteren met een nieuwe leerroute op de universiteit in de bacheloropleiding. De bachelorstudent kan voor een bijvak, een minor, kiezen waarin hij wordt voorbereid op het geven van onderwijs in zijn vak op het vmbo-tl en in de eerste drie jaren van havo en vwo. Een beperkte bevoegdheid dus. Studenten kunnen zo kennismaken met het vak leraar, in de hoop dat ze enthousiast verdergaan, maar het kan ook gewoon een studentenbaan blijven tijdens het volgen van hun master. Of er veel vissen zullen zijn die in deze kweekvijver willen zwemmen? Niemand weet dat, er is geen onderzoek naar gedaan.

Zorgenkind
“We mogen het niveau niet richten op de laagste instromers”, verzekerde Van Bijsterveldt haar toehoorders tijdens de presentatie van de kwaliteitsagenda. De laagste instromers komen van het zorgenkind mbo. Het idee om de mbo’er dan maar helemaal niet meer toe te laten, vindt de staatssecretaris niet goed, want dan blijft er niets meer over van de doorstroming in de ‘beroepenkolom’. Om het niveau van de instroom in het hbo te verbeteren worden intakegesprekken voorgesteld. Als dan blijkt dat de aankomende student te weinig weet, kunnen zomercursussen wellicht oplossing bieden. Op de pabo’s worden nu al taal- en rekentoetsen aangeboden. Verplichte vakkenpakketten in het voortgezet onderwijs kunnen eveneens helpen om het niveau te verhogen. De tweedegraadsopleidingen moeten eind 2008 de gezamenlijke eindtermen plus examens klaar hebben. Voor pabo’s geldt hetzelfde als het gaat om taal- en rekenen. Eind 2010 moeten de pabo’s klaar zijn met de eindtermen van de andere vakken.
De kwaliteitsagenda wordt gefinancierd met geld uit het Actieplan leerkracht. Bij elkaar gaat het in vier jaar tijd om meer dan 100 miljoen euro. Verrassend is dat de nieuwe zij-instromers opeens gefinancierd moeten worden uit de pot van de lerarenbeurs.

Nepacademicus
De AOb is teleurgesteld over de kwaliteitsagenda omdat er op cruciale punten niet echt wordt ingegrepen. Voorzitter Walter Dresscher vindt dat er nog steeds onvoldoende garantie geboden wordt voor de kwaliteit. “Zolang ik dit werk doe zijn er al klachten over het niveau. Dat de opleidingen werken aan een kennisbasis is ook al jaren zo. Ze schrijven hun eigen doelstellingen. Sommigen doen dat in samenspraak met de beroepsgroep, het is namelijk een kwestie van vraag en aanbod. Mijn teleurstelling is dat de staatssecretaris de huidige structuren laat bestaan. Leraren worden wel meer betrokken bij de eindtermen en examens, maar dat is meer voor erbij. In feite gebeurt er niets met het probleem dat de opleidingen te weinig aansluiten op de praktijk.” De nieuwe leerroute voor bachelorstudenten valt volgens Dresscher onder de categorie ‘pappen en nathouden’. “Het is een soort nepacademicus. Oud-Onderwijsminister Loek Hermans begon indertijd al met het verlagen van de kwalificatie-eisen, maar met een beroep dat niets voorstelt trek je geen nieuwe mensen. De kern is dat je een veel onafhankelijker curriculum moet opstellen en dat met landelijke examens moet toetsen. Dan maak je er weer een serieus vak van.”

Moeite
Ans Buys, voorzitter van het Algemeen directeurenoverleg Educatieve Faculteiten (Adef) ziet goede en slechte kanten aan de kwaliteitsagenda. “De agenda sluit aan bij de kennisbasis en de toetsen waar we nu al drie jaar mee bezig zijn, dus dat is prima, maar ik heb moeite met die universitaire opleiding voor bachelors.” Buys is directeur van de Fontys Lerarenopleiding in Tilburg. Volgens haar gaat het nu de goede kant op met de kennisbasis. “We spreken met elkaar af wat men in Nederland bijvoorbeeld mag verwachten van een leraar wiskunde. Welke kennis en welke competenties moet hij hebben?” Ook vanuit haar ervaringen in het verleden als directeur van een school voor voortgezet onderwijs weet ze dat het zinnig is om een intake niet alleen voor mbo’ers te houden. “Studenten die van de havo komen, vooral die van Engels en geschiedenis, blijven vaak maar een jaar omdat ze de opleiding gebruiken als opstapje naar een andere studie. Met hen zou je van tevoren over de motivatie moeten spreken.” Eventuele zomercursussen om het niveau van eerstejaars op te vijzelen kan de opleiding wel aan, denkt ze, hoewel daar natuurlijk wel weer een prijskaartje aan hangt. Met alle aandacht voor de universitaire bachelor heeft ze het veel moeilijker. “Ik vind het heel goed wanneer er academisch opgeleiden in de school lesgeven, maar ik heb mijn twijfels over deze vorm. Allereerst is er inhoudelijk volgens mij een groot verschil tussen een bacheloropleiding en het schoolvak, dus dat wat kinderen moeten leren. Een half jaar is heel kort om de lescomponent onder de knie te krijgen. Voor dit experiment wordt dan in vier jaar 50 miljoen uitgetrokken, de helft van het bedrag dat de kwaliteitsagenda krijgt, dan vraag ik me af of dat wel in verhouding staat tot wat dit zal opbrengen.” Ze heeft een beetje het gevoel dat staatssecretaris Van Bijsterveldt al snel overstag gaat als er maar het etiket ‘universitair’ aan hangt. Liever zou ze het geld gebruiken voor de docenten die nu bij haar een masteropleiding volgen. “Hun aantal is met 35 procent gestegen door de lerarenbeurs. Dat werkt dus fantastisch. Toch betaalt een deel het nog zelf omdat hun aanvraag is afgewezen.” Ze wijst er op dat er ook nog een kopopleiding is voor universitair geschoolden, een verkorte opleiding van een jaar die bachelors kunnen volgen aan meerdere lerarenopleidingen. “Dat is nu al mogelijk, studenten met een bachelor van de universiteit of het hbo krijgen dan een jaar extra studiebeurs.”

Min-variant
De referentieniveaus die nu ontwikkeld worden voor taal en rekenen op de basisscholen moeten het uitgangspunt worden voor de pabo’s. Simone Walvisch, bestuurder van de PO-raad, denkt dat als de eindtermen daarop gericht zijn, de kwaliteit van het onderwijs zeker stijgt. Het referentieniveau geeft aan wat een leerling op welk moment allemaal moet weten. Om te voorkomen dat iedere opleiding er zijn eigen eindtermen op na gaat houden moet er volgens haar een soort standaard komen. “Dit moet natuurlijk allemaal samen met mensen uit het veld tot stand komen.” Walvisch is voorstander van een zo divers mogelijk samengesteld team op de basisschool. “Ik ben daarom vóór de academische pabo, maar ook voor zij-instromers en onderwijsassistenten. Het beroep wordt daar alleen maar aantrekkelijker van.” Dat momenteel zoveel onderwijsassistenten willen doorstromen naar de pabo komt volgens haar voor een belangrijk deel omdat er te weinig vraag is naar hen op de arbeidsmarkt. De mbo’s mogen daarom wel wat kritischer naar die arbeidsmarkt kijken en hun leerlingen adviseren voordat ze dit vak kiezen. “Ik ben bang dat het nu vaak gekozen wordt omdat ze niks anders weten, een soort min-variant.” Dat er voor opleidingsscholen een keurmerk komt, vindt ze heel goed. “Scholen die zich hiervoor hebben ingespannen worden nu toch beloond. Het is een aanmoediging om door te gaan met deze vorm van opleidingen.”

{noot}
*)Krachtig meesterschap. Kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren 2008-2011, Ministerie van Onderwijs, zie ook: www.minocw.nl/onderwijs

{kader}
De toekomstdroom van Marja van Bijsterveldt:
• Een keurmerk voor opleidingsscholen. Dat wordt een voorwaarde voor extra financiering. Het keurmerk wordt vanaf studiejaar 2009-2010 verleend.
• Intakegesprekken plus een verplicht vakkenpakket moeten het soms lage niveau bij beginnende studenten tegengaan. Zomercursussen kunnen achterstanden wegwerken, bijvoorbeeld op het gebied van rekenen en taal.
• Met een educatieve minor in hun studieprogramma kunnen bachelors lesgeven aan vmbo-tl, en de eerste drie jaar van havo en vwo.
• Opleidingen ontwikkelen gezamenlijk een kennisbasis. Op grond daarvan worden eindtermen en toetsen gemaakt. Daarbij worden de leraren en het scholenveld betrokken.


Dit bericht delen:

© 2020 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.