• blad nr 16
  • 24-9-2008
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Wanhoop

Op mijn 26ste had ik voor het eerst een bovenbouwgroep. Een vriendelijk, rustig stel. Achter in de klas zat Hakan. Hakan was niet vriendelijk en al helemaal niet rustig. Hij beschikte over honderd-en-één manieren om de aandacht op zich te vestigen. Toen ik uiteindelijk op al die manieren een antwoord had gevonden, bedacht hij nummer honderd-en-twee: hij tikte met zijn potlood dwars door mijn instructie heen. Eerst zachtjes, daarna ietsje harder en vervolgens genadeloos hard. Mijn geduld raakte op. Op een kwaad moment stoof ik naar hem toe en eiste dat hij de klas zou verlaten. Hij weigerde. Ik herhaalde het bevel met alle kracht die ik in mij had. Zijn ‘nee’ klonk snerend, uitdagend en vooral heel erg brutaal. Wanhoop welde bij me op en voor ik het wist had ik zijn arm te pakken. In de onderbouwgroepen volstond zo’n gebaar. Hakan was echter 11 jaar oud en drie keer dikker dan zijn klasgenootjes. Hij zette zich schrap, viel half naast de tafel en trok mij mee. Het drong onmiddellijk tot mij door dat ik het onderspit had gedolven. Ik had mijzelf in een positie gemanoeuvreerd waar ik niet meer zonder gezichtsverlies uit kon komen. Ik heb mijn actie lang betreurd. Eigenlijk treur ik er nog steeds om.
Sinds ik lesgeef op de pabo, sta ik elk jaar even stil bij dit voorval. Als boetedoening en vooral ter lering en vermaak. Mijn studenten vermaken zich echter geen tel. Ja maar mevrouw, vragen ze elkaar verontrust aankijkend, wat moet je in zo’n geval dan wel doen? Win het, antwoord ik strijdlustig, maar win het wel op een waardige wijze. Het is dit antwoord dat mij te binnen schiet als ik in de eerste week na de zomervakantie op de basisschool tegenover Daoud sta. Daoud heeft zich het vorige schooljaar kostelijk vermaakt met het intimideren van een wisselende groep leerkrachten. Hij had hen snikkend de klas uitgejaagd of briesend het kantoortje van de directie in laten stuiven. Hij maakt zich op voor een nieuwe ronde. Dit keer met mij in de ring. Uitdagend kijkt hij mij aan. Zijn rechterarm parkeert hij losjes tegen de muur. Daoud, spreek ik op strenge toon, voordat ik met je praat wil ik dat je rechtop gaat staan en dat je op een gewone manier naar me kijkt. Neuh, antwoordt hij uitdagend. Ik recht mijn schouders. Daoud, ik ben jouw juf en jij bent een leerling in mijn klas, dat betekent dat je gewoon doet wat ik zeg en dat je op een beleefde manier met me praat. Begin eens met die hand van de muur te halen! Daoud haalt onwillig zijn arm van de muur. Wat is er dan, vraagt hij nurks. Ik vertel hem wat er is. Al bij het tweede woord plaatst hij zijn hand weer tegen de muur en wendt zijn blik laatdunkend af. Het kost me geweldig veel moeite om mijn geduld te bewaren en op een rustige toon duidelijk te maken welk gedrag ik in het vervolg niet tolereer. Hij interrumpeert me om de haverklap. Nou, dan ga ik wel bij iemand anders in de klas zitten, klinkt het de ene keer. Wat kan mij dat nou schelen, hoont hij het volgende moment.
Uiteindelijk lukt het me om de antwoorden te krijgen die ik horen wil. Maar daar heb ik alle ervaring en geduld van dertig jaar onderwijspraktijk bij nodig. Als ik de klas weer inloop, ben ik ineens in staat mijzelf het akkefietje met Hakan te vergeven. Ik begrijp dat ik toen niet anders kon. En dat mijn studenten als zij straks voor de klas staan het ook niet anders zullen kunnen. Eerst komt de wanhoop, dan pas de waardigheid.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.