- blad nr 16
- 24-9-2008
- auteur . Lachesis
- Column
Wanhoop
Sinds ik lesgeef op de pabo, sta ik elk jaar even stil bij dit voorval. Als boetedoening en vooral ter lering en vermaak. Mijn studenten vermaken zich echter geen tel. Ja maar mevrouw, vragen ze elkaar verontrust aankijkend, wat moet je in zo’n geval dan wel doen? Win het, antwoord ik strijdlustig, maar win het wel op een waardige wijze. Het is dit antwoord dat mij te binnen schiet als ik in de eerste week na de zomervakantie op de basisschool tegenover Daoud sta. Daoud heeft zich het vorige schooljaar kostelijk vermaakt met het intimideren van een wisselende groep leerkrachten. Hij had hen snikkend de klas uitgejaagd of briesend het kantoortje van de directie in laten stuiven. Hij maakt zich op voor een nieuwe ronde. Dit keer met mij in de ring. Uitdagend kijkt hij mij aan. Zijn rechterarm parkeert hij losjes tegen de muur. Daoud, spreek ik op strenge toon, voordat ik met je praat wil ik dat je rechtop gaat staan en dat je op een gewone manier naar me kijkt. Neuh, antwoordt hij uitdagend. Ik recht mijn schouders. Daoud, ik ben jouw juf en jij bent een leerling in mijn klas, dat betekent dat je gewoon doet wat ik zeg en dat je op een beleefde manier met me praat. Begin eens met die hand van de muur te halen! Daoud haalt onwillig zijn arm van de muur. Wat is er dan, vraagt hij nurks. Ik vertel hem wat er is. Al bij het tweede woord plaatst hij zijn hand weer tegen de muur en wendt zijn blik laatdunkend af. Het kost me geweldig veel moeite om mijn geduld te bewaren en op een rustige toon duidelijk te maken welk gedrag ik in het vervolg niet tolereer. Hij interrumpeert me om de haverklap. Nou, dan ga ik wel bij iemand anders in de klas zitten, klinkt het de ene keer. Wat kan mij dat nou schelen, hoont hij het volgende moment.
Uiteindelijk lukt het me om de antwoorden te krijgen die ik horen wil. Maar daar heb ik alle ervaring en geduld van dertig jaar onderwijspraktijk bij nodig. Als ik de klas weer inloop, ben ik ineens in staat mijzelf het akkefietje met Hakan te vergeven. Ik begrijp dat ik toen niet anders kon. En dat mijn studenten als zij straks voor de klas staan het ook niet anders zullen kunnen. Eerst komt de wanhoop, dan pas de waardigheid.