• blad nr 16
  • 24-9-2008
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Welzijn en geluk

Elk jaar ben ik mentor en elk jaar wordt het meer: de invloed van de zorgstructuur. Deze zomer, voordat ik ook maar één les heb gegeven, loopt mijn mailbox vol met instructies. Of ik denk aan de rugzakken, de afgesproken procedure niet vergeet en bel met een ambulant hulpverlener. Gezagsgetrouw pak ik op mijn eerste lesdag de telefoon en beland in een conversatie over de onbetrouwbaarheid van een van mijn leerlingen. Ik ken het kind amper, kies voor innocent until proven guilty en laat het op zijn beloop. Daarna een gesprek met een van mijn rugzakleerlingen. Hij staat te boekt als autist. Zelf ziet hij dat anders en zijn schoolprestaties zijn ook naar behoren. Toch moet ik van alles met hem. Maar wat? En hoort het niet andersom te gaan? Ik zie mijn klas, maak contact, problemen lossen we op en pas als dat niet lukt, is er een hulpvraag.
Maar zo werkt het niet. Leerstoornissen staan voor budget, dat is het equivalent van baantjes en vanaf dan schept elk aanbod zijn eigen vraag, de markt van welzijn en geluk*. Mijn punt is: met mensen werken, ze verder helpen, dat is wat wij doen, maar dit kan ik niet en jullie ook niet. De onderwijsorganisatie is daarvoor namelijk te complex. De Amerikaanse hoogleraar Weick legde dat dertig jaar geleden al uit: ‘Denk je in dat je een scheidsrechter, coach, speler of toeschouwer bent bij een onconventionele voetbalwedstrijd. Het speelveld is rond; er zijn meerdere doelen lukraak verspreid aan de rand van het ronde veld; mensen kunnen het veld opkomen en verlaten wanneer ze maar willen; ze kunnen zeggen “dat is mijn doel” wanneer ze maar willen, zo vaak ze willen en voor zoveel doelen als ze willen. Het hele spel speelt zich af op een glooiend veld en wordt gespeeld zoals het uitkomt. Als je nu in dit voorbeeld scheidsrechters vervangt door schoolmanagers, coaches door leraren, spelers door leerlingen, toeschouwers door ouders en voetbal door onderwijs, dan heb je een onconventionele voorstelling van een schoolorganisatie.’**
Dit fragment stamt uit een tijd dat de zorgbureaucraten nog geen poot aan de grond kregen in de school, leraren slechts lesgaven en de organisatie plat was. Zelfs in die relatief eenvoudige periode kende de school een natuurlijke turbulentie. Hoe is het dan vandaag? Het speelveld ontbeert inmiddels elke vorm, het aantal doelen is verhonderdvoudigd en voetbal een van de vele beoefende sporten. Enkel een onderkoelde zenmaster overleeft in deze drukte.
Stoot daarom de markt van welzijn en geluk af. De intenties zijn goed, maar de doelen onbereikbaar. De niet inlosbare belofte creëert bovendien een schuldgevoel en dat bederft de arbeidssatisfactie. Steek de zorggelden liever in een verlaging van de leerling/leraar-ratio! En die arme autisten? Daar zijn we aardig voor. Kleinere klassen zijn veilig en als het een keer misgaat met een proefwerk, dan maken ze het gewoon over. Meer kunnen leraren niet doen.

{noten}
*Term bedacht door Hans Achterhuis. Hij heeft onder deze titel een klassiek boek geschreven.

**Uit ‘Educational organizations as loosely coupled systems’, Administrative Science Quarterly nr 21, door Karl E. Weick, hoogleraar ‘Gedrag in Organisaties en Psychologie’ aan de universiteit van Michigan.
Het draait om de leerling

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.