- blad nr 11
- 31-5-2008
- auteur . Overige
- Opinie
Het rapport-Dijselbloem gewogen
Bedreef de AOb achterkamertjespolitiek?
Tekst Wim de Kok
“De commissie komt tot de conclusie dat de overheid haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig verwaarloosd heeft.” Half februari spreekt PvdA’er Jeroen Dijsselbloem dit ‘vonnis’ uit. Niet alleen de overheid moet het ontgelden. Ook de onderwijsbonden. Zij worden beticht van achterkamertjespolitiek. De achterban werd bij de invoering van grote onderwijsvernieuwingen zoals de twee fase havo/vwo niet goed vertegenwoordigd. De bonden stonden dichter bij de politiek dan bij de eigen leden.
Voor de docenten echter een pluim. Geprezen zijn zij omdat velen de invoering van verschillende onderwijsvernieuwingen in het belang van hun leerlingen slechts beleidsarm hebben ingevoerd en het beleid hebben aangepast aan de dagelijkse werkelijkheid in de scholen.
Als docent heb ik een gevoel van ‘eindelijk gerechtigheid’. Als AOb-bestuurslid heb ik twijfels. Het zit me niet lekker. Hebben we de achterban inderdaad niet goed gerepresenteerd? Kloppen de analyses? Is de research niet te veel afgegaan op meningen, te weinig op feiten? Het rapport moet maar eens gewogen worden. Ik stort me op de gang van zaken bij de vernieuwingsoperatie van de tweede fase havo/vwo.
Begin jaren negentig worden de eerste stappen gezet voor de invoering van de tweede fase. De Stuurgroep Profiel tweede fase wordt geformeerd, lobbyisten gaan aan de slag. De gezamenlijke onderwijsvakorganisaties – waar de voorlopers van de AOb, het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) en de Algemene Bond voor Onderwijzend Personeel (Abop) deel van uitmaakten – hebben duidelijke opvattingen over de voorstellen. Tijdens besprekingen op het ministerie van Onderwijs in het Overlegorgaan voortgezet onderwijs (Oovo) maken zij van hun hart geen moordkuil. Eensgezind stellen zij dat de plannen voor de tweede fase haaks staan op de tendens tot deregulering. Ze vinden dat de Stuurgroep Profiel tweede fase zich minder met pedagogisch-didactische zaken moet bemoeien. En vragen om extra financiële middelen. Het NGL benadrukt dat de invoering van het studiehuis een vrije keuze van scholen moet zijn.
De onderwijsorganisaties hebben zich herhaaldelijk stevig geprofileerd in het overleg met de overheid. In haar terugblik op de invoering van de twee fase laat de commissie-Dijsselbloem dat feit volledig links liggen. Verslagen van Oovo-bijeenkomsten zijn niet eens ingezien.
Wel komt de commissie met een relaas over de inmiddels beroemde fax die achterkamertjespolitiek bloot moet leggen. Wat was het geval? In mei 1997 werd het Wetsontwerp profielen voortgezet onderwijs besproken in de Tweede Kamer. Het rapport-Dijsselbloem blikt daarop terug en stelt: ‘Intussen is er een merkwaardige situatie ontstaan rondom de invoeringsdatum. De AOb die eerst uitstel bepleitte, heeft op het laatste moment, op de ochtend van het wetgevingsoverleg, laten weten dat hij van standpunt is veranderd: de invoering per 1 augustus 1998 is wel verantwoord, mits er 50 miljoen gulden extra tegenover staat.’
Dat is niet correct. In het pleidooi om uitstel hebben toenmalig AOb-vicevoorzitter Walter Dresscher en ik in gesprekken met betrokken politici sterk de nadruk gelegd op de nog onvoldoende na- en bijscholing van de docenten en het gebrek aan financiële middelen.
Vlak voor de Kamerbespreking van het wetsontwerp heeft toenmalig AOb-voorzitter Jaques Tichelaar van contacten op hoog niveau begrepen dat er 100 miljoen gulden extra voor docenten beschikbaar kan komen voor de voorbereiding. Daar heeft de AOb jarenlang op aangedrongen. In ruil voor dat extra geld moet de bond zijn pleidooi voor uitstel intrekken. Ik zeg daar wel wat voor te voelen, ook omdat we uit onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek weten dat een meerderheid van onze leden in de bovenbouw achter de tweede faseplannen staat. Er gaat een fax met instemming naar de Kamer.
Verwarring en onbegrip is er in de Kamer en daarbuiten: eerst vraagt de AOb om uitstel, om daarna voor 100 miljoen gulden akkoord gaan met invoering per 1998. AOb-leden in het voortgezet onderwijs krijgen een brief met uitleg.
Uiteindelijk blijkt de toezegging van die 100 miljoen niet ingelost te worden. Toenmalig staatssecretaris Tineke Netelenbos vraagt - zoals ze zelf aan de commissie heeft toegegeven - aan de minister van Financiën, Gerrit Zalm, niet om 100 miljoen extra, maar slechts om 50 miljoen gulden. Ze mag die van hem uitgeven, maar moet het wel zelf financieren met geld uit de eigen begroting.
Te laat
Als blijkt dat de AOb niet krijgt wat beloofd is, is de kater groot. De bond vraagt weer om uitstel van invoering van de tweede fase. In een speciale nieuwsbrief aan zijn leden: ‘Het is op deze wijze niet verantwoord de invoering van de tweede fase per 1 augustus te laten plaatsvinden.’ Maar het is dan te laat.
De commissie-Dijsselbloem zegt over dit nogal pijnlijke incident in zijn conclusie: ‘Soms werd het draagvlak op het laatste moment gekocht, zoals bij de standpuntwijziging van de AOb over de invoeringsdatum van de tweede fase.’ Dat klopt, maar het is erger: de ene partij – de AOb - denkt iets substantieels en van grote waarde eindelijk te hebben bereikt, en de andere partij – de staatssecretaris - is willens en wetens niet van plan dat te leveren.
Eind augustus 1998 gaat voor 123 scholen de vernieuwing van de tweede fase van start. Dat gaat het snel mis. De meeste leraren zien niets van de 50 miljoen gulden. Ze hebben, zoals ik, geen enkel uur ter voorbereiding gekregen. Wel is hun lessenaantal in sommige klassen – zoals bij mij in 4 en 5 havo - gehalveerd bij praktisch gelijkblijvende hoeveelheid examenstof. Het aantal klassen dat ze krijgen wordt groter. De werkdruk groeit. De kritiek zwelt aan. In december ziet de nieuwe staatssecretaris, Karin Adelmund, zich al genoodzaakt tot ingrijpen. Het jaar daarop is na grootschalig leerlingenprotest een tweede ingreep nodig. De aanpassingen vanaf 2000 hebben uiteindelijk belangrijke verbeteringen gebracht. Maar de vernieuwde tweede fase blijft goeddeels overeind.
De overheid valt bij de vernieuwing van de tweede fase wel het een en ander te verwijten. Maar de commissie-Dijsselbloem ook. In haar analyse heeft ze de beschikbare bronnen onvoldoende gebruikt. In de conclusies worden ook oordelen uitgesproken waarvoor onvoldoende bewijs wordt aangedragen.
En toch is het een buitengewoon belangrijk rapport. Het markeert een omslag. Langzaamaan denken de beleidsmakers van het ministerie niet meer voor de leraren, maar gaan ze rekening houden met de verandercapaciteit op de werkvloer. Ga zo door.
Dit artikel is een verkorte versie van de lezing die Wim de Kok eind april op een conferentie van de Nederlands Algemeen Bijzondere Schoolraad gaf.