- blad nr 11
- 31-5-2008
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Miskend talent
Tweede generatie Turken en Marokkanen doet het goed én slecht
Eerst het goede nieuws. Onder de tweede generatie Turken en Marokkanen in Amsterdam en Rotterdam begint zich een elite af te tekenen. Een kwart van deze jongeren heeft een hbo- of universitaire opleiding genoten en is bezig maatschappelijk succesvol te worden. Maar het slechte nieuws is dat een net zo grote groep er niet in slaagt om een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt te behalen. Hun maatschappelijke positie is zeer zwak.
Dat blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek, waarvoor duizend Amsterdamse en Rotterdamse jongeren uit de tweede generatie werden geïnterviewd, stemt onderzoeker Maurice Crul deels hoopvol en deels somber. “Een grote groep allochtone jongeren heeft het hoger onderwijs bereikt. Dat ziet ook iedereen die een hogeschool of universiteit in de Randstad binnenloopt. Vijftien jaar geleden waren allochtonen daar nog uitzonderingen.”
Met deze hoogopgeleide groep gaat het goed: zij vormen volgens Crul een nieuwe allochtone middenklasse. Deze jongeren trouwen met andere hoger opgeleiden, en stromen door naar koopwoningen in de betere wijken. Met de net zo grote onderklasse gaat het echter de verkeerde kant op. Zij trouwen vaak met een partner die ook geen startkwalificatie heeft en blijven achter in de mindere buurten. Daar leven ze rond de armoedegrens.
Een van de opvallende uitkomsten van het onderzoek is dat jongeren die geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt (mbo-2 niveau) weten halen, vaak al voor het mbo zijn afhaakt. “Er wordt veel aandacht besteed aan het tegengaan van uitval in het mbo”, zegt Crul. “Maar de helft van alle jongeren zonder startkwalificatie houdt al na het vmbo op met leren.”
Om dat laatste te voorkomen zouden het vmbo en het mbo volgens de onderzoekers beter op elkaar moeten aansluiten. Crul denkt aan een soort praktijkscholen, waar de leerlingen binnen de muren kunnen blijven totdat ze het mbo-2 niveau hebben gehaald. “Veel jongeren maken de overstap van vmbo naar mbo als ze zestien jaar oud zijn, dus middenin de puberteit. Dat is geen makkelijke leeftijd. Dan komen ze terecht op het mbo, waar ze veel meer vrijheid hebben dan op het vmbo. Bij leerkrachten die zij niet kennen, en die hen ook niet kennen. Dan kan er veel misgaan, zeker bij zwakke leerlingen. Die moeten we langer proberen vast te houden in een schoolse omgeving.”
Laatbloeiers
Een tweede opvallende uitkomst van het onderzoek is dat alle jongeren die op het mbo uitvallen, vmbo-t als vooropleiding hebben. Crul: “Die groep heeft in principe de leercapaciteiten om mbo-3 of -4 aan te kunnen.” Dat lukt dus niet.
Als het niet aan de leercapaciteiten ligt, waaraan dan wel? Om dat te weten te komen onderzocht Crul het verschil tussen uitvallers met een vmbo-t opleiding en vmbo-t’ers die uiteindelijk doorstroomden naar het hoger onderwijs. “De doorstromers bleken thuis meer begeleiding te krijgen en hadden ook vaak broers of zusters die al in het hoger onderwijs zaten.” De uitvallers hadden minder begeleiding thuis en waren minder positief over de schoolsituatie.
Begeleiding is dus het toverwoord? Ja, zegt Crul, en als ze die niet van huis uit krijgen moet de school het maar proberen te leveren. “Daarbij helpt het dat er vroege indicatoren van uitval zijn. Leerlingen die op de middelbare school zijn blijven zitten of die van school zijn gewisseld, lopen een hoger risico.” Vooral die leerlingen zouden in het mbo dus extra moeten worden begeleid.
Een derde opvallende uitkomst van het onderzoek is dat bijna de helft van de allochtone jongeren die het hoger onderwijs hebben bereikt, dat via een inefficiënte weg hebben gedaan. Via het ‘stapelen’ van opleidingen: van vmbo naar mbo, en van mbo naar hbo en soms naar de universiteit. “Een belangrijk deel van het talent wordt dus niet gezien door de basisschool, waardoor deze leerlingen veel te laag beginnen”, is de harde conclusie van de onderzoekers.
Zouden er onder deze jongeren echter niet veel laatbloeiers zijn, bij wie het talent pas op latere leeftijd naar boven komt? Dat kan natuurlijk, vindt Crul. “Maar 50 procent van de hoger opgeleide allochtonen is via stapelen doorgestroomd, en dat is echt te veel. Een grote groep is blijkbaar op de basisschool onderschat. Die zijn op het vmbo terechtgekomen terwijl ze waarschijnlijk de havo aan hadden gekund.”
Dergelijke miskende talenten werden vroeger nog wel eens opgespoord in de brede brugklassen van het voortgezet onderwijs, schrijven de onderzoekers. En daar alsnog snel naar havo of vwo geleid. Maar dat gebeurt nu niet meer. Is dat een verkapte liefdesverklaring aan de brede basisvorming? Juist niet, zegt Crul, want daar begon volgens hem de ellende. “De basisvorming is juist de reden dat die brede brugklassen zijn afgeschaft. Het programma werd te overladen, waardoor scholen in de praktijk onderscheid zijn gaan maken tussen brugklassen voor havo/vwo, vmbo-t en de rest van het vmbo – soms nog in een apart gebouw ook.”
In de praktijk worden inmiddels wel dappere pogingen gedaan om de leerlingen naar hogere typen vervolgonderwijs te krijgen, signaleert Crul. “Sommige basisscholen hebben ‘kopklassen’, na groep 8, waarin onder andere aan de taalvaardigheid van leerlingen wordt gewerkt. Zodat ze naar havo/vwo kunnen in plaats van naar het vmbo.” Ook zijn er in het voorgezet onderwijs zogenaamde ‘kansklassen’ voor vmbo-t leerlingen die misschien ook naar de havo zouden kunnen. “En ik zie dat middelbare scholen soms proberen om de oude doorstroomroute van mavo naar havo te herstellen. Door bijvoorbeeld in het laatste jaar van de mavo al lesstof aan te bieden ter voorbereiding op de havo. We zijn dus aan het repareren wat we eerder hebben afgeschaft.”
Of dat zal helpen om de groei van een nieuwe allochtone onderklasse tot staan te brengen? Crul hoopt het van harte. “Voor de jongeren zonder startkwalificatie die blijven hangen in de mindere buurten, ziet het er niet zo rooskleurig uit.” De problemen van deze groep zouden later ook weer verscherpt naar voren kunnen komen in hun kinderen, bij de derde generatie allochtonen. “Daarom is het zo belangrijk om te kijken wat het onderwijs kan doen om de uitval te voorkomen. Ik zou als eerste eens goed kijken naar al die uitvallers uit het mbo die toch een vmbo-t diploma op zak hebben. Daar valt vast winst te behalen.”
{fotobijschrift}
@B1:Onderzoeker Maurice Crul van de Universiteit van Amsterdam: “Voor de jongeren zonder startkwalificatie die blijven hangen in de mindere buurten, ziet het er niet zo rooskleurig uit.”
{kader met}
Te lage advisering?
Bijna de helft van de allochtone leerlingen die doorstromen naar het hoger onderwijs, doet dat via de ‘stapelroute’ van vmbo en mbo. “Hun talent wordt dus niet gezien door de basisschool”, stellen onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam. Andere onderzoekers komen echter tot andere conclusies.
Naar het ‘onderadviseren’ van leerlingen in groep 8 van de basisschool is veel onderzoek gedaan. Eerder dit jaar bleek bijvoorbeeld dat Amsterdamse scholen hun leerlingen veel vaker doorverwijzen naar het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) dan elders. Onderzoekers van het Kohnstamm Instituut plozen deze zaak uit, en ontdekten dat er in Amsterdam vaker dan elders wordt getest of leerlingen een lwoo-advies nodig hebben. En dat deze tests erg ‘talig’ zijn, en dus negatief uitpakken voor allochtone leerlingen met een taalachterstand. Daar is dus sprake van onderadvisering, maar alleen voor lwoo-leerlingen.
Dat er in Amsterdam over de hele linie sprake zou zijn van onderadvisering, leek vorig jaar te blijken uit een rapport van de Dienst maatschappelijke ontwikkeling van de gemeente Amsterdam. Maar dat lag erg genuanceerd: alleen bij opvallend hoge en opvallend lage Citoscores week het advies van de basisschool af van het standaardadvies van het Cito. Bij de lagere scores was er vaak sprake van overadvisering (de leerlingen werd een hoger schooltype aangeraden dan het Cito voorstelde), bij de hogere scores was er bij Turkse en Marokkaanse leerlingen vaak sprake van onderadvisering.
Maar is dat erg? Want ‘overadvisering en onderadvisering’ betekende in dit verband slechts dat het advies van de school afweek van het standaardadvies van het Cito. En is dat per definitie een schande? Want wie heeft er nu meer zicht op de mogelijkheden van het kind: Cito of de basisschool? ‘Het is niet onderzocht op welke wijze de basisschool tot een advies komt en wat hierin een rol speelt’, meldde de Dienst maatschappelijke ontwikkeling dan ook als slag om de arm in zijn rapport. ‘Zoals de wensen van de ouders en de werkhouding van de leerlingen.’
Het rapport leidde begin vorig jaar echter toch tot grote beroering, omdat de Tweede Kamer eruit opmaakte dat scholen allochtone leerlingen massaal zouden onderadviseren. De Kamer vroeg en kreeg een onderzoek van de Onderwijsinspectie, die na een uitgebreide studie concludeerde dat er ‘geen aanwijzingen zijn dat leerlingen uit allochtone groepen in Nederland bij het verlaten van de basisschool substantieel lagere adviezen voor het voortgezet onderwijs krijgen.’
Leerlingen uit migrantengroepen en lagere sociaal economische milieus krijgen gemiddeld inderdaad lagere adviezen, oordeelde de inspectie. Maar dat komt voornamelijk door de lagere prestaties van deze leerlingen. ‘Meisjes, intelligente leerlingen, leerlingen die niet zijn blijven zitten en kinderen van hoger opgeleide ouders, krijgen bij gelijk prestatieniveau iets hogere adviezen. Daarbij gaat het om zeer bescheiden verschillen. Van een te lage advisering die systematisch in het nadeel van allochtone leerlingen uitpakt, is geen sprake.’