• blad nr 7
  • 5-4-2008
  • auteur L. Douma 
  • Redactioneel

De tweede correctie  

Rekkelijken en preciezen bijna met elkaar op de vuist

Het is een discussie tussen rekkelijken en preciezen. Examens moeten door twee docenten nagekeken worden, daarover is men het eens. Maar hoe de tweede correctie eruit moet zien? De ene groep vindt dat de tweede corrector alle examens nogmaals integraal moet nakijken. Steekproefsgewijze controle is voldoende, stelt een andere groep. Al is het maar omdat er niet meer tijd is. En ook omdat de tweede correctie geen stuiver oplevert.

“In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de financiering van de tweede correctie afgeschaft. Het was een bezuinigingsmaatregel van toenmalig Onderwijsminister Wim Deetman. De tweede correctie was voortaan onderdeel van het vaste takenpakket. Er stond alleen nog maar een summiere onkostenvergoeding tegenover. Daarmee begon de ellende”, verzucht AOb-hoofdbestuurder Wim de Kok. Hij heeft stapels verslagen van vergaderingen en bijeenkomsten met de inspectie, Cito en VO-raad om het aan te tonen. Jaar in jaar uit wordt er gebakkeleid over de tweede correctie, die over elk examenwerk wordt uitgevoerd door een docent van een andere school. De tweede corrector stelt in overleg met de docent van de eindexamenkandidaat het cijfer vast. Komen zij niet tot overeenstemming, dan middelen zij hun scores.
Dat er over de tweede correctie zoveel is te doen, is niet verwonderlijk, vindt De Kok. “De wettekst zegt alleen dat een gecommitteerde, een tweede corrector, het werk zo spoedig mogelijk moet beoordelen op basis van de beoordelingsnormen. Deze wettekst is voor verschillende interpretaties vatbaar.”
Een groep vindt dat de tweede corrector alle examens integraal moet nakijken. Een andere groep stelt dat een steekproefsgewijze controle voldoende is. De Kok noemt het een patstelling tussen preciezen en rekkelijken.
Het Onderwijsverslag 2004/2005 wakkerde het vuurtje aan. Uit onderzoek van de inspectie bleek namelijk tot ongenoegen van de preciezen dat 12 procent van de tweede correctoren zich beperkt tot de controle van enkele opgaven. Bijna een kwart geeft aan het werk steekproefsgewijs na te kijken en alleen het werk van meer kandidaten te corrigeren als daar aanleiding toe is. “Als je van een klas vijf werken integraal nakijkt en de vragen waar veel controverse over is bij alle kandidaten checkt en ook nog eens de telling overdoet, kun je best concluderen of de eerste corrector zijn werk keurig heeft gedaan”, vergoelijkt De Kok. “Maar als je twijfels hebt, moet je wel al het werk nauwgezet nakijken.”
Een op de drie tweede correctoren zegt in het Onderwijsverslag dat de eerste corrector tekortschiet. En bij ongeveer een derde van de correctoren ontstaan meningsverschillen over de correctie. Meestal klaart een telefoontje de lucht.
Trees Platvoet, docent Nederlands aan scholengemeenschap St.-Canisius in Almelo, stuurde een keer een examen terug naar de eerste corrector. “Bij Nederlands is het zo dat je bij de samenvatting ook kijkt naar het aantal woorden en spelfouten. De eerste corrector had daar niet naar gekeken. Ik heb toen gebeld en uitgelegd waarom ik het examen retourneerde. De eerste corrector reageerde niet verongelijkt, meer gelaten. Eigenlijk zijn de telefoontjes met andere correctoren vaak wel prettig, het is fijn om even met een andere collega te praten over het examenwerk.”

Roomser
Niet alle collega’s delen die mening. Vorig jaar kreeg het Onderwijsblad een stortvloed van brieven van docenten die zich onheus behandeld voelden door rigide tweede correctoren. “Een paar jaar geleden had ik een tweede corrector die roomser was dan de paus. Wij gingen bijna met elkaar op de vuist. Ik moest dreigen naar de inspectie te stappen, eer hij me gelijk gaf”, vertelt Ton van Goor, docent Nederlands en economie aan roc Horizon College in Noord-Holland en aan een particuliere school voor voortgezet onderwijs. “Ik wil niet zeggen dat alle eerste en tweede correctoren elkaar naar het leven staan, maar het gebeurt regelmatig. Dat is een ervaringsfeit. En ik zit al 41 jaar in de onderwijs.”
Een te strenge beoordeling van de tweede beoordelaar, is vaak een twistpunt. Van Goor: “Ik heb ook wel eens een leerling die net niet het juiste antwoord heeft genoteerd, maar waarvan ik – doordat ik hem ken – weet dat hij eigenlijk dat en dat bedoelde. Ja, dat valt aan een tweede corrector niet uit te leggen. Ik vind dat kandidaten vaker het voordeel van de twijfel moeten krijgen. Je hoeft geen sinterklaas te zijn, maar ook geen kommaneuker.”

Blanco werk
Het Onderwijsverslag was voor de VO-raad aanleiding om vorig jaar het ‘Voorlopig protocol eerste en tweede correctie’ op te stellen. Dat protocol moet voor eenduidigheid zorgen. Het document draagt de titel ‘voorlopig’ omdat de tweede correctie gevoelig ligt en de VO-raad de discussie niet dood wil slaan.
“Het Examenbesluit is te globaal geformuleerd. En het protocol geeft houvast hoe te handelen”, vertelt Ed Kremers, hoofd centrale examens havo/vwo bij het Cito. Tot zover is het toetsinstituut tevreden. Toch leven er twee bezwaren. Ten eerste mogen docenten volgens het protocol steekproefsgewijs de tweede correctie uitvoeren. Terwijl het Cito wil dat alle werken tot twee keer toe integraal worden nagekeken. “Want”, zegt Kremers, “op basis van examenscores worden belangrijke beslissingen genomen. Daarom moet de correctie zo objectief en zorgvuldig mogelijk gebeuren. Een tweede onafhankelijke correctie biedt daarvoor een betere garantie dan de beoordeling door één corrector.”
Daarnaast wil het Cito dat de tweede corrector de correctie voortaan uitvoert op ‘blanco’ leerlingwerken. Nu krijgt de tweede corrector examens onder ogen die zijn voorzien van aantekeningen van de eerste corrector. “Het is belangrijk dat mensen het werk onafhankelijk van elkaar beoordelen”, licht Kremers toe. De aantekeningen van de eerste corrector maken een objectieve beoordeling volgens het Cito onmogelijk.
Docenten klagen daarover echter niet. “Die vinden die aantekeningen prachtig. Het scheelt hun namelijk werk”, zegt AOb-hoofdbestuurder De Kok.
Kremers: “De VO-raad toont begrip voor ons standpunt, maar liet ons vorig jaar - samen met het ministerie en de inspectie - weten dat kopiëren van alle examens te veel werk zou vergen. Inmiddels zijn er technologische ontwikkelingen die hiervoor mogelijk een oplossing bieden. In Engeland werkt men met een systeem waarbij alle examens eerst naar een ‘kopieercentrum’ worden gestuurd. Daar worden de werken gescand en digitaal naar de eerste en tweede corrector gestuurd. Zo krijgen beiden een blanco examen onder ogen. Het Cito wil dat hiermee voor enkele vakken een proef wordt gedaan. De VO-raad heeft laten weten deze werkwijze interessant te vinden. Want hiermee zouden tweede correctoren eerder het werk kunnen krijgen en hoeven ze niet meer te wachten tot de eigen docent klaar is.”
Dat zou prettig zijn. Want tijd, daar schort het aan. Docent Van Goor: “Als ik het goed doe, ben ik twintig tot vijfentwintig minuten per examen kwijt. En dat in een tijd die toch al heel druk is. Je hebt je eigen examenkandidaten en dan ook nog eens die vergaderingen in mei en juni.” Vandaar dat Van Goor steekproefsgewijs te werk gaat.

Nogal krom
Het geld is een tweede struikelblok voor docenten. In de jaren tachtig kregen zij nog een ruime vergoeding voor hun correctiewerk. Die werd afgeschaft. Tot voor kort betaalde de IB-Groep een vaste onkostenvergoeding per kandidaat met een maximum van 39,71 euro per vak, per schoolsoort. Een schijntje, vinden docenten. “De timmerman verdient al meer als hij komt voorrijden”, hoont Van Goor. “Het wordt ontzettend onderbetaald”, vindt ook Platvoet van St.-Canisius. “Het rare is dat het maximum is verbonden aan een schoolsoort. Dus als ik een havo- en vwo-examenklas heb, krijg ik twee keer zoveel onkostenvergoeding als wanneer ik twee vwo-klassen heb. Dat vind ik nogal krom.”
Sommige docenten krijgen zelfs helemaal geen vergoeding meer. ‘Onze directie verraste ons vorige week met de mededeling dat met ingang van dit examen de gebruikelijke vergoedingen voor de tweede examencorrectie komen te vervallen en gaf vervolgens royaal een extra envelop examens mee’, schreef een docent mei vorig jaar op de website van Beter Onderwijs Nederland. Omdat de vergoedingsregeling volgens het ministerie van Onderwijs nogal wat administratieve rompslomp met zich meebracht, werd besloten de vergoeding op te nemen in de lumpsum. Daardoor is het aan de schoolbesturen of ze de vergoeding al dan niet uitbetalen.

Patstelling
Dat een correcte tweede beoordeling nodig is, betwist geen enkele partij. “Bij ons op school is het voorgekomen dat een docent het examenwerk naar eer en geweten had nagekeken. De tweede corrector had ook zijn handtekening onder het werk gezet. De leerling kwam het examen inzien. Toen bleek dat de eerste corrector een kolom over het hoofd had gezien. Dat gebeurt: het is mensenwerk. De leerling was alsnog geslaagd”, vertelde Harry Claessen, rector van het Twents Carmel College, op een examencongres van Cito, VO-raad en examencommissie Cevo. “Maar als de leerling niet het eigen examen was komen inzien, was de fout nooit aan het licht gekomen. Dat zou niet moeten kunnen. De tweede corrector had helemaal niet naar het werk gekeken.”
Hoe de tweede correctie het best kan plaatsvinden, blijft voer voor discussie. “Iemand moet de knoop doorhakken”, zegt AOb-hoofdbestuurder De Kok. De inspectie maakt geen wetten. Het ministerie wil niet aan de autonomie van scholen komen. Het Cito schrijft ook geen regels uit. De VO-raad laat via een woordvoerder weten ‘de zorgpunten te delen’, en gaat verder overleg met het Cito aan. En zo kabbelt het voort.
Hoe dit afloopt? De Kok weet het niet. “Misschien eindigt deze patstelling net zoals de vorige. Op een gegeven moment was er geen aandacht meer voor het probleem, ging iedereen weer zijn eigen gang. Het probleem ‘verdween’. Om ruim tien jaar later weer op te duiken.”

{noot}
Het Voorlopig protocol eerste en tweede correctie is te vinden op www.vo-raad.nl. Ga naar ‘thema’s’ en klik vervolgens op ‘examens’.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.