• blad nr 7
  • 5-4-2008
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Mei ‘08

‘Actie, actie, klinkt door het hele land. Na de politie gaat ook het onderwijs tot aan de rand’. Dit deuntje klinkt momenteel in elke docentenkamer. Begrijpelijk, want het verdriet van de Nederlandse leraar is vele malen beschreven en het zicht op herstel blijft troebel. Voor het bedrag dat de leraar verdient, verwerkt hij simpelweg teveel leerlingen. Daardoor ontbreken de mogelijkheden tot groei en evolueert het beroepsbeeld naar dat van een fabrieksarbeider.
Deze deprimerende situatie maakt van verzet een plicht. Maar vanaf dan wordt het lastig, want wat mogen we vragen? Het antwoord schuilt in een scheiding tussen niveau en verandering, ofwel beloningstructuur en loonsverhoging. De politiebonden gingen aan die nuance voorbij. Zij suggereerden met een jaarlijkse loonstijging de in decennia opgebouwde verloedering in waardering te kunnen opheffen. Dat werd een zeperd en eeuwige frustratie is hun lot. Leraren staan gelukkig sterker in de startblokken. Zij hebben een historische kans op verbetering, vanwege een strijd op twee fronten; de cao-onderhandelingen en de invulling van het Actieplan Leerkracht. Hoe verder?
Eerst maar de salarisverhoging. De AOb eist voor het komend jaar 3,5 procent plus een verbetering van de eindejaarsuitkering. Dit is marktconform, wat in Elsevier bevestigd wordt door de hoogleraar en arbeidsmarktdeskundige Justus Veenman. Letterlijk: ‘De vakbonden eisen loonsverhogingen van 3,25 tot 3,5 procent (en krijgen die ook, zie Shell), vaak met extra’s zoals een bonus. Dit tegenover een loonsverhoging in 2007 van gemiddeld 1,75 procent.’ Kortom, leraren delen in de welvaartsgroei als werkgevers de AOb-eis serieus nemen.
Dan het niveau. Een tweedegraads leraar verdient op zijn top momenteel ongeveer 3500 euro bruto per maand. Het tempo om daar te belanden kan hoger, maar verder valt op dat bedrag weinig aan te merken. De genoten opleiding heeft een lage status en de ontwikkeling in het werk is vrijblijvend. Erger is dat een eerstegrader hetzelfde verdient, terwijl dat ooit 1000 euro per maand meer was. Precies daar zit de oorzaak van het falen: vroeger werd studeren beloond en dat moet terugkomen. Leraren met diploma’s verdienen meer waardering, omdat plezier in de omgang met kennis en de drang om daar beter in te worden, noodzakelijke voorwaarden zijn voor beroepstrots, arbeidssatisfactie en succes in de klas. Minister en vakbonden zijn hier inmiddels ook van overtuigd. Werkgevers steken hun geld echter liever in de baantjesmachine om hen heen. Het Actieplan Leerkracht arbitreert in dit belangenconflict. De uitkomst daarvan bepaalt het profiel van de leraar van de toekomst. Wordt dat een uit de klas vluchtende productiemedewerker of een kenniswerker gericht op het leren van kinderen?
Alles bij elkaar kunnen een marktconforme loonsverhoging, een beloningsstructuur die het leren van docenten stimuleert plus een serieuze werkdrukverlaging, het beroep een fantastische impuls geven. De realisering daarvan biedt de minister, de werkgevers en de bonden dan ook een unieke kans op glorie. Maar weer falen, betekent dat het onderwijs een vlammende Meirevolutie tegemoet gaat... net als veertig jaar geleden in Parijs… une jolie Rolls brûlait*... Leve de leraar!

*) Uit Mai ‘68, een chanson van Gilbert Becaud uit 1979.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.