- blad nr 5
- 8-3-2008
- auteur A. Kersten
- Redactioneel
Havo, een vak apart
De Zilveren Nipkowschijf is een prestigieuze televisieprijs. In 1992 ging hij naar Maarten Schmidt en Thomas Doebele voor een vierdelige documentaire over het wel en wee van een groep havo 4-leerlingen op de Openbare Scholengemeenschap West-Friesland in Hoorn. Nederland zag een klas zoals vele andere, met leerlingen die vooral bezig waren met elkaar, met zichzelf, met baantjes, relaties en de buitenwereld. En, o ja, er was ook nog school.
Ah, dat was deze school, dacht Jacco Plooijer toen hij er later voor het eerst de docentenkamer binnenliep. Het was hem tijdens het sollicitatiegesprek bij het Atlascollege, waarvan de Hoornse scholengemeenschap onderdeel uitmaakt, aanvankelijk ontgaan. Hij zat zelf op de lerarenopleiding toen 4 Havo, een klas apart hem vier zondagavonden aan de buis kluisterde. “De film was een didactische goudmijn voor me. Er werd natuurlijk ingezoomd op de uitgesproken types: de punker, het boze meisje. Maar het gaf een bijzonder beeld van een kleurrijke havo-klas.”
Tegenwoordig is Plooijer docent Engels, en sinds augustus afdelingsleider havo. Waar het vmbo en vwo duidelijk hun eigen karakter hebben, valt de havo eigenlijk tussen wal en schip. Reden voor de school om de havo onder de loep te nemen. “Er wordt vaak gedacht: het is vwo voor iets minder slimme leerlingen, dus ik leg het gewoon wat simpeler uit. Als een soort vwo light.”
In zijn eigen praktijk als vakdocent ziet hij juist flinke verschillen. “Op het vwo ben ik veel inhoudelijker bezig met de taal, met literatuur. Op de havo is het voor mij belangrijker leerlingen te motiveren, zodat ze zich durven te uiten in het Engels. Het is minder gericht op pure kennis.”
Want havisten zijn andere leerlingen dan vwo’ers, zegt Plooijer, die benadrukt dat hij generaliseert. “Ik denk dat leraren zich nog beperkt realiseren hoe havisten denken en doen. Havisten zijn meer met de korte termijn bezig. Ze hebben meer de neiging te werken voor een docent, in plaats van zichzelf. Havisten zijn ook meer bezig met de wereld om hen heen. Baantjes, msn, relaties. Wie ben ik, heb ik de juiste vrienden? Vwo’ers vinden school belangrijker, ze zijn doelgerichter. Vwo’ers weten hoe ze moeten voorkomen dat het misgaat, havisten laten het eerst misgaan.”
“Havo is een vreemd schooltype, het bestaat alleen in Nederland. Ga in Frankrijk maar eens uitleggen dat je op de havo zit en wat het niveau is, dat krijg je niet voor elkaar.”
Hetty Mulder, Stichting Leerplanontwikkeling
Frustraties
Ook uit landelijke statistieken blijkt dat het bij havisten vaker misgaat. Een op de tien leerlingen in havo 3 of hoger liep volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2004 vertraging op. Bij het vwo lag het percentage rond de 6 procent, het gemiddelde voor het voortgezet onderwijs bedroeg 5 procent. Dat de bovenbouw van de havo opvallend meer vertraging oploopt, was voor de VO-raad en vijftig middelbare scholen reden om het Tilburgse onderzoeksinstituut IVA de achtergronden ervan in kaart te laten brengen. Thema’s als de identiteit van de havo en specifieke havo-didactiek genieten meer belangstelling.
In december rolde het onderzoeksverslag Beter inspelen op havo-leerlingen van de persen. Respondenten schetsen motivatieproblemen bij leerlingen, moeite met zelfstudie, het belang van sociale verhoudingen en het gevoel achtergesteld te worden bij het vwo. Met name de overgang van 3 naar 4 havo blijkt een struikelblok. Aansluitingsproblemen leiden ertoe dat ‘een relatief groot deel van de leerlingen niet in één keer slaagt voor het examen van havo 5. Verder zijn er veel leerlingen die doubleren in havo 4. De cijfers vallen ook hierdoor tegen. Verder is er onvoldoende voorbereiding op vervolgonderwijs en is er uitval naar onder andere het mbo’, schrijven de onderzoekers.
“Havo 4 was altijd al een relatief moeilijke klas”, aldus onderzoeksleider Juliette Vermaas. “Maar het probleem wordt versterkt doordat de overgang na de invoering van de tweede fase groter is geworden. Opeens moeten leerlingen veel zelfstandiger werken in havo 4. Een sterke conclusie: voor leerlingen is de overstap naar de tweede fase abrupt en dat zorgt voor doublures.”
Volgens de onderzoeker vergt een ander type leerlingen ook een andere benadering door docenten. Of misschien wel een ander type docent. “Iemand die de sociale kant van de klas erg boeiend vindt. Een leraar die alleen maar kennis wil overdragen, kan gefrustreerd raken als hij een jaar voor 4 havo heeft gestaan. Die frustraties worden dan vaak weer afgereageerd in de klas, en dat geeft leerlingen het gevoel dat ze minder zijn dan vwo-leerlingen.”
In het onderzoek praten leerlingen over dat gevoel van achterstelling. “Dat gevoel is: we tellen niet zo mee, we worden altijd vergeleken met die brave vwo-leerlingen. Die in de vijfde klas naar Rome mogen, terwijl wij veel minder leuke schoolreisjes hebben.”
En dat terwijl havo gewoon de twee na hoogste opleidingsvorm is. Dat wordt volgens Vermaas te weinig benadrukt. “Vanuit sociaal oogpunt is het juist een heel prettige groep. Ze willen altijd van alles organiseren, zijn erg met de groep bezig.”
“Voorlopig zijn alle ideeën over havo en havisten gebaseerd op een fingerspitzengefühl, er is geen literatuur die belicht wat havisten speciaal maakt. Veel scholen zijn bezig om zelf uit te zoeken hoe ze het beste erop kunnen inspelen.”
Jacco Plooijer, afdelingsleider havo Atlascollege
Klieren
Het Emmauscollege in Rotterdam is een van de vier scholen die in het IVA-onderzoek als casestudy aan bod komt. De afgelopen zeven jaar is daar de boel flink op de schop genomen. “We hadden het bekende theezakje: wat we op het vwo deden, deden we op de havo iets minder. Zelfde stof en toetsen, maar dan een lichtere variant. Had je een toets Frans, dan kosten drie fouten op het vwo een punt en op de havo kosten vier fouten een punt”, vertelt Piet Goverde, afdelingsconrector havo 4 en 5. “Maar op de havo vielen de leerlingen bij bosjes uit. Tot we op een gegeven moment hebben gezegd: dit moet anders.”
Volgens Goverde is het Emmauscollege de havo echt anders gaan aanpakken, en bewijzen de resultaten het gelijk. Andere lesmethodes, toetsen en didactiek. “Het werd meer doenerig, op de praktijk gericht.” Daarnaast kreeg het mentoraat een grote rol toebedeeld. “Leerlingen die meer moeite hebben om bij te blijven, worden meer bij de hand genomen. Je moet erbovenop blijven zitten. Tegen leerlingen aanzeuren, afspraken maken en met ze afrekenen. De ene keer aaiend en de andere keer bestraffend. Daardoor zien leerlingen dat je echt geïnteresseerd in ze bent, dat is bij de havo heel belangrijk.”
De mentor kreeg nog een andere rol toebedeeld: zijn klas een dag volgen. Letterlijk. “Hij sjokt met de klas mee alsof hij een leerling is, gewoon om te kijken en luisteren. Zo krijgt hij een heel helder beeld van de sociale verhoudingen in zijn groep, wie er zit te klieren en wie er zijn best doet. Geloof me, het eerste uur houden leerlingen zich nog wel een beetje in, maar het tweede uur zijn ze die mentor al helemaal vergeten.”
De meelopende mentor was tot een jaar of drie vaste prik in de onderbouw. Wat die mentor ook ontdekte: “Wat ongelooflijk saai, elke vijftig minuten naar een ander lokaal hobbelen waar vervolgens weer precies hetzelfde gebeurt. Of omgekeerd: wat een boeiende lessen geeft die Rietje, daar kan ik wat van opsteken. Je kunt je voorstellen dat leraren in het begin dachten: Kom je mij beoordelen? Maar het heeft ook een positieve kant: leraren zien van elkaar wat juist heel goed gaat, of wat er beter kan. Daar is niks mis mee.”
Moeilijk of niet, het komt best voor dat een nieuwe docent na een jaar al mentor is van een havo-klas. Toch geldt op het Emmauscollege een vuistregel voor instromende docenten. “We hebben na een paar ongelukken een paar jaar terug afgesproken dat nieuwe collega’s in principe geen havo-klassen krijgen. Met name oudere, zij-instromende leraren knapten daar voorheen vaak op af.”
“Er zijn scholen die aan het begin van havo 4 eerst een week of vijf alles herhalen, zodat iedereen – zittenblijvers, doorstromers, vmbo-instromers – dezelfde taal spreekt.”
Juliette Vermaas, onderzoeksleider IVA
Tijdsbeeld
Voor de commissie-Dijsselbloem evalueerde het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) de invoering van de tweede fase in de bovenbouw. Geconcludeerd wordt dat het aantal havo-gediplomeerden is gedaald vanwege de afgenomen instroom uit de mavo. Bij de havo ‘blijft het aantal leerlingen achter vergeleken met de situatie voor de invoering van de tweede fase’, aldus de onderzoekers. De doorstroom van havo-gediplomeerden naar het vwo is ‘zeer sterk gedaald.’
Over de doorstroom van vmbo-gediplomeerden is havo-decaan Sander van Oosterwijck van de Katholieke Scholengemeenschap in Etten-Leur niet ontevreden. “Dat is en blijft 10 procent, gewoon een klas van 25 leerlingen per jaar.” De resultaten zijn wisselend. “Het is een pittige overstap, dat maken wij de leerlingen van tevoren ook duidelijk.” De doorstroom van havo 5 naar vwo 5 is gering: vijf tot acht leerlingen per jaar.
“Een aantal jaren terug is de politieke keuze gemaakt dat de ‘koninklijke weg’ de kortste weg moet zijn”, zegt Hetty Mulder, programmamanager tweede fase bij Stichting Leerplanontwikkeling (SLO). “Dus vmbo-mbo en eventueel hbo, en niet vmbo-havo. Door de aansluiting van profielen en vakkenpakketten is die overstap een paar jaar geleden veel en veel moeilijker geworden. Met de nieuwe examenprogramma’s voor havo is doorstromen weer wat makkelijker. Volgens mij gaat het nu weer een beetje de andere kant op. Dat is met name voor jongens, die vaak laatbloeiers zijn, niet zo slecht.”
Dat er voor docenten veel meer bij komt kijken dan puur lesgeven, heeft Mulder ook zelf ervaren. Als mentor jaren terug op havo/vwo had ze een groep met 24 leerlingen, waarvan er tien een normale thuissituatie hadden. “Bij de anderen er allemaal wat aan de hand. Je kan niet zeggen: negeren en verder met de les. Je moet er wat mee.”
Net als de leerkrachten in de documentaire van Schmidt en Doebele. Tijdens een themaweek over het onderwijs vorig najaar stond hij opnieuw op het documentaireprogramma. Afdelingsleider Plooijer vindt de zestien jaar oude film nog altijd actueel. “Veel is nog steeds zo. Het enorme verschil tussen thuis en school. De manier waarop docenten met hen omgaan, van extreem meegaand tot hard als een spijker. Als je die documentaire opnieuw bekijkt, geeft hij nog altijd een aardig tijdsbeeld.”
{noot}
Beter inspelen op havo-leerlingen, IVA Beleidsonderzoek en advies, december 2007 http://www.iva.nl/srcPub.php?pubID=1501
Verschil moet er wezen, SLO, over verschillen tussen havo- en vwo-leerlingen in de tweede fase, april 2006
http://www.slo.nl/themas/00104