• blad nr 5
  • 8-3-2008
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Academici

In de Volkskrant lees ik over een universitaire opleiding tot leraar basisonderwijs. Die moet het niveau van de mensen in de klas omhoog brengen. Mooi, zo op het eerste gezicht dan. Even doormijmeren brengt me echter bij haar, een van mijn betere oud-studenten.
Na een tweedegraads bevoegdheid studeerde ze economie aan de universiteit. Daarna wilde ze haar eerstegraads onderwijsbevoegdheid halen. Zo kwam ze bij mij. Als ik het druk had, mijn college matig had voorbereid en deed wat managers en politici altijd doen; zelfverzekerd kletsen in algemeenheden, dan liet ze me daar niet mee wegkomen. Bits wees ze me op de gelezen literatuur. Daar stond toch echt iets anders. Waarna ik weer wist dat in de dagelijkse praktijk gelukkig nog steeds één wet geldt: niks voor niks. Haar eindopdracht was een onderzoek naar teruglopende rekenvaardigheden en de gevolgen daarvan voor het economieonderwijs. Het artikel is ruim voordat het ‘realistisch rekenen’-debat de dagbladen haalde, gepubliceerd in een vakblad. Daarna stopte ons contact, totdat ze me onlangs mailde.
Ze heeft ontslag genomen. Na jaren van studeren naast haar werk, intrinsiek gemotiveerd en zelf gefinancierd, eiste ze respect voor die inspanning. En dat deed ze bepaald met mate. Want het ging haar niet om geld. Ze wist dat de functiewaardering een hoger salaris als beloning voor haar vakinhoudelijke vooruitgang onmogelijk maakte. Maar het voortdurende gekoeieneer van omhooggevallen collegae, het systematisch niet luisteren naar haar argumenten, maakte voor haar de situatie uitzichtloos. Waar zij energie in stak, wie zij was, de schoolorganisatie waardeerde het niet. Sterker, de leiding vond haar vervelend, weigerde communicatie.
Even voor de duidelijkheid, dit is geen geïsoleerd incident. Ik werk een kleine tien jaar voor de universitaire lerarenopleiding. Van meer dan de helft van mijn oud-studenten weet ik dat zij het onderwijs inmiddels hebben verlaten. Hun verhalen hebben als rode draad: scholen zijn rare organisaties met eendimensionaal denkende baasjes, met bizarre prioriteiten.
Kijk, het voortgezet onderwijs kent traditioneel een sluimerende tegenstelling tussen onderwijzers en academici. Die is op zich vruchtbaar. De ambachtelijke leraar en de intellectueel kunnen van elkaar leren. Maar dan moet er getalsmatig wel een zeker evenwicht bestaan en juist dat is grondig verstoord. Nieuw personeel dat ook daadwerkelijk blijft hangen heeft een havo-verstand en een tweedegraads bevoegdheid. De hiërarchische organisatie bindt deze leraren door ze uit de klas te lokken. Na een paar jaar moeizaam lesgeven zetten ze projecten op, geven de vernieuwing een gezicht, begeleiden autisten en stromen door in het management, dat allang niet meer selecteert op verstand, maar op loyaliteit. Zo ontstaat een homogene groep, die met een door intuïtie gevoede waarheid de schoolcultuur domineert.
In gewoon Nederlands: het voortgezet onderwijs wordt geregeerd door de domme en de slimme vertrekt. Precies dat gegeven maakt me nieuwsgierig. Hoe zal dat in het basisonderwijs gaan? Ach, het antwoord is bekend. Die bijdehante academici worden na een spectaculaire entree even vlot weer uitgekotst.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.