• blad nr 11
  • 2-6-2001
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Het geheim van aap-noot-mies

Tekst: Annie Makkink

Ik weet nog hoe ze kwamen
toen ik klein was. De letters. (..)
Eerst apart, toen in juichende rijen,
de hele aap, de hele noot en een complete mies.
Een optocht was het, met fanfares
met veren en met wapperende jassen
en allemaal met kroontjes op,
herauten die plechtig spraken:
Ziehier de sleutel.
Tot wat?
Tot alles.
En zo was het.
Van Ot en Sien naar Jonathan Swift
en meer en meer,
de hele Bibelebontse berg,
een boekenleven lang.
(..)
Annie M.G. Schmidt

Aap-noot-mies. Ot en Sien. Vertrouwde figuren uit de leesmethode van Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra, met illustraties van Jetses. Op Annie M.G. Schmidt hebben ze een onuitwisbare indruk gemaakt. En niet alleen op haar, generaties kinderen hebben ermee leren lezen en vrijwel iedereen kent de figuren van de leesplank. Ook nu nog kom je ze regelmatig tegen, soms op plaatsen waar je dat niet direct zou verwachten.
Aap-noot-mies is een begrip, dat is duidelijk. Maar waarom? Wat is er zo bijzonder aan?

Ot en Sien
Zelf heb ik zonder aap-noot-mies leren lezen en eigenlijk vind ik dat nog steeds een gemis. Ook toen ik voor de klas stond was de leesplank niet aanwezig. Gelukkig, Ot en Sien waren er wel, al was dat eigenlijk illegaal. Dat ging zo.
'Daar sta je dan, amper 21 jaar oud, voor een klas met 42 kinderen, waarvan ruim de helft afkomstig is uit voormalig Nederlands-Indië. Ze spreken nauwelijks Nederlands en wonen in overvolle pensions langs de Hoofdstraat. Ik kom er graag. (Juffrouw, is mijn zoon leergierig? Wilt u lonteng proeven? Kopi tubruk? Ach juffrouw, het is hier zo koud.)
We lezen over Ot en Sien, zingen van de vogel Kakatu en tellen in het Maleis. Het is gezellig, vrolijk, warm. Dan komt Abdullah: broodmager en zwijgzaam, met een verre, omfloerste blik in zijn grote bruine ogen. Abdullah is anders, hij lacht nooit en doet nauwelijks mee. Tekenen doet hij wel, steeds hetzelfde: de zon, een palmboom, een bloot jongetje. Vaak komt hij niet opdagen. "Zijn moeder is ziek", zeggen de kinderen, "sakit gila" (gek). Na een paar weken komt hij helemaal niet meer. "Zijn moeder", fluisteren de kinderen, "mati" (dood). Ze huiveren, raken me aan, hun ogen groot van schrik. We pakken ons boek en lezen van Ot en Sien.
Abdullah gaat verhuizen. Op het prikbord hangt nog een tekening: de zon, een palmboom, een bloot jongetje. Wij lezen verder van Ot en Sien.
De inspecteur komt langs en knikt goedkeurend. Alleen die boekjes van Ot en Sien, dat kan niet meer, die zijn totaal verouderd. Er komen nieuwe boeken, met korte verhalen. Zoals over een jongetje dat niet uitkijkt bij het oversteken, onder een auto komt en naar het ziekenhuis wordt gebracht. En dan staat er, cursief gedrukt: Toen hij terugkwam had hij een houten beentje. "Wij willen liever van Ot en Sien", zeggen de kinderen. Ik ook. De nieuwe boeken blijven in de kast.
Bijna dertig jaar later wordt 'Het boek van Ot en Sien' opgenomen in de canon van 'De allermooiste boeken voor kinderen' (De Bijenkorf, 1990). Daar staat het volgende: 'Men schaft het aan om de onovertroffen plaatjes van Jetses, en heeft dan al voorlezend onverwacht literatuur op schoot. De talloze simpele, uit het kleuterleven gegrepen verhaaltjes uit onze eigen tijd verbleken naast het meesterwerk van Ligthart en Scheepstra. Zo weinig lettergrepen per woord, zulke geringe wederwaardigheden en toch ontstaat uit bijna niets authentieke spanning en ontroering. Een slak in de tuin! Poes plagen! Trui1s nieuwe springtouw! Het is alles tijdloos en van hetzelfde levensbelang als wanneer het je eigen kind overkomt.'
Alsnog krijgen mijn kinderen gelijk.

Literatuur
Literatuur? Is dat het geheim van Ot en Sien? En hoe zit dat dan met aap-noot-mies? Zeker, de woorden van de leesplank zijn zorgvuldig gekozen en gerangschikt, maar om dat nu literatuur te noemen? De dichter Cees Buddingh1 vindt van wel, zonder blikken of blozen schrijft hij het volgende gedicht:

aap
noot
mies

wim
zus
jet
teun
vuur gijs
lam kees bok

weide
does
hok duif schapen

Zo’n reeks heeft iets betoverends, iets bezwerends, zoals dat ook het geval is bij klassieke kinderliedjes. Iene, miene, mutte. Tien pond grutten. Olleke bolleke rubisolleke. Olleke bolleke knol. Edelman, bedelman, dokter, pastoor, koning, keizer, schutter, majoor. Het lijkt magie, tovertaal, maar is het daarmee ook poëzie?
Volgens De Roder (1999) kan zo'n reeks woorden heel goed als een gedicht ervaren worden. Het gaat bij poëzie niet zozeer om de betekenis, als wel om de klanken, het ritme, de beweging. Een gedicht heeft een muzikaal karakter, het nodigt uit tot herhaling, tot hardop lezen en uit het hoofd leren. Het lezen van een gedicht is een bijna lijfelijke ervaring en dat is geen wonder, want de oorsprong van taal en dus ook van poëzie ligt in het ritueel.
In Indonesië vroeg iemand mij: "Bedum, Stedum, Loppersum, Appingedam, Delfzijl. Apa artinya?"(Wat betekent dat?). Het antwoord was niet moeilijk: "Net zoiets als: Bali, Lombok, Sumba, Sumbawa, Flores, Timor."
Waarom onthouden mensen zoiets? Omdat het, net als aap-noot-mies, poëzie is. Klank en ritme, een muzikaal karakter, hardop zeggen, uit het hoofd leren, het zit er allemaal in.
Aap-noot-mies, Ot en Sien, allemaal literatuur. Dat is natuurlijk geweldig, en zeker voor zoiets nuttigs als een leesmethode. Maar is het ook effectief? Leren de kinderen zo ook werkelijk lezen, want daar gaat het toch uiteindelijk om.

Leren lezen
Tegenwoordig wordt lezen gezien als een proces dat zowel van onderop als van bovenaf wordt gestuurd.
Van onderop. De aandacht is gericht op het verklanken 'wat er staat'. Geschreven/gedrukte woorden worden 'letterlijk' omgezet in gesproken woorden.
Van bovenaf. De aandacht is gericht op het begrijpen 'waarover het gaat'. Woorden krijgen betekenis, vorm krijgt inhoud.
In het begin ligt het accent op letterlijk lezen. Vrijwel alle energie is nodig om te verklanken 'wat er staat'. Met rode oortjes luistert het kind naar de klanken en woorden die het leest, want lezen in het begin is niet zozeer een kwestie van what you see is what you get als wel van what you HEAR is what you get. Het kind leest zichzelf voor: hardop, met herhalingen. Het lijkt wel poëzie. De dichters weten er dan ook alles van, verrast luistert Jan Hanlo naar zijn kleine zoon:

Een paal! Een paal! zo las het kind.
O Nederlandse taal.
Wat zijt gij schoon, wat zijt gij mij bemind.

Zoals nu iemands kleine zoon,
Een leerling van de eerste klas,
uw woorden en uw klanken las.

Jan Hanlo

Het lezen 'wat er staat' is een moeizaam proces. Teksten voor beginnende lezers moeten heel direct en toegankelijk zijn en ook dan nog is zo'n eerste leesboek 'een veeleisende roman.'

Wanneer zij tekens gaan verbinden
met dingen die zij hebben, pop en lip,
of kennen, man en lam, zie ik
hoe ernstig ze verzinken
in de veeleisende roman, Ans eet.
Eet Kees?
(..)

Ed Leeflang

Geleidelijk aan ontstaat er een zekere routine, het lezen 'wat er staat' verloopt min of meer vanzelf, er komt steeds meer aandacht vrij voor het begrijpen 'waarover het gaat': de betekenis van woorden, zinnen, het verloop van het verhaal, de bedoeling van de schrijver.

Lezen is draadjes draaien. Een woord
Is een grote klos met grijpbaar touw.
Eerst de losse letters. Dan draait dat
Sneller, zinnen komen van de spoel.
Kabels rollen. Touwen vertelsels
En draden dromen binden me vast.

Thomas Lieske

Maar ook bij de ervaren lezer blijft het gesproken woord ergens in het achterhoofd mee resoneren (Perfetti, 1985). Teksten die goed in het gehoor liggen, worden beter onthouden, iedere schrijver die gelezen wil worden zou daar zijn voordeel mee kunnen doen.
Niemand beschrijft de ontwikkeling van het leesproces zo helder en overtuigend als Stanovich in zijn artikel 'Romance and reality' (1993). Desondanks is er in de VS nog steeds een strijd gaande tussen aanhangers van phonics (verklanken) en de context driven approach (begrijpen). De uitgevers varen er wel bij, want hoe ingewikkelder je het allemaal maakt, des te meer materiaal kun je op de markt brengen. Leesboeken, werkboeken en vooral veel handleidingen, loodzware handleidingen.
Hoogeveen c.s. daarentegen onderkenden al heel vroeg het belang van beide benaderingen en in de keuze van het materiaal is dat terug te vinden. Voor het letterlijk lezen 'wat er staat' ontwierpen ze de leesplank met plaatjes en losse woorden. Om te begrijpen 'waarover het gaat' kwam er een vertelplaat met een overzicht van de personages en situaties.

De leesplank
Die woorden, daar is goed over nagedacht. Het zijn zogenoemde normaalwoorden, dat wil zeggen ze zijn klankzuiver en geven een eenduidige oriëntering op de relatie tussen letters en klanken.
De leesplank geeft een zo volledig mogelijk overzicht, met onderaan een balk om nieuwe woorden te maken. Om te lezen Rwat er staat1 hoef je die woorden niet eens te begrijpen. Je moet 'luisteren naar de geluiden die de letters maken', dan kun je lezen wat er staat. Zo simpel is de regel (in het begin is dat voor kinderen nog lastig genoeg.) Geen mystificaties, geen flauwe verhalen, maar rechtstreekse instructie van het hoe en waarom. Voor anderstalige kinderen een hele opluchting, voor hen is lezen Rwat er staat1 niet veel moeilijker dan voor de anderen.
scha-pen is een uitzondering op de regel, vandaar het streepje boven de letter a, weide heeft een kleine e, vanwege de stomme klank. De stip op de o van bok, omdat die anders klinkt dan de o in hok is wel wat overdreven.
Aan alles is gedacht, toch blijven er raadsels. Hofland (1991) kijkt met gemengde gevoelens naar het leesplankje. 'Alles is oer-inheems, alles is door de kinderen al honderd keer gezien. (..) Alles, behalve die met de muts zwaaiende aap op het dak. Was dat bedoeld om de kinderen duidelijk te maken dat onderwijs zo erg niet is? Ik heb het altijd opgevat als een geforceerde poging tot vrolijkheid en grappigheid.1
Die aap is inderdaad een vreemd element en Hofland is niet de enige die er een hekel aan had. Op de klassikale leesplank bij mij thuis staat een blinde aap, iemand heeft hem met voorbedachten rade beide ogen uitgeprikt. Toch ligt het nogal voor de hand om met aap te beginnen, want dat gebeurde immers al eeuwenlang met het befaamde: 'A is een aapje'. Er is echter een essentieel verschil. Bij de leesplank geldt: /aa/ /p/ is /aap/ en dat is een aanmerkelijke verbetering, want 'A is een aapje' mag dan goed klinken en van grote literaire waarde zijn, als je wilt leren lezen schiet je er niet veel mee op. Integendeel, je wordt vakkundig op het verkeerde been gezet.
Dus '/aa/ zegt de aap en eet uit zijn poot'. En wat eet hij dan? Een noot. Het woord mies lijkt niet zo'n goede keuze. Anderstalige kinderen denken al gauw dat het 'kat' betekent. Het droste-effect van wim met het leesplankje waarop hij zichzelf ziet, is leuk bedacht. Maar waarom twee honden, een witte keeshond en zo'n rare, opgeknipte zwarte poedel?
En oma, wat zegt zij van dit alles? Oma is ver in de tachtig en wordt behoorlijk dement, maar hoe ze heeft leren lezen weet ze nog precies: "Elke letter heeft voor mij een eigen kleur, de letter aa heeft iets roods, de ie is een beetje gestreept en de u is voor mijn gevoel wit. Ik weet ook wel waarom. Dat komt omdat de aap op de leesplank een rood jasje aan heeft, de poes Mies is grijs met wit gestreept en zus draagt een wit jurkje."
Krijgen klanken een kleur? Die Jetses, hoe kreeg hij dat voor elkaar? Zijn illustraties zo belangrijk? En zouden de verhalen en beelden uit je kindertijd het langste blijven hangen? Een reden te meer om daar veel zorg aan te besteden.

De vertelplaat
De vertelplaat geeft een beeld van het knusse dorpsleven van voor de Eerste Wereldoorlog. Alle figuren van de leesplank zijn er op terug te vinden, alles heeft zijn plaats. Afgezien van die aap is het allemaal zo oer-Hollands. Niks kleurrijk Nederland, niks multicultureel. Toch zijn de sfeer en de situaties herkenbaar en vertrouwd, ook voor kinderen uit andere culturen. Misschien zijn bepaalde beelden wel universeel, net als de verhalen van Ot en Sien.
Op Kees Nieuwenhuijzen (1991), een grafisch ontwerper, heeft de plaat in ieder geval een bijzondere indruk gemaakt. Hij vertelt een bizar verhaal over 'Weide', een van de platen van de leesplank. ('Weide' is wezen stappen in 'het dorp aan de horizon' en gaat nu weer naar huis.)
Buiten gekomen dacht hij: Ik word een beetje moe, ik zou wel een beetje willen slapen. Even overwoog hij om daarvoor naar de kerk te gaan, maar liever ging hij terug: lekker liggen waar hij altijd gelegen had. Het was verder dan hij dacht, want rechtstreeks ging niet door de paardenpils. Maar goed, eindelijk lag hij weer daar. "Zo, ben je er weer", zei Bok gemelijk. "Even wezen stappen", zei Weide, "je weet wel. Zeg Bok, wist jij dat wij buiten zijn?" "Lig niet te mekkeren", antwoordde Bok, "daar houd ik niet van. Ga jij nou maar slapen, ik barst van de honger.2
Maar daar kwam Schapen al. "Waar was je nou Weide?", riep Schapen. "Weide, waar bleef je?" 'Weide', dacht hij, 'Weide', en viel gelukkig weer in slaap.'
En dan opeens in een flits herken ik de honden Does en Kees. Natuurlijk, ze horen bij de man met de baard en de veer op zijn hoed en bij de aap met het rode jasje. Het zijn oude bekenden uit het boek 'Alleen op de wereld'. Brandend van nieuwsgierigheid zoek ik de betreffende passages op. En ja hoor, het kan niet missen, want dit staat er over Vitalis: "Vlak tegenover me in de hoek zat een forsgebouwde grijsaard met een lange, witte baard en heel vreemd gekleed. Van onder zijn grote, grijs-vilten hoed, met groene en rode veren versierd, vielen de lange haarlokken tot op zijn schouders neer.1
Over de honden: 'Onder zijn stoel lagen drie(!) honden, een witte poedel, een zwarte does en een klein, grijs schoothondje met een slim en zachtaardig snuitje.'
En over de aap: 'Zo'n vreemd diertje had ik nog nooit gezien. Ik bekeek het met verbazing. Het had een rood buisje aan met vergulde biezen afgezet. Maar zijn armen en benen waren bloot.'
Teun. Aap. Kees. Does. Ze verwijzen naar Vitalis met het aapje Joli-Coeur en de honden Capi en Zerbino. Of zie ik dat verkeerd?

De handboeken
Het handboek is zeer beknopt en telt slechts 150 pagina's. Heel wat minder dan de zwaargewichten van tegenwoordig. Dat kan omdat de leerkracht als de deskundige wordt gezien die verantwoordelijk is voor het onderwijs. Ook de kinderen worden serieus genomen, getuige het volgende voorbeeld.
Er zijn drie ramen in de muur. "Rammen", leest de jongen. "Maar Jan, hoe dom! Er zitten toch geen rammen in de muur, wel? Wat zijn dat daar? Zijn dat rammen?" "Nee, Meester, ramen." "Mooi lees nu 't zinnetje nog eens." En meester is zeer over zichzelf voldaan, omdat hij 'zoo heuristisch' het kind tot de juiste uitspraak van het woord heeft gebracht.
Maar de denkende leerling peinst: 'Daar staat niet raa-men, daar staat ra (korte a) ­men. En rammen is ook een woord met betekenis. 't Laatste woordje 'muur' bederft eigenlijk de zaak (..)'
Vervolgens wordt verteld hoe de leerkracht de uitzonderingen op de hoofdregel aan de orde kan stellen. Volgens Hoogeveen is het van essentieel belang dat kinderen hun vertrouwen in het systeem niet kwijtraken, want het gaat er niet alleen om dat ze leren lezen, het gaat ook om het leren denken. En hiermee was Hoogeveen zijn tijd ver vooruit. In 1974 verschijnt een artikel van A.D de Groot, waarin hij het leerproces beschrijft als het leren van regels en uitzonderingen over de wereld en over jezelf. En hij laat het belang zien van fundamentele ervaringen. Dat artikel zelf was voor mij een fundamentele ervaring, niet eerder had ik op die manier tegen onderwijs aangekeken. Eigenlijk zou het nu nog verplichte literatuur moeten zijn op elke lerarenopleiding.

Leesboeken
De eerste leesboekjes bij de methode vallen eerlijk gezegd wat tegen. De illustraties van Jetses zijn prachtig, sfeervol en warm, maar de verhaaltjes zijn nogal houterig en plichtmatig. Natuurlijk, vooral in het begin zijn er allerlei beperkingen, maar dan nog had het beter gekund. Meer aandacht voor klank en ritme, meer uitnodigend tot herhalen, tot hardop lezen. Kortom, meer poëzie. Misschien is het te veel het product van een werkgroep en dat maakt het allemaal wat afstandelijk en onpersoonlijk. De stem van de schrijver, de dichter ontbreekt en dat wreekt zich.
Maar dan, als het kind de eerste beginselen onder de knie heeft, komen Ot en Sien. Hier heeft Scheepstra (de eigenlijke schrijver, en niet Ligthart) meer de vrije hand gehad en ondanks de korte zinnen is de sfeer meteen anders: warm, intiem en persoonlijk. Zoals in het verhaal ROt met poes1. Het woord Rverveling1 mag waarschijnlijk nog niet gebruikt worden en ondanks die beperking (of misschien wel dankzij) levert dat een mooie tekst op. Een tekst die mij doet denken aan RDe avonden1 van Gerard Reve, waarschijnlijk heeft ook hij Ot en Sien gelezen. Het is lijfelijke taal, met veel dialogen en actie. Verhalen die uitnodigen tot nadoen, naspelen en veel mogelijkheden om kennis van de wereld te vergaren. Over een spin, een kikker, een slak. Over poppetjes knippen, een tent maken en koekjes bakken. En af en toe een gedichtje.
Geen kritiek? Toch wel. Er valt weinig te lachen, geen enkel grapje en nooit dikke pret. Het is allemaal nogal braaf en 'dicht bij huis'. Maar of dat een bezwaar is? Misschien is het lezen op zich al spannend genoeg en hoeven al die avonturen niet zo nodig. Wel storend is de moeder, die te vaak in beeld komt om zich te nadrukkelijk van haar opvoedende taak te kwijten. Maar wellicht is dat persoonlijk. Voor anderen is die voortdurende aanwezigheid misschien juist een veilig gevoel.
In navolging van Ot en Sien schreef Annie Schmidt haar eigen variant: het onvolprezen 'Jip en Janneke'. Verhalen waarmee Kader Abdollah, schrijver uit Iran, de Nederlandse taal leerde. Hij schrijft daarover:
'Haar proza. Haar humor. Haar stijl. Haar scherpe manier van kijken en mijn dorst naar de Nederlandse literatuur dwongen me om naar haar te zoeken. Ik belde niet, maar klopte op haar deur, (..) ik overhandigde haar de herfstbloemen, zij bracht haar gezicht naar voren. Haar grijze hoofd stond scheef voor me. Met aarzeling zette ik een kus op haar oude koninklijke wang.'
Een schoolhoofd verzucht: 'Hoe aardig de leesboekjes van nu er ook uitzien, het is nog maar de vraag of ze het niveau halen van de boeken van vroeger. Die van Hoogeveen, Ligthart en Scheepstra met de prachtige tekeningen van Jetses: De eerste zes leesboekjes, Nog bij moeder (Ot en Sien), Buurkinderen, Dichtbij huis, De wereld in. (..) Boze tongen beweren zelfs dat met het terzijde schuiven van de methode-Hoogeveen het leesonderwijs een gevoelig verlies heeft geleden.' (Over kinderboeken, 1986).
In 1991, dus bijna 100 jaar na het verschijnen van de eerste uitgave, gaan er in de Amsterdamse raad serieuze stemmen op om het leesplankje weer in te voeren. Op een aantal scholen in de binnenstad zijn de leesresultaten bijzonder slecht, er is een overvloed aan materiaal, dat wel, maar de samenhang ontbreekt. Het onderwijs is chaotisch, de kinderen zijn onrustig en snel afgeleid. Rust en orde, dat moet er komen en daar moet de methode-Hoogeveen voor zorgen. Als argument voert de gemeenteraad aan: RDe ouderwetse leesmethode is een experiment in het moderne kader van de sociale vernieuwing.1
Als je zo'n zin hoort besef je hoe slecht het er in Amsterdam voorstond met het taalleesonderwijs. In 1995 besloot een school in het Groningse Niewolda de leesmethode-Hoogeveen te vervangen door De leesbus, mijn leesmethode. Jazeker. En daarmee was het tijdperk-Hoogeveen afgesloten.

De leesbus
Met De leesbus wilde ik een 'hele mooie' leesmethode samenstellen, voor alle kinderen van kleurrijk Nederland, taakgericht en uitnodigend, en met eenzelfde uitstraling als de methode aap-noot-mies. Het zal dan ook niemand verbazen dat er in De leesbus een aantal elementen zit die ook bij Hoogeveen te vinden zijn, zoals een vertelplaat met gedicht: 'De stad aan de rivier':

Dit is de stad aan de rivier
Hier wonen Kim en Niek
Zie je de huizen en de haven,
de brug de koekfabriek? (..)

De kinderen zijn er altijd buiten.
t Is altijd lekker weer,
Want elke dag schijnt daar de zon.
Nou ja, zo ongeveer. (..)

En ik zweef met mijn luchtballon,
hoog boven de rivier.
Ik ken hier ieder plekje,
elk huis, elk mens, elk dier. (..)

Wat ligt daar op de heuvel?
Is dat de bal van Kim?
die mag ze niet vergeten,
want ze moet zo naar gym.

Met het verhaal van Hasan die de vlieger oplaat worden de eerste drie letters aangeboden: k i m. Ze zijn al bekend uit het boek 'Kijk mijn letter':

i dat ben ik/mijn naam is kim/ik ben niet dik/ik zit op gim
k is de klapstoel/ik kijk in een boek/dan pak ik de kom/dan bak ik een koek/
m is van melk/ m met mijn mond/ melk vind ik lekker/melk is gezond

Met behulp van de letterblokken wordt het leesproces tastbaar, je krijgt het woord letterlijk in je vingers en al doende leer je lezen: k/ i/ m/ --> /kim/
Hoewel je nog maar drie letters kent kun je al een echte zin lezen: ik § kim. En zo kom je er achter wat anderen denken en voelen, een mooie start van het leesonderwijs. Je stempelt een rijmpje: ik mik, en ook daar kun je best een beetje van genieten.
Ook is er in De leesbus veel aandacht voor mooie verhalen, verhalen die uitnodigen tot herhaling, tot hardop lezen en uit het hoofd leren. Vanaf het allereerste begin lees je niet alleen om te leren lezen, maar ook om kennis van de wereld te vergaren, om te lachen en te huilen, om te genieten van een zin, om getroost te worden. En om een nieuwe taal te verwerven. En wie weet, misschien brengen die verhalen, gedichten en illustraties een of andere ordening aan in de chaos van de werkelijkheid (De Vos, 1994).
In 1998 verschijnt bij uitgever Querido 'Helden op sokken', een boek voor jonge lezers, waarin 'alles' staat wat een zesjarige moet weten en kunnen. Mede dankzij het essay van De Roder besef ik nu waarom dit boek geschreven moest worden zoals het geschreven is. Het gaat bij 'Helden op sokken' niet zozeer om de betekenis, als wel om de klanken, het ritme, de beweging. Het verhaal nodigt uit tot meedeinen, meedoen, meezeggen. De kinderen raken betrokken bij het verhaal, hun hele lijf luistert mee. Voorlezen en vertellen leidt als vanzelf tot theater, tot rituelen, met alle gevolgen van dien (Makkink, 2000).
Is dat dan zo belangrijk, die betrokkenheid, die beleving? Nou en of. Kinderen moeten gehecht raken aan de wereld waarin zij wonen en aan de taal die daar wordt gesproken. Niet alleen het gezin, ook de school drukt daar een stempel op. Voor sommige kinderen is dat zelfs een van de weinige plaatsen waar ze zich echt thuis voelen. Een rustpunt in een onzeker bestaan, met een aardige juf, een sfeer van vertrouwen, een gevoel van saamhorigheid. Daar hoort een goede leesmethode bij, taakgericht en uitnodigend. Een methode waarmee kinderen leren lezen en waarmee ze blijven lezen. Met een sfeer waardoor kinderen met een verschillende culturele en sociale achtergrond zich aangesproken voelen. Met verhalen en beelden die een blijvende indruk achterlaten. Een methode als aap-noot-mies.
Is dat overdreven? Nee, zeker niet. Brieven van kinderen laten zien dat ik me niet vergis. Hun reacties zijn overtuigend en ontroerend: 'Mijn school is een leesbus'. Het lijkt wel poëzie.
En hoe staan de zaken in het onderwijs er nu voor? Zien inspecteurs en andere autoriteiten inmiddels het belang van literatuur? Of hebben ze daar nog steeds geen oor voor?
En die helden op sokken, wie zijn dat eigenlijk? Dat is een ander verhaal, dat moet een andere keer maar eens verteld worden. Door iemand anders.

Literatuur
K. Abdollah, Mirza. De Geus, Breda, 1998.
B. Boonstra e.a., De allermooiste boeken voor kinderen. Magazijn de Bijenkorf, 1990.
A.D. de Groot, Over fundamentele ervaringen; prolegomena tot een analyse van gesprekken met schakers. In: Pedagogische studiën, juli/augustus 1974, nr. 51.
M.B. Hoogeveen, Handleiding voor het aanvankelijk leesonderwijs. J.B. Wolters, Groningen, 1917.
H.J.A. Hofland, Ot en Sien. In: NRC Handelsblad, 17 september 1991.
J.Ligthart en H. Scheepstra. Nog bij moeder, J.B. Wolters, Groningen, 1963.
J. Linders-Nouwens e.a., Over kinderboeken. Teleac, NBLC, 1986.
A. Makkink, Helden op sokken. Querido, Amsterdam, 1998.
A. Makkink, Een mooi verhaal. In Het Onderwijsblad 18, 2000.
H. Malot, Alleen op de wereld. Kramers, Den Haag, 39ste druk.
K. Nieuwenhuijzen, Weide. In: Raster, 1991, nr. 56.
C.A. Perfetti, Reading ability. Oxford University Press, New York, 1985.
J.H. de Roder, Het schandaal van de poëzie. Over taal, ritueel en biologie. Vantilt/De wintertuin, Nijmegen, 1999.
K.E. Stanovich, Romance and reality. In The Reading Teacher, volume 47, december 1993/januari 1994, nr. 4
M. de Vos, De reden om te lezen. In: NRC Handelsblad, 15 augustus 1994.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.