• blad nr 21
  • 1-12-2007
  • auteur N. van Dam 
  • Redactioneel

Minimum voor literaire schrijvers is maximum voor educatieve auteurs 

Ploeteren voor twee euro per uur

De educatief auteur is meestal een leraar met bijbaan, die een percentage van de verkoopprijs betaald krijgt. In de kleine afzetmarkten betekent dat vaak een fooi, terwijl vele avonden, weekenden en soms vakanties opgaan aan het schrijfwerk. “Om daar nou je huwelijk voor op het spel te zetten.”

Willem Berents, voorzitter van de vorig jaar opgerichte Vereniging van Educatief Auteurs, opereert al zo’n vijftien jaar als schrijver van lesmethoden en maker van educatieve video’s. Anders dan de overgrote meerderheid van de leden is hij nooit leraar geweest. Hij is begonnen bij een uitgeverij, voordat hij zelfstandige werd. “Dat is uitzonderlijk, want ik schat dat meer dan negentig procent van de educatief auteurs leraren zijn die het erbij doen.”
Niemand weet hoevelen bezig zijn met het vervaardigen van lesmateriaal. Berents heeft schattingen gehoord tot zesduizend. “En nog hebben uitgeverijen moeite mensen te vinden als zij nieuwe materialen op de markt brengen. Zij zoeken in de scholen, maar niet iedereen kan het.”
De markten verschillen per onderwijssector. In het basis- en voortgezet onderwijs opereren de grote uitgeverijen meestal met teams die langdurig gezamenlijk schrijven. Als het laatste deel van een serie is verschenen, komt de herziening al weer in zicht en begint het hele circus van voren af aan: lesboeken, werkboeken, tegenwoordig meestal cd’s, antwoordenboeken, docentenhandleiding. In het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en ook voor de beroepsgerichte vakken van het vmbo zijn vaker individuen aan het werk, die eerst in hun eigen school iets ontwikkelen. Bij gebleken succes komt de uitgever erbij om het in boekvorm op de markt te brengen.

Steeds meer eisen
Hogeschooldocent Johan Peeters die een reader omwerkte naar een studieboek: “Bij een reader hoef je de rode lijn niet vooraf op papier te zetten, die breng je er automatisch in tijdens je lessen. Bij gebruik door anderen moet je dat vooraf helemaal uitschrijven. Ik heb bijvoorbeeld veel artikelen van anderen vervangen door eigen teksten. Het is eigenlijk een nieuw boek geworden.”
Wrang in zijn geval is dat hij al dit schrijfwerk drie jaar lang in samenspraak met een uitgever deed, die steeds meer eisen stelde. Uiteindelijk zag deze toch van de uitgave af. “Dat dat zo maar kan vind ik onbegrijpelijk, onfatsoenlijk.” Een andere uitgever zette de stap wel, eind november is het gepresenteerd.
Tom van der Geugten heeft ruime ervaring als deelnemer aan een team. Als leraar geschiedenis in het voortgezet onderwijs was hij altijd al ontevreden over de boeken waarmee hij geacht werd te werken. Min of meer toevallig trof hij in de jaren zeventig een auteur die versterking zocht voor een methode die wèl bij zijn ideeën aansloot. “Als een soort tovenaarsleerling ben ik bij hem in de leer gegaan, want het is echt een vak, een ambacht.”
Inmiddels is hij al lang vakdidacticus aan een lerarenopleiding, maar nog steeds doet hij het auteurschap erbij, naast zijn fulltime onderwijsbaan. “Je moet bereid zijn je schouders eronder te zetten. Maar het kan uit de hand lopen, en dan zit je af en toe een nachtje door te werken. Zo ben ik ook wel eens in de zomervakantie dagen achter elkaar achter de laptop gekropen, terwijl mijn gezin aan het strand zat. Dat doe ik niet nog eens.”
Sommige beginners haken af als zij merken hoeveel tijd en inspanning het werk vergt. Dat heeft dan weer gevolgen voor de andere leden van het team, die het vervallen deel van het schrijfwerk moeten overnemen. De vereniging heeft daarom onder andere als doelstelling de professionalisering van het beroep van educatief auteur. Op 8 december is een studiemiddag gewijd aan een competentieprofiel voor dit beroep.
Johan Peeters, auteur in het hbo, heeft ervaren dat zijn privéomgeving minder soepel reageerde op zijn bijbaan. Thuis ontstonden spanningen in de omgang met vrouw en zoon. “Als je echt aan het schrijven bent, neemt dat je volledig in beslag, je raakt in een flow. Je gaat je terugtrekken, je gedachten zijn voortdurend bij je teksten. Je praat wel mee tijdens het eten, maar je bent geestelijk afwezig.”

Mindere goden
De Vereniging van Educatief Auteurs, ontstaan met een subsidie van de Stichting Reprorecht, houdt kantoor in Amsterdam bij de Vereniging van (literaire) Schrijvers en Vertalers. Overeenkomst is dat schrijvers een wettelijk beschermd auteursrecht hebben: anderen mogen van hun teksten niet ongevraagd en onbetaald gebruikmaken. Het verschil tussen de leden van beide verenigingen is dat de letterkundigen hun auteursrecht vrijwel altijd behouden, terwijl de educatief auteurs het meestal kwijtraken. Beter gezegd: weggeven in de beginperiode als zij nog onervaren zijn. Berents: “In negen van de tien gevallen tekenen ze even een voorovereenkomst, een intentieverklaring heet dat ook wel. Die lijkt nog niet definitief, maar het zijn wel degelijk bindende afspraken, waardoor keihard in het contract staat dat de auteur afstand doet van auteursrechten.”
Met de GEU, de overkoepeling van de educatieve uitgevers, is de vereniging inmiddels in gesprek over deze overeenkomsten. Fiona Vening van de GEU noemt overdracht van auteursrechten onontbeerlijk als een heel team aan een methode werkt. “Dan zijn individuele bijdragen niet meer scheidbaar.” Om de continuïteit van een langlopende uitgave te waarborgen willen de uitgevers de collectieve verantwoordelijkheid van een team het liefst in één contract onderbrengen. Bij een korte levenscyclus en duidelijk scheidbare prestaties komt een licentie ook voor. Dan houdt de auteur zijn rechten, maar geeft hij de uitgever toestemming die (tijdelijk) te exploiteren.
Een ander verschil tussen de educatieve en de literaire schrijvers is de hoogte van de royalty’s, het percentage van de verkoopprijs van een uitgave dat de uitgever de schrijver betaalt. Topauteurs bedingen soms percentages van meer dan 20, de mindere goden krijgen minimaal 10 procent. Bij de educatief auteurs is 10 procent het maximum, 5 procent komt ook voor. Wanneer een team actief is, krijgt de ‘hoofdauteur’ meestal meer dan de anderen, die daardoor een afgeroomd percentage ontvangen.
De verdiensten kunnen verder tegenvallen doordat de uitgever eerst alle kosten aftrekt die gemaakt zijn om het boek te verkopen. Wie wat betaalt aan promotiekosten is een schimmig gebied. Een ervaren auteur zal bedingen dat hij of zij de kosten vergoed krijgt voor optreden in een promotiestand tijdens een congres. De onervaren auteur, die nog geen cent heeft gezien omdat de royalty’s pas achteraf worden uitgekeerd, zal voor eigen rekening deze promotietour ondernemen. Flopt de uitgave, dan is de schrijver helemaal de pineut, want dan krijgt hij geen royalty’s en heeft voor de promotie onvergoede kosten gemaakt.

Financieel risico
Berents kent hiervan voorbeelden die aan uitbuiting grenzen, al wil hij het niet zo noemen. “Excessen zijn er zeker. Iemand heeft eens uitgerekend dat zij voor twee euro per uur had gewerkt. Dan vraag je je wel af of je daarvoor je huwelijk op het spel moet zetten.”
Toch heeft hij enig begrip voor de opstelling van de uitgever: “Die neemt een financieel risico en ziet de relatie als een gedeeld ondernemerschap, waarbij de auteur dus ook risico loopt. Beiden de nadelen als het slecht gaat en beiden de voordelen als het goed gaat.” Het laatste komt regelmatig voor, al is dat meestal in het basis- en voortgezet onderwijs door de hoge oplages, in het beroepsonderwijs blijven de grote verdiensten meestal uit. “Hoe dan ook is in de relatie uitgever-auteur geen sprake van gelijkwaardigheid. De vereniging probeert hier iets aan te doen”, zegt Berents.
De vereniging heeft ook leden die heel anders over auteursrechten denken, zoals Yuri Matteman, die met zijn bureau De Praktijk onderwijsmaterialen voor de exacte vakken ontwikkelt. De Nationale Wetenschapsquiz, die de VPRO uitzendt, is een bekend voorbeeld, maar daarnaast is er maandelijks een sciencequiz voor basisonderwijs en voor onder- en bovenbouw in het voortgezet onderwijs, met enkele duizenden abonnees. “Dat is open content, waarvan iedere docent die zich aanmeldt gebruik kan maken, vrij van copyright.”
De Praktijk werkt niet op royaltybasis voor opdrachtgevers, maar laat zich per klus betalen. En die opdrachtgevers zijn soms uitgevers, maar meestal anderen, zoals de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Extraatje om eettafel van te kopen

De avonden, weekenden en soms vakanties van Wilma van der Westen gaan op aan haar educatief schrijverschap. Ze heeft een fulltime baan als senior beleidsmedewerker taalbeleid aan de Haagse Hogeschool. Daarnaast heeft ze enkele studieboeken op taalvaardigheidterrein voor het hbo en de volwasseneneducatie op haar naam staan.
“Bij mij gaat het meestal zo, dat ik eerst iets ontwikkel voor gebruik door mijn eigen studenten omdat ik geen geschikt materiaal kan vinden. Als mijn werkwijze succes heeft, komt er een uitgever.”
Het omvormen tot boek kost veel tijd. Dat deel van het werk vindt ze boeiend, omdat het appelleert aan haar creatieve kant: “Ik heb indertijd op de lerarenopleiding behalve Nederlands ook handvaardigheid gedaan.” Een enkele keer krijgt een boek een vervelend staartje. “Net toen ik het af had, werd bekend dat er een nieuwe spelling zou komen. Toen heb ik het weer helemaal moeten aanpassen, dat was niet leuk.”
“Wat een luxe”, verzucht ze over mensen die zich helemaal aan het educatief schrijverschap kunnen wijden. “Als het overdag borrelt, heb ik altijd een schrijfblokje liggen, waarin ik ideeën noteer voor materiaal dat ik kan gebruiken.”
Ze krijgt op royaltybasis betaald, dat wil zeggen 10 procent van de verkoopprijs van elk verkocht boek is voor haar. “Het bedrag dat je uiteindelijk ontvangt, staat in geen verhouding tot de geleverde inspanning. Ik heb mijn uurloon hiervoor nooit berekend, want ik denk dat ik daar niet vrolijk van word.”
Ze bekijkt de bedragen die van tijd tot tijd op haar rekening worden bijgeschreven als verdiende extraatjes: “Daar kan ik dan weer mooi een eettafel van kopen.” In haar geval is de groep potentiële kopers vaak nogal beperkt. “En je hebt altijd studenten die niet alle boeken van de lijst kopen, maar eerst afwachten of iets wel gebruikt wordt.”
De vraag is dan waarom ze het in hemelsnaam doet? “Een soort noodzaak. Ik wil graag iets scheppen, iets creëren. Ik zit nu al weer op iets nieuws te broeden.”
Als educatief auteur heeft ze inmiddels naam gemaakt in het uitgeverswereldje. “Ik ben wel eens gevraagd mee te werken aan een methode die door anderen was bedacht. Dan moest ik alleen een format invullen, dus daar heb ik nee tegen gezegd. Voor mij zit de lol in het pionieren en vernieuwen. En doordat ik nog altijd les geef, zie ik dat mijn werk effect sorteert.”

Geniepig zinnetje in contract

Als lerares biologie kon Agnes van Straaten niet aan het werk blijven, de geboden administratieve functie trok haar in het geheel niet. Ondanks vier kinderen en de huisartsenpraktijk van haar man aan huis, wilde ze wel blijven werken. Toen zag ze een advertentie van een uitgeverij. “Het was me op het lijf geschreven: samenvattingen maken van de examenstof biologie.” Van het een kwam het ander, de afgelopen vijftien jaar zagen diverse biologie- en gezondheidszorguitgaven het licht waarvan zij de (mede)auteur was.
“Op school kijk je huizenhoog op tegen instituten als uitgeverijen, maar toen ik er zelf voor werkte was ik verbaasd dat veel mensen met wie je te maken krijgt even amateuristisch zijn als jij. En dat bedoel ik niet zozeer negatief, meer als openbaring. Voordat een boek of een methode geschreven is, weten ze vaak ook niet goed waar ze aan beginnen.”
In het begin wist ze zakelijk van niets en werkte ze op royaltybasis, waarbij ze voor elk verkocht exemplaar een percentage van de verkoop kreeg. Eén keer pakte dat wel heel sneu uit. “Ik had twee jaar meegewerkt aan een methode biologie voor de basisvorming. Het eerste deel is nog op de markt verschenen, maar de uitgever vond de belangstelling te gering, zodat deel twee nooit is uitgebracht, terwijl het wel helemaal klaar was.”
Wat nog steeds steekt is de vergeefse energie. “Ik ben nog redelijk uitgekocht, doordat ik èn als eindredacteur èn als auteur had meegewerkt. Maar dat de uitgever van de ene op de andere dag kan zeggen: ‘We stoppen ermee’, dat is zo scheef. Er stond wel een geniepig zinnetje in mijn contract bleek later, maar toch. Twee jaar ploeteren weggegooid.”
Tegenwoordig werkt ze meestal op licentiebasis, waarmee voor een afgesproken aantal jaren het wettelijk beschermde auteursrecht aan de uitgever wordt uitgeleend. Van een (andere) biologiemethode kreeg zij onlangs de auteursrechten terug. De uitgever wilde er niet mee doorgaan. “Wij als auteurs vonden het niet terecht dat scholen die deze methode gebruiken, geen nieuwe bestellingen meer konden doen, zodat we nu bezig zijn de methode op internet te zetten.”
Het blijkt een enorme klus. Illustratoren moeten benaderd worden, want tekenaars en fotografen houden over het algemeen hun eigen auteursrecht. En de gebruikende docenten hebben vaak liever een papieren versie, zodat ook daarvoor regelingen getroffen moeten worden. En voorkomen moet worden dat leerlingen eindeloos gaan surfen als de biologieles op het scherm te veel links biedt. “Ik ben er bijna fulltime mee bezig, maar het is ontzettend spannend.”
Het aantrekkelijke van het auteurschap vindt zij dat je thuis kunt werken en op de tijden die je zelf kiest. “Veel ’s avonds, in het weekend en ook tijdens vakanties. Dan vind ik mezelf meestal niet zielig, want het is gewoon heel leuk werk.”

Concurrentiebeding raakt zelfs je pen

Al tijdens zijn lerarenopleiding in de jaren zeventig dacht Onno Kalverda als hij bestaand lesmateriaal zag: Dat kan beter. “Nog eigenwijzer, ik dacht: Ik kan het beter.” Dus verzorgde hij als leraar biologie altijd al eigen lesbrieven. Bij het Cito maakte hij vijf jaar lang examenopgaven. Een goede leerschool voor exact formuleren èn herformuleren, want het toetsinstituut test tot in het oneindige of de leerlingen de vraag begrijpen.
Na het Cito ging hij begin jaren negentig naast het leraarschap een dag in de week als educatief auteur aan de slag met een biologiemethode, die uiteindelijk bijna 70 procent van de vmbo-markt en bijna 60 procent van de havo-vwo-markt in handen kreeg.
Tegenwoordig heeft hij een eigen bedrijf, Educontent geheten. “Nu laat ik mij gewoon per opdracht betalen. Voor de meeste opdrachten schrijf ik een offerte en achteraf een factuur, maar momenteel schrijf ik ook weer mee aan een methode waarvoor ik te zijner tijd op royaltybasis betaald krijg.”
Kalverda heeft een aversie tegen het concurrentiebeding zoals dat in veel contracten staat. Dat kan volgens hem betekenen dat alles wat je doet of aanraakt meteen eigendom wordt van de uitgeverij: “Zelfs je pen. Ik heb wel eens een uitgever gehad die gepikeerd was dat ik voor een concurrerende methode iets had gedaan. Tja, als ze mij niet in dienst nemen, zal ik toch voor mijn eigen broodwinning moeten zorgen. Ik heb dat kunnen rechtbreien, maar een onervaren auteur zal altijd door de knieën gaan als zoiets in een eerste gesprek aan de orde wordt gesteld.”
Vorig schooljaar is hij weer begonnen met lesgeven. “Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Veertig uur per week in mijn eentje achter de computer is ook niet alles.”
Het contact met de dagelijkse schoolpraktijk, die tijdens zijn afwezigheid is verrijkt met petjes en iPods, zal zeker leiden tot aanpassingen van de lesmethoden waaraan hij meewerkt. “Soms lopen mijn eigen opdrachten niet goed, merk ik in de klas. En ik ben niet de slechtste leraar, dus hoe moet dat wel niet gaan met iemand die inhoudelijk minder sterk is en ook nog eens een ordeprobleem heeft?”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.