• blad nr 21
  • 1-12-2007
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

Besturen schuiven problemen af op personeel 

Aan de leuke dingen kom je niet meer toe

Overal worden de touwtjes strakker aangehaald. Besturen verhalen hun eigen problemen, zoals de 1040-urennorm, op het personeel. Dat blijkt uit de talloze verhalen van docenten met wie het Onderwijsblad sprak. Ze moeten tussenuren draaien, surveilleren en gaten opvullen. Het salaris is geregeld voor dit schooljaar, nu de werkdruk nog.

“Bij ons is dit jaar het aantal uren dat je moet invallen verdubbeld van 15 naar 25 bij een volledige aanstelling. Dat betekent dat je iedere veertien dagen een uur extra moet doen. Dan wordt er gezegd: ‘Ach joh, je zet ze toch aan het werk’. Maar als jij voor leerlingen de derde of vierde invaller op een dag bent, hebben ze hun huiswerk allang gemaakt. Dan kun je op je hoofd gaan staan - misschien is dat ook beter - maar dan hebben ze het helemaal gehad.”
Karen Hendrikx (1978) geeft vier jaar les op het Marnix College in Ede en ze heeft nu al ervaren hoezeer de werkdruk is toegenomen. Met een bijna volledige aanstelling werkt ze vijf dagen per week. Na een half uur praten over de verslechteringen op het werk concludeert ze: “Het vervelende effect is dat je de extra dingen die altijd leuk zijn, zoals helpen een decor op te bouwen of meegaan met een gymnasium-uitje, niet meer spontaan doet. Je gaat het afwegen: als zíj uren gaan tellen, dan bedenk jij je ook nog drie keer of je wel weer een hele avond wilt opofferen. De balans is verstoord. Het zal misschien niet alleen aan onze schoolleiding liggen - die vindt onze klachten wel reëel. De stress van het bestuur, dat geen boete wil oplopen door een te klein aantal lesuren, wordt afgewenteld op het personeel. Ik heb het idee dat ze zich daar in het mbo helemaal niet zo druk over maken.”
Naast een verdubbeling van het aantal invaluren gaat het om surveilleren in de pauze, of ingezet worden wanneer je klas op kamp is. “Alles wordt zo dichtgemetseld, om lesurenuitval te voorkomen, dat andere zaken in de knel komen. Ik zou zo wel een aantal oplossingen weten. Bijvoorbeeld onderwijsassistenten aanstellen, voor iedere sectie één. Er is heel veel werk waarbij geassisteerd kan worden, dat scheelt weer een docent, maar daar zal dan wel weer geen geld voor zijn.”
Hendrikx heeft haar doctoraal geschiedenis, ze geeft geschiedenis en maatschappijleer. Droog vertelt ze: “Bij maatschappijleer gaat het er wel eens over wat je wilt worden. Ik vertel dan dat ik op de universiteit heb gezeten - nou dat is de ideale manier om ze muisstil te krijgen. Ze vinden het ongelooflijk dat je dan les geeft. Natuurlijk zeuren docenten veel, maar met een schrijfvak als geschiedenis werk ik zeker zestig uur per week. Bij een ander beroep kun je als je overgewerkt hebt zeggen: ‘Ik kom vanochtend wat later’ of ‘Ik ben moe, ik neem een dagje vrijaf’. Vooral in december zijn er altijd veel extra dingen: rapporten, ouderavonden. Dat mag voor de gemiddelde bestuursvoorzitter niet zo indrukwekkend zijn, maar je krijgt toch zo langzaamaan het gevoel dat je hard werkt, maar er geen drol voor terugkrijgt.”

Bekeuring
Het is niet alleen de 1040-urennorm die speelt. Op de school van Albert van der Meer (1955), docent geschiedenis aan het Hervormd Lyceum Zuid in Amsterdam, weigerde de rector mee te doen aan dit spektakel. “Hij zei: ‘Dat is godsonmogelijk, dan geven ze me maar een bekeuring’.” Toch merkt ook Van der Meer dat hij steeds meer leerlingen krijgt. “Bij ons is de werkdruk toegenomen door de grotere klassen en het aantal leerlingen met problemen. Dyslexie, adhd, autisme. Ouders zijn veeleisender, terwijl ze hun kind nog nauwelijks opvoeden. Daarnaast wordt er zo creatief boekgehouden met de uren dat het bijna kafkaiaanse vormen aanneemt. Lesuren worden bijvoorbeeld korter gemaakt, van 50 naar 45 minuten. Maar dan worden die vijf minuten weer gebruikt voor nieuwe lesuren. Reken maar uit: 27 x 5 minuten!”
Hij denkt dat je het met een fulltime aanstelling nu bijna niet meer volhoudt. Helemaal bij een vak als geschiedenis waar je de leerlingen maar één uur in de week ziet en waardoor je dus heel veel klassen hebt. Van der Meer is voorzitter van de medezeggenschapsraad, maar vindt het lastig opboksen tegen een bestuur of directie die een grote voorsprong hebben. “Ik zit dan nog in het sectorbestuur voortgezet onderwijs van de AOb, dus ben ik aardig ingewerkt. Toch heb je er als MR volgens mij heel veel aan als er duidelijke normen staan aangegeven in de cao, zodat docenten beschermd worden tegen al te ijverige besturen.”
Slecht geregeld vindt hij daarnaast het salarissysteem: het is praktisch onmogelijk om als docent nog in een hoge schaal te komen. “Ik heb daar zelf, gezien mijn leeftijd, niet mee zoveel last van. Maar ik merk dat er gemopperd wordt, er is sprake van een soort algemeen malaisegevoel. Er moet echt wel wat gebeuren om dit beroep aantrekkelijker te maken voor jongeren.”

Teamleider
Teamleider Jeroen Jansen (1963) staat wat ‘dubbel’ tegenover de klachten van docenten. Hij werkt op een locatie in Wezep van het Agnieten College. Het is een kleine school voor de onderbouw van het vmbo. De 25 docenten zijn verdeeld in twee teams en krijgen de vrijheid om het onderwijs zelf in te richten. Met de financiën waarmee de school het moet doen, is het volgens hem onmogelijk om te voldoen aan het voor leraren afgesproken maximum van 750 lesuren. “Dit is mijn privémening, want er is momenteel heel veel discussie over. Wij hebben het onderwijs hier heel anders ingericht. Er wordt gewerkt met kleine teams en er zijn vakoverstijgende projecten die boven op de gewone lessen komen. De projecturen worden meegeteld voor de 1040-urennorm, vandaar dat wij het wel halen. Maar het is waar dat het meer vergt van de docenten. Wij hebben in het team met tweederde meerderheid en instemming van de MR nu besloten om zo te gaan werken.” Zelf geeft hij nog acht uur les. ”Ik kan me als docent ook wel weer voorstellen dat je niet blij bent als je bij meer contacturen toch niet meer betaald krijgt.”
Hij denkt dat het werk aan de ene kant leuker is geworden, maar zeker ook zwaarder. “Vroeger was men gewend om 25 tot 26 uur les te geven en met wat voorbereiding was dat het. Nu loopt de tijd steeds meer vol, er wordt veel meer een beroep op je gedaan. Sommigen ervaren bovendien een nieuwe onderwijsvorm als belastend.” Als enige oplossing ziet hij òf grotere groepen maken, òf meer geld erbij zodat er extra docenten aangenomen kunnen worden - als die al te vinden zijn. Of er bij het bestuur van het Agnieten College meer geld te halen valt, weet hij niet. “Ik vind dat iets voor de MR om uit te zoeken of het geld van de overheid goed besteed wordt.”

Rekenmachientje
“Het lijkt wel of alles tegenwoordig met het rekenmachientje in de hand gebeurt”, zegt René Hensgens (1955). Hij werkt op het Eijkhagen College in Landgraaf en merkt dat er momenteel op ieder vrij uurtje wordt beknibbeld. De school is onderdeel van een stichting voor voortgezet onderwijs in Limburg. Omdat hij voorzitter is van de gemeenschappelijke MR weet Hensgens dat alle zeven scholen van de stichting er hun eigen ‘knip- en plakwerk’ op na houden om aan voldoende lesuren te komen. “Die 1040-norm heeft de boel op zijn kop gezet. Er zijn scholen die de lessen verlengd hebben met 10 procent of die het maximum van 25 uur per week loslaten. In ieder geval is het een grotere belasting voor de docenten. Ook voor conciërges trouwens. Ik ken één school waarbij de conciërges worden ingezet als surveillant bij 300 leerlingen. Die zitten dan in één ruimte verplicht huiswerk te maken. Iedereen vraagt aan mij: Mag dat zomaar? Het is momenteel volkomen onduidelijk.
Hensgens is tevens vice-voorzitter van het sectorbestuur voortgezet onderwijs van de AOb. Aan de hand van zijn eigen ervaringen kan hij bevestigen dat het nodig is om bepaalde zaken weer centraal in de cao te regelen. “Medezeggenschapsraden zijn gewoon te zwak. Zij moeten opboksen tegen mensen die de hele dag veranderingen voorbereiden. Terwijl MR’en hun werk in 6 procent van de tijd moeten doen.”

Prinsjesdag
Nick Vogels (1982) vond in het vorig schooljaar al dat het hoog tijd was voor acties. “Mijn collega’s en ik hebben toen nog tegen elkaar gezegd: ‘We wachten Prinsjesdag af’. Hij werkt nu vier jaar als docent op het Segbroek College in Den Haag en heeft al heel veel geklaag gehoord. “Dat vind ik zo vreemd: docenten klagen wel veel maar ze doen niets.”
Op het Segbroek College zijn de aparte proefwerkweken afgeschaft om de 1040-urennorm te halen. “Het nadeel is dat de proefwerken over een langere periode worden uitgesmeerd. Voor de leerlingen is het lastig dat ze het naast al het andere werk moeten doen, maar voor de docenten gaan de eigen toetsen ook gewoon door.”
Vogels vindt dat het nu mooi is geweest, de werkdruk moet worden verlaagd. “Nu zijn wíj een keer aan de beurt. Ik ben zelf nogal sceptisch wat er uit die plannen van Rinnooy Kan gaat komen.” Voordat de VO-raad akkoord ging met de eisen van de bonden had Vogels laten weten dat hij zeker ging staken en dat volgens hem 95 procent van het personeel van het Segbroek College mee zou gaan om te demonstreren in Utrecht. De onderhandelingen met de werkgevers zullen dus voldoende resultaat moeten opleveren. Anders komen ze volgend jaar alsnog naar de Domstad.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.