- blad nr 15
- 8-9-2007
- auteur A. Kersten
- Redactioneel
Verbaasd over laksheid politiek
AOb-voorzitter Walter Dresscher verbaast zich al jaren over de laksheid van de politiek als het gaat om de beloning van bestuurders van instellingen die voornamelijk met publiek geld worden gefinancierd. Met de deregulering werd in het onderwijs een bedrijfsmodel ingevoerd. Bestuurders worden gecontroleerd door een raad van toezicht. Alleen is daarbij geen rekening gehouden met een andere machtsfactor die bedrijven wèl kennen: de aandeelhouders. Of de klanten, die vanwege gebrek aan kwaliteit bepaalde producten niet kopen. Terwijl meer en meer onderwijssectoren volgens het lumpsum-model worden betaald – één grote zak geld die het bestuur naar eigen inzicht verdeelt – bestaat er geen mogelijkheid om de bestedingen effectief te controleren. Ook de downgrading van het leraarsberoep is een rechtstreeks gevolg van het gebrek aan tegenkrachten in de gedereguleerde school. Voor scholen is het financieel immers aantrekkelijker om meer goedkoop personeel aan te trekken.
Wat het publiek opvalt, zijn de beloningsexcessen. In de oorspronkelijke regelingen waarmee de deregulering werd ingezet, werd schaal 18 – ongeveer 110.000 euro op jaarbasis – als realistisch bedrag genoemd. Dresscher: “Ik vind dat voor bestuurders hetzelfde regiem moet gelden als voor de rest van het personeel. Waarom zouden bestuurders van een hogeschool, roc of stichting voor basis- of voortgezet onderwijs totaal andere arbeidsvoorwaarden moeten hebben? Dat is slecht voor het klimaat binnen een instelling. Bij excessieve beloning of bijzondere voordelen verdwijnt het draagvlak voor de beslissingen van de top. Als de hoogste baas een reparatie van zijn pensioengat krijgt, waarom zou een conciërge of een leraar dat dan niet mogen hebben? Ik snap niet dat die raden van toezicht niet zeggen: Uw pensioengat is onze verantwoordelijkheid niet. Dat zegt de personeelschef toch ook tegen hogeschooldocenten die daarover beginnen?”
Publiek geld
Kort voor de zomer publiceerde het ministerie van Justitie een eerste concept voor een wet op de maatschappelijke onderneming, speciaal bedoeld voor de publieke sector. Daarin wordt al meer tegenwicht georganiseerd tegen de nu ongrijpbare colleges van bestuur en raden van toezicht. Naast de raad van toezicht komt er een vertegenwoordiging van belanghebbenden – als het om onderwijs gaat bijvoorbeeld het bedrijfsleven, vervolgopleidingen, ouders en studenten of leerlingen, misschien ook personeel - die inzicht krijgt in de bestuursbeslissingen. Dit college heeft ‘ten minste adviesrecht’ op alle beslissingen van de raad van toezicht. Justitie wil de belanghebbenden ook enquêterecht geven om eventuele wantoestanden te laten onderzoeken bij de ondernemingskamer. Dresscher vindt dat de wetgever nog wel een stapje verder mag gaan door de positie van de professionals in de maatschappelijke onderneming te verstevigen en daarnaast de beloningsstructuur in het wetsontwerp mag opnemen. “Het gaat immers om maatschappelijke ondernemingen, organisaties die vrijwel volledig met publiek geld worden gefinancierd en ook hun contractactiviteiten eigenlijk alleen maar kunnen uitvoeren omdat ze bestaan als publiek gefinancierde onderneming. Allereerst moet daarin komen te staan dat men voor de beloningstructuur de cao van de sector volgt en geen speciale bonussen, vergoedingen en pensioenstortingen verstrekt die de rest van het personeel niet krijgt. Wat mij betreft is schaal 18, zoals oorspronkelijk in het Koninklijk Besluit stond, een goed uitgangspunt, eventueel met een onzekerheidstoeslag van 10 procent. Het argument dat voor dat bedrag geen goede bestuurders te vinden zijn, is onzin. Ik heb nog nooit iets gemerkt van schaarste aan bestuurders, of dat ze massaal worden weggekocht door binnen- of buitenlandse bedrijven of onderwijsinstellingen.”