• blad nr 7
  • 7-4-2007
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

Socioloog Han Leune verwijt ministerie zwalkend beleid

Bij zijn afscheid als hoogleraar vergeleek socioloog Han Leune het onderwijsbeleid met een stuurloos schip. ‘Van een doorwrochte beleidsfilosofie is momenteel geen sprake’, schrijft hij in het boek Verstandig onderwijsbeleid. Het grootste probleem van het onderwijs is dat onduidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is, instellingen of overheid. En zo blijven de leraren en leerlingen wat verweesd achter.

Het boekje Verstandig onderwijsbeleid is een aanklacht tegen veertig jaar zwalkend beleid, maar leest tegelijkertijd als een aanbevelingsbrief voor de nieuwe minister. Eigenlijk is het allemaal heel simpel wat Han Leune als kerntaken voor de overheid benoemt. Een goede financiering, duidelijke regels voor de bekwaamheid van leraren, zorgen voor een toegankelijk stelsel en een stevige kwaliteitsbewaking door de inspectie in combinatie met deugdelijke examens. Voor het basisonderwijs betekent dat bijvoorbeeld dat er leerstandaarden moeten komen waar in principe alle leerlingen in groep 8 aan moeten voldoen en meer sturing als het gaat om de programma’s van de lerarenopleidingen.
Tijdens zijn afscheidscollege als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit begin dit jaar nam Han Leune het beleid van de afgelopen jaren stevig op de korrel. ‘Het beleid slingert heen en weer tussen de regelmatig opkomende behoefte aan centrale sturing enerzijds en het streven naar deregulering anderzijds. Het is regelmatig onduidelijk waar de verantwoordelijkheid van de centrale overheid ophoudt en waar die van andere beleidsactoren begint.’ Wat hem ook stoort is dat op het ministerie van Onderwijs zelf steeds minder mensen werken die praktijkkennis hebben of uit de onderwijswetenschappen komen. ‘Bij de rekrutering en selectie van sleutelpersonen speelde deskundigheid op onderwijsterrein geen of een te verwaarlozen rol.’

Die onduidelijkheid over de verantwoordelijkheden is volgens u een constante in de onderwijspolitiek.
“Ik vind dat de overheid een zware verantwoordelijkheid heeft voor het onderwijs: ze moet de kwaliteit en de toegankelijkheid waarborgen en middelen vrijmaken om die doelstellingen waar te maken. Al in de jaren zeventig zie je dat die overheidsverantwoordelijkheid voor onderwijs wordt gerelativeerd en op een gegeven moment zelfs als achterhaald wordt beschouwd. De autonomie van de school is een rode draad die bij alle politieke partijen en alle ministers terug te vinden is. Maar het is vaag gebleven wat de kerntaken van de centrale overheid zijn en waar schoolbesturen op aan te spreken zijn. Steeds weer pendelt de overheid heen en weer tussen reguleren en dereguleren. Men geeft scholen meer vrijheid, maar stuurt de inspectie langs met een enorme lijst eisen. De minister ventileert meningen over intelligent design – een onderwijsinhoudelijk onderwerp waar ze niet over gaat – maar blijft aarzelen om eisen vast te leggen voor de startbekwaamheid van leraren of leerstandaarden in het basisonderwijs. Terwijl dat juist essentiële sturingsmechanismen zijn om goed onderwijs tot stand te brengen.”

Als het volgens de wetenschapper Han Leune zo duidelijk is, waarom zijn al die ministers al die jaren dan doorgegaan met het vergroten van de autonomie van instellingen en het weggeven van de eigen verantwoordelijkheid?
“Waarom het proces zo is gelopen is moeilijk te ontrafelen. Het hele debat over de overheidsverantwoordelijkheid en de autonome school heeft zich voltrokken in een klimaat van ontideologisering. Het werd ouderwets om uit te gaan van maatschappelijke visies, het overheidsbeleid verzakelijkte. Onderwijs heeft daar een tik van meegekregen. Het liberale gedachtegoed rukte op: meer autonomie, minder staat. Bovendien waren er in het onderwijs zelf groepen, zoals vanuit het bijzonder onderwijs, die ijverden voor het verminderen van overheidsbemoeienis. Maar ook aan de linkerkant was er brede steun voor meer eigen armslag, die gevoed werd door twijfels over de effectiviteit van het beleid. Maar het is wel treurig: nadat we jaren geleden ijverden voor een ‘constructieve onderwijspolitiek’ - zoals door Philip Idenburg bepleit, waarbij heldere doelen werden gesteld en vooruitgekeken werd waar het met onderwijsstelsel heen moet - zijn we nu weer terug bij een overwegend distributief onderwijsbeleid. De politiek verdeelt de schaarse middelen, op basis van wat de verschillende spelers in het onderwijs aanbevelen. Wat de overheid zelf uit een oogpunt van algemeen belang essentieel vindt blijft mistig.”

Verklaart dat het huidige brede ongenoegen over de onderwijskwaliteit?
“Het huidige algehele ongenoegen over onderwijs deel ik niet. Een genuanceerde kijk is dringend gewenst. Niet alles gaat mis. Er zijn zeker zorgen: zo is er een grote groep leerlingen die aan het einde van de basisschool niet goed kan lezen en schrijven.”
Maar daar gaat de overheid aarzelend mee om, de inspectie schrijft het ieder jaar in het Onderwijsverslag maar er verandert niet wezenlijk iets.
“De inspectie kan ook niet anders, omdat de wet geen eisen stelt. De kerndoelen in het basisonderwijs zijn streefdoelen en formuleren geen minimumopbrengst. Op die manier houd je als overheid voor leraren en ouders onduidelijkheid in stand wat nu de gewenste kwaliteit is. Eigenlijk is er in het Nederlandse onderwijs maar één moment waar de eisen duidelijk zijn en dat is bij het centraal eindexamen voortgezet onderwijs. Daar zullen we dan ook sterk aan vast moeten houden. En dan kijk ik met verbazing naar het beroepsonderwijs, waar geen landelijke prestatienormen zijn.”

Geeft het nieuwe regeerakkoord meer sturing?
“De bedoelingen van dit kabinet zijn nobel: de kwaliteit omhoog, tegengaan van segregatie, bestrijden schooluitval en een zekere herwaardering van het speciaal onderwijs. Ik denk dat het voorts verstandig is om een commissie van zwaargewichten in te stellen om het lerarenbeleid te doordenken, dat is nu erg gefragmenteerd op het ministerie.
De hoeveelheid extra geld die men uittrekt is te mager voor al die ambities. Ik had gehoopt en verwacht dat onderwijs sterker naar voren zou komen. Zeker als je op het gebied van de arbeidsvoorwaarden echt iets wil repareren en dat is dat hard nodig. Als iemand dat in de ministerraad met kracht van argumenten voor elkaar zou kunnen krijgen, dan is het Plasterk wel. We horen hem nu nog weinig over het onderwijs- en lerarenbeleid en ik denk dat dat verstandig is, omdat hij zich aan het inwerken is.
Al blijft het een kwestie van afwachten of de nobele intenties van dit kabinet waargemaakt worden of in de mist verdwijnen. Want het gaat niet alleen om beleidsintenties, maar ook om het operationaliseren daarvan. Neem de Wet beroepen in het onderwijs. Eindelijk is de verplichting op bijscholing vastgelegd in de wet, maar die legt vervolgens de verantwoordelijkheid op het bordje van het schoolbestuur. Het is nu maar afwachten hoe de schoolbesturen daarmee omgaan. Gaan zij leraren prikkelen om meer aan vakinhoudelijke en onderwijskundige nascholing te doen, of wordt het een papieren kwestie?”

Verstandig onderwijsbeleid, door J.M.G. Leune, Uitgeverij Garant, 2007, ISBN 9789044121100, € 12,50

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.