• blad nr 7
  • 7-4-2007
  • auteur L. Douma 
  • Redactioneel

Oude middenschool leeft voort in Gorredijk  

In de pubertijd kan nog veel veranderen

De middenschool is allang niet meer. Toch floreren de oude principes volop in Gorredijk. Op de Burgemeester Harmsmaschool hebben ze de eerste twee jaar heterogene brugklassen. Scholieren worden constant uitgedaagd al hun talenten te benutten. De resultaten zijn hoopvol. Jaarlijks stroomt 10 tot 20 procent naar een hoger schooltype dan geadviseerd was.
Portret van een Friese school waar ze alles samen doen, zelfs de loonsverhoging wordt er verdeeld.

“Wanneer een leerling instroomt met een IQ van 75 passen veel scholen hun onderwijs op dat IQ aan. Dat is een beetje inherent aan klassikaal onderwijs, dezelfde les aan dezelfde homogene groep. Nou, wij passen daarvoor.” Aan het woord is Michiel Brouwer. De directeur van de Burgemeester Harmsmaschool voor vmbo in het Friese Gorredijk gelooft niet in predicaten. “Aan het eind van de basisschool krijgen kinderen een stempel, bijvoorbeeld vmbo-tl. Maar in de pubertijd verandert er zoveel in het leven van een kind. Leerlingen passen zich bijvoorbeeld aan op de groep, ze kunnen zich aan anderen omhoogtrekken. Wij leggen ons niet neer bij een bepaald stempel. Wie gemotiveerd is kan soms met een vmbo-tl advies best naar de havo.”
De Burgemeester Harmsmaschool in Gorredijk is een oude middenschool. In de jaren zestig en zeventig moest de middenschool het standenonderwijs definitief doorbreken. Ongeacht verschillen in achtergrond en capaciteit zouden leerlingen de eerste drie jaar gezamenlijk hetzelfde programma doorlopen. Daardoor konden beroeps- en studiekeuze nog even worden uitgesteld en zou later een betere keuze gemaakt kunnen worden. De middenschool is een zachte dood gestorven.
In Gorredijk zijn bepaalde elementen ervan nog volop in leven. Brouwer: “Wij hadden goede ervaringen met het model en wilden die niet weggooien alleen omdat de middenschool er niet gekomen is.”
Daarom heeft de Burgemeester Harmsmaschool nog heterogene brugklassen in het eerste en tweede jaar. “In die klassen zitten naast de vmbo-leerlingen ook kinderen die uiteindelijk naar de havo gaan.” Na het tweede jaar worden de havisten gedurende een jaar in een aparte klas geplaatst. Daarna gaan ze naar een andere (havo-)school. Directeur Brouwer: “In de derdejaars havo-klas zitten elk jaar ook een paar vmbo-tl leerlingen die opteren voor de havo. Ze krijgen extra begeleiding bij Engels en wiskunde, vakken die van oudsher problemen opleveren. Tien van de vijftien vmbo-tl leerlingen die opteren voor de havo, gaan er elk jaar daadwerkelijk naartoe. En na het vierde jaar, na het behalen van het vmbo-tl examen gaan er nog eens dertig leerlingen naar de havo.”
De Harmsmaschool heeft zevenhonderd leerlingen, elk leerjaar telt ongeveer tweehonderd leerlingen. Van hen stroomt dertig tot veertig op naar een hoger onderwijstype dan de basisschool adviseerde. Ook binnen de verschillende vmbo-leerwegen is differentiatie mogelijk. “Op andere scholen blijven kinderen zich bewegen binnen hun instroomniveau, bij ons niet”, vertelt onderwijskundige Esther Brouwer. “Iemand die de basisberoepsgerichte leerweg doet kan best een paar vakken op het niveau van de theoretische leerweg doen.”
Er zijn plannen om de differentiatiemogelijkheden nog groter te maken. “Wij willen geprofileerde examens aanbieden, daarvoor is een aanvraag ingediend”, vertelt directeur Brouwer. “Iemand kan dan op havo-niveau Nederlands en op vmbo-niveau zijn wiskunde-examen doen.”

Vechtpartijtjes
De heterogene brugklassen van de Harmsmaschool beïnvloeden het lesaanbod. “Bij ons is het in de onderbouw verplicht om alle moderne vreemde talen te doen. Op andere scholen doet een vmbo-bbl leerling bijvoorbeeld geen Frans. Die uitdaging gaan wij niet uit de weg”, vertelt directeur Brouwer.
Het lesaanbod op de school is breed. Zo krijgen alle burgklassen bijvoorbeeld elke week onderwijs in dramatische expressie. Vandaag is dramadocent Marius del Grosso samen met een stagiair met de leerlingen bezig. In één scène moeten ze zoveel mogelijk emoties zien te stoppen, zonder de overgangen onlogisch te maken. Een groepje voert een scène op, de rest van de klas kijkt verwachtingsvol en rustig toe. “Tijdens deze lessen leren de leerlingen veel over sociale omgang”, vertelt Del Grosso. “Het zijn veilige groepservaringen. Hier wordt nooit iemand uitgelachen. En als dat bijvoorbeeld op het plein toch gebeurt, corrigeren de kinderen elkaar. Ze leren elkaar tijdens deze lessen in hun waarde te laten.”
Sociale vaardigheden zijn een belangrijk item op de Burgemeester Harmsmaschool. “We hebben bijna nooit vechtpartijtjes”, zegt directeur Brouwer. Volgens hem komt dat doordat de onderbouw van de school gepedagogiseerd wordt – zoals hij dat noemt. Elke brugklas heeft vier mentoruren per week, vertelt onderwijskundige Brouwer. “De mentor moet ervoor zorgen dat het klimaat in de klas goed is, dat er bijvoorbeeld geen pesterijen zijn. Ook doet de mentor projecten op het gebied van alcohol- en drugspreventie en seksualiteit. De mentoruren zijn tevens bedoeld voor het aanleren van schoolse vaardigheden die de leerlingen in de bovenbouw nodig hebben, zoals organiseren en plannen.”
In de onderbouw ziet de lespraktijk er namelijk anders uit dan in de bovenbouw. De leerlingen werken in de onderbouw in zogenoemde tafelgroepjes. De docent legt iets klassikaal uit en de groepjes moeten vervolgens gezamenlijk met de stof aan de slag. Ze moeten elkaar zoveel mogelijk verder helpen. Klassen tellen ongeveer 22 leerlingen. Per week krijgen de leerlingen 27 lesuren van 60 minuten. Elke brugklas heeft een eigen lokaal. Directeur Brouwer: “Daardoor lijkt de middelbare school voor de kinderen meer op de basisschool. Een eigen lokaal maakt de school overzichtelijker. Wij proberen er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat de leerlingen niet struikelen over de drempel tussen basisschool en voortgezet onderwijs.”
Leerlingen waarvan van tevoren al bedacht is dat zij het niet zullen redden in het voortgezet onderwijs, komen op de Harmsmaschool in een zogenoemde juniorklas terecht. Het is een extra jaar waarin ze achterstanden wegwerken en kunnen wennen aan het vmbo. De klas telt niet meer dan vijftien leerlingen, die een eigen bureautje hebben. Ze werken aan taken, wanneer een taak af is mogen ze in hun eigen boekje lezen dat op de hoek van hun tafel ligt. Na het extra tussenjaar gaan ze gewoon naar de eerste brugklas. “Daar merk je niet meer dat ze uit de juniorklas komen. Ze hebben een stevigere basis gekregen”, zegt directeur Brouwer.

Stressballen
In 2005 kreeg de Burgemeester Harmsmaschool een nieuw gebouw, dat in verbinding staat met het oude. De oude school wordt op dit moment ook verbouwd omdat men in de bovenbouw met lespleinen wil werken, daar is ruimte voor nodig. Voor de praktijkvakken werd al een aantal jaren zo gewerkt, nu gaat dat ook bij de theorievakken gebeuren. Dit jaar zijn de moderne vreemde talen hier als eerste mee van start gegaan. Aan hun lesplein grenzen drie lokalen, waarin aan drie klassen les wordt gegeven. In groepjes kunnen leerlingen aan de slag op het plein waar computers staan. Wanneer zij vragen hebben, kunnen ze bij onderwijsassistent Christina Boeringa terecht. “Als ze er bij het schrijven van een brief bijvoorbeeld niet uitkomen, spoor ik ze aan het woordenboek te pakken. Lukt het dan nog niet dan help ik ze verder.” Op elk lesplein in de Harmsmaschool is een onderwijsassistent aanwezig.
Aan het economieplein liggen niet alleen lokalen voor de theorielessen, maar ook drie winkels. Ze worden beheerd door leerlingen. In de schoolshop zijn twee jongens druk bezig de kas op te maken, in hun winkel worden artikelen als pennen en schrijfblokken verkocht. “Het assortiment wordt steeds groter”, vertelt docent Joke Tjoelker. “Voor de examens willen we bijvoorbeeld stressballen gaan verkopen.” Aan de schoolwinkel grenst een ‘supermarkt’. De producten die hier ‘verkocht’ worden zijn niet echt, de kartonnen melkpakken bijvoorbeeld zijn leeg. In de supermarkt leren de leerlingen producten spiegelen en werken met streepjescodes.
Naast de supermarkt is een winkel waar sportartikelen verkocht worden. Het is een dependance van Time Out, een echte sportzaak in Gorredijk, die de producten levert. Pas wanneer er een sportshirt of een kniebeschermer verkocht is, hoeft de school te betalen.
De leerlingen zijn druk bezig met het etaleren van hun Time Out-winkel. Tjoelker: “Ze maken een schets voor de etalage, laten die goedkeuren, krijgen budget voor het inkopen van decoratiemateriaal en richten zelf de etalage in.”
Op andere leerpleinen voor de bovenbouw gaat het er net zo aan toe. Aan het techniekplein grenzen vier lokalen voor motorvoertuigbouw, metaalbewerking, houtbewerking en elektrotechniek. In het derde jaar volgen de leerlingen een collectief programma waarin de verschillende techniekonderdelen aan bod komen. In groepjes maken ze in het lokaal of op het plein opdrachten. Links in de hoek getuigt de maquette van een draaimolen hiervan. De opdracht was om een kermisattractie te maken. Vier jongens gingen aan de slag. Ieder was verantwoordelijk voor een eigen onderdeel. De één soldeerde, de ander zorgde voor het motortje, een derde zaagde de molen en een vierde schilderde het geheel. “Wij vinden het belangrijk dat leerlingen kunnen doen waar hun hart ligt”, vertelt directeur Brouwer. “Vandaar dat ze in het vierde jaar hun eigen programma kunnen kiezen. Als ze iets met motorvoertuigbouw willen, dan kunnen ze zich daar nu al op richten.”

Eerlijk
Op het zorg en welzijnplein zijn leerlingen van School Lyndensteyn, een mytyl- en tyltylschool in het nabijgelegen Beetsterzwaag, bezig met opdrachten. Omdat zij op hun eigen school geen examen kunnen doen en geen praktijkvakken kunnen volgen, komen ze twee dagen per week naar Gorredijk. “Het is hier heel anders dan op onze eigen school”, vertelt een leerling. “Veel groter, best eng.” Haar klasgenoot, die naast haar zit, heeft er geen moeite mee. “Ik vind het hier best leuk.”
Behalve van Lyndensteyn heeft de school zelf bijna 140 zorgleerlingen. Overal in het gebouw zijn voor hen speciale hokjes ingericht waar ze extra begeleiding krijgen. “We hebben een aantal onderwijsassistenten voor de leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen en die rugzakleerlingen ondersteunen”, legt directeur Brouwer uit. “Sommige ondersteuners gaan zelfs mee de klas in.”
Niet alleen leerlingen worden op de Burgemeester Harmsmaschool uitgedaagd al hun talenten te benutten. Ook van docenten wordt meer verwacht dan lesgeven alleen en van directieleden meer dan alleen managen. Het team is gezamenlijk verantwoordelijk voor het onderwijs. “Hier op school geeft eigenlijk iedereen les. De onderwijskundige staat bijvoorbeeld ook voor de klas. Alle medewerkers hebben drie taken. Ze geven les, ze zijn mentor en ze hebben een bestuurlijke taak, zitten bijvoorbeeld in een werkgroep.” Wanneer er vernieuwd wordt en er dus nieuw beleid moet komen wordt daar gezamenlijk toe besloten. Een paar jaar geleden leverde die gedeelde verantwoordelijkheid een dilemma op. “Van personeel in de LB-schaal zou 15 procent naar LC gaan. Omdat iedereen hier wel iets bestuurlijks doet, was het lastig te bepalen wie dan een loonsverhoging zou krijgen. Dus hebben wij – in overleg met de bonden – besloten iedereen een beetje loonsverhoging te geven, in plaats van een paar docenten heel veel. Dat leek ons eerlijker.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.