- blad nr 4
- 24-2-2007
- auteur . Overige
- Opinie
Privatiseer het onderwijs na de middelbare school
Het ‘nieuwe leren’ is een mislukking, vinden scholieren en studenten van voortgezet onderwijs tot universiteit. Zij eisten eind januari in Den Haag met een petitie meer lesuren en meer kennisoverdracht door deskundige docenten. Veel docenten vinden dat de studenten gelijk hebben en dat geldt zeker voor het mbo.
Het mbo is vaak de vervolgstap voor leerlingen uit het vmbo. Veel van deze leerlingen halen de eindstreep niet op het roc. Vier op de tien van de 485 duizend leerlingen in het mbo verlaten de school zonder diploma. Uit het onderzoek van de Mbo-raad blijkt dat het uitvalpercentage het hoogst is bij niveau 1. Hier verlaat meer dan 60 procent van de leerlingen de school zonder diploma. Nu is dit wel te verklaren gezien de onderwijshistorie van de leerlingen, toch maakt dit keihard duidelijk dat de overheid en het onderwijs absoluut geen antwoord hebben op deze uitval.
Invoering van het competentiegericht onderwijs lijkt dit probleem voor juist deze groep alleen maar erger te maken. De oorzaak is vaak een simpele: wel andere onderwijsvormen, maar geen geld voor een docent of begeleiding. En het knelt bij de examinering.
Het mbo werkt namelijk met deelkwalificaties met honderden eindtermen. Nu moet iedere school er zelf voor zorgen dat de deelkwalificaties na afloop van de lesperiode, tijdig en in de vorm van deelexamens, worden geëxamineerd. Ook dient iedere school afzonderlijk borg te staan voor de juiste kwaliteit en het juiste niveau. In de praktijk is dat een garantie die lastig waargemaakt kan worden. Over de kwaliteit van de examens verschillen de Onderwijsinspectie en het Kwaliteitscentrum Examinering flink van mening.
Een voorstel om de kwaliteit in het mbo beter te waarborgen door centrale examens in te voeren werd door de bestuurlijke belangenorganisatie, de Mbo-raad, afgewezen. Logisch, want veel van haar leden ontlenen nogal wat werk en inkomen aan het zitting nemen in de bijbehorende kwaliteitsclubs als paritaire commissies.
Geschrokken van de commotie over het nieuwe leren, hebben de Stichting Herontwerp mbo en de Mbo-raad de onderwijsstaatssecretaris gevraagd om de invoering van het competentiegericht onderwijs met een jaar uit te stellen. Zij zijn van mening dat veel scholen in het mbo er nog niet klaar voor zijn. Voor veel docenten en ook veel leerlingen in het mbo zal de omslag van eindtermen naar competentiegericht onderwijs te groot zijn. Veel van de huidige eindtermen zijn niet of nauwelijks terug te vinden in de door het bedrijfsleven opgestelde beroepscompetenties. Kennis en kunde hebben er het loodje gelegd. En het bedrijfsleven maar klagen dat het mbo geen goed opgeleide vakkrachten meer aflevert.
Daarnaast kampt het competentiegericht onderwijs met het imago van ‘slecht onderwijs’. Dit imago heeft het competentiegericht leren opgelopen door de zeperds in het hbo. Daarnaast is het competentiegericht onderwijs voor veel onderwijsmanagers een goede reden om ernstig te bezuinigen op het aantal lesuren en deskundig opgeleid personeel. Zij vervangen dure docenten door goedkopere instructeurs. Voor leerlingen betekent het vaak dat zij zelf maar wat moeten gaan doen in zogenoemde leerplaza’s. Dat zijn dan leerwerkplekken waar leerlingen met honderden tegelijk in een grote hal kunnen plaatsnemen achter moderne computers. Want boeken zijn niet nodig, alles staat op het internet. Deze maoïsitische internetfilosofie – internetmaoïsme - begint al aardig gemeengoed te worden op veel mbo-scholen.
Geen wonder dat leerlingen en steeds vaker ook hun docenten massaal te hoop lopen tegen deze vorm van onderwijs. Een vorm waar het gebrek aan begeleiding, het lage aantal theorielessen en het ontbreken van lesroosters leiden tot de terechte vraag: Wat leren we nu eigenlijk?
Nog meer geld in onderwijs stoppen lijkt nauwelijks zinnig, als dat geld niet aan onderwijs wordt uitgegeven. Want nu verdwijnt een groot deel van de onderwijsbegroting in vage zaken als projecten, schaalvergroting, belangenclubs van directeuren, onderwijskoepels, ondeugdelijk management, nieuwlichterij, dwaallichten, beleggingen en vooral bureaucratische rompslomp.
Het is natuurlijk prima dat de overheid garandeert dat het onderwijs de bevolking ten goede komt. Maar de rijksoverheid hoeft ook niet voor alles op te draaien. Een leerplicht tot het behalen van een deugdelijk diploma voortgezet onderwijs is voldoende. Natuurlijk wel een diploma waarmee de leerling als goed opgeleid ambachtsman de maatschappij in kan ofwel een goede overstap kan maken naar het vervolgonderwijs.
De waaier van dit vervolgonderwijs - of het nu het mbo, het hbo of het wetenschappelijk onderwijs betreft - is mijns inziens geen onderdeel van de zorg van de rijksoverheid. Deze onderwijsvormen horen thuis onder de tucht van de markt. Dat betekent haast automatisch een enorme verbetering van kwaliteit en rendement. Bovendien levert het onderwijs uit die sectoren dan ook mensen af die opgeleid zijn in zaken waar in de huidige maatschappij behoefte aan is. Het geld dat hiermee wordt terugverdiend op de onderwijsbegroting kan gebruikt worden op plaatsen waar het echt nodig is. Bijvoorbeeld voor leerlingen die achterstand hebben, te kampen hebben met leerstoornissen, of voor een beurzenstelsel voor de groep die geen geld heeft voor hun vervolgstudie.
Toon Rekkers is docent business management bij de opleidingen toerisme en international tourism management van het Koning Willem I College en sterk betrokken bij ‘nieuw onderwijs’ en e-learning.