- blad nr 3
- 10-2-2007
- auteur J. Dronkers
- Opinie
Geen politici in onderzoekscommissie naar onderwijsvernieuwing
Het parlementair onderzoek naar twintig jaar onderwijsvernieuwingen moet niet door politici worden uitgevoerd. Daarvoor hebben alle onderwijspolitici en hun partijen zich te zeer aan die vernieuwingen gecommitteerd. Bovendien zijn zij te zeer verweven met de onderwijslobby, die zowel binnen als buiten het parlement zeer krachtig is. Nee, de parlementaire enquête moet uitgevoerd worden door een staatscommissie van onafhankelijke deskundigen, eventueel aangevuld met onbesproken politici.
Ter gedachtebepaling van die onafhankelijke deskundigen noem ik er vier: Kees Beekmans, leraar op een praktijkschool binnen een grote instelling, die over zijn ervaringen durfde te schrijven; Piet Drenth, testpsycholoog en ex-voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen; Han Leune, socioloog, ex-voorzitter van de Onderwijsraad, waarschuwde al erg vroeg voor de negatieve aspecten van de onderwijsvernieuwing; Karina Schaapman, moeder, de eerste ouder die een school aanklaagde wegens wanprestatie en dat proces ook won, lid van de gemeenteraad van Amsterdam. De leden moeten dus inhoudelijke kennis van het onderwijs hebben en niet alleen of in hoofdzaak bestuurlijke ervaring. Lidmaatschap van een onderwijsbestuur, sectorbestuur, raad van toezicht of een onderwijsadviesorgaan is onverenigbaar met het lidmaatschap van de staatscommissie. Deelname aan de carrousel van hoge ambtenaren is ook niet verenigbaar met dit lidmaatschap. Ervaring in het bedrijfsleven strekt niet tot aanbeveling en geeft geen dieper inzicht in de maatschappelijke eisen die aan het onderwijs gesteld kunnen worden.
Arrogant
De hoofdtaak van deze parlementaire enquête is het bijeenbrengen, vaststellen en evalueren van de feiten over de onderwijsvernieuwing en hun gevolgen. Vallen er minder leerlingen uit na het invoeren van een bepaalde onderwijsvernieuwing? In welke mate is welk aspect van kennis en vaardigheden achter- en/of vooruitgegaan na het invoeren van een bepaalde onderwijsvernieuwing? Hoeveel geld wordt er door onderwijsinstellingen besteed aan overhead, en wat voor soort overhead? Hoeveel geld gaat er naar het geven en ontvangen van onderwijs, en wat voor soort onderwijs? Hoeveel reële onderwijstijd per leerling geeft een school per vak, en wat is daar de laatste twintig jaar in veranderd?
Het is van groot belang deze feiten helder boven tafel te krijgen. Klagen over de kwaliteit van het onderwijs is inderdaad van alle tijden en er zou dus ook nu niets aan de hand kunnen zijn. Zelfs demonstrerende studenten voor meer onderwijs zijn geen afdoende bewijs. Er zijn wel empirische aanwijzingen dat de kwaliteit van het onderwijs is aangetast (zie bijvoorbeeld mijn bijdrage aan het Onderwijsblad van 1 november 2003, ‘Alles over het onderwijspeil in Nederland’). Die aanwijzingen zijn omstreden - meestal overigens door de belanghebbende onderwijslobby -, lang niet altijd eenduidig, genegeerd door de inspectie, weggeborgen zodat analyses door onafhankelijke deskundigen onmogelijk zijn, of simpelweg nooit uitgevoerd omdat het minder goed uitkomt.
De staatscommissie moet de feiten ook evalueren, zodat een berekening door Beter Onderwijs Nederland van het percentage van het instellingsbudget besteed aan onderwijs, niet van tafel geveegd kan worden met de arrogante mededeling van een minister dat zij andere berekeningen heeft.
Wat dat betreft is de hoofdtaak van deze staatscommissie vergelijkbaar met die van een van de eerste parlementaire enquêtes in Nederland, die naar de omvang van de kinderarbeid. Voordat er allerlei nieuw beleid wordt gemaakt, moeten wij eerst weten hoe het huidige onderwijs werkt.
Omdat de werkwijze van de staatscommissie onafhankelijk van onderwijslobby’s moet zijn, moet zij een substantieel budget krijgen voor haar onderzoek, dat zij onafhankelijk van het ministerie van OCW kan besteden aan door haar uit te kiezen personen en onderzoeksinstellingen.
Machtsmisbruik
De tweede taak van de staatscommissie is op grond van deze bijeengebrachte en geëvalueerde feiten aan te geven waar en wat is fout gegaan, hoe dat hersteld kan worden, waar en wat er goed gaat en hoe dat versterkt kan worden. De commissie mag geen schuldigen gaan zoeken of aanwijzen, maar moet alleen concreet herstel van fouten en versterking van het goede van het onderwijs voorstellen. Het aanwijzen van die schuldigen is hoogstens interessant voor parlementaire journalisten (‘rollen er al koppen?’), maar helpt het onderwijs geen stap verder.
Een van de zaken die mis is gegaan met de inhoud van deze onderwijsvernieuwingen is het te grote optimisme en de naïviteit over de veranderbaarheid van mens en samenleving. Een probleem bij de uitvoering van de onderwijsvernieuwingen was onderschatting van de spanning tussen de mogelijkheden voor vrije persoonlijke ontwikkeling van leerlingen en de vereisten van de samenleving en cultuur. Ook waren de dragers van deze vernieuwingen te optimistisch en te naïef over de zuiverheid van hun eigen motieven en hun immuniteit voor machtsmisbruik en geldzucht. Dat valt weinig mensen persoonlijk te verwijten, hoogstens de tijdgeest. En wie op dit punt zonder zonden is, werpe de eerste steen.
De derde taak van de staatscommissie is een budget aan te geven voor de uitvoering van herstel van de fouten en versterking van het goede in het onderwijs. Budget en concrete verbetering moeten hand in hand gaan, anders loopt men het gevaar dat het geld niet goed wordt besteed. Zonder duidelijke financiële mogelijkheden loopt elke verbetering vast. Een laatste probleem van twintig jaar onderwijsvernieuwing zijn immer de budgetneutrale vernieuwingen en de ongespecificeerde efficiëntieverhogingen dankzij bezuinigingen.
Jaap Dronkers is hoogleraar sociale stratificatie en ongelijkheid aan het Europees universitair instituut in Italië.
www.eui.eu/Personal/Dronkers