- blad nr 3
- 10-2-2007
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Jubileumenquête over het onderwijsniveau
Eigen school prima, maar peil daalt
De kwaliteit van het onderwijs is het laatste jaar een onderwerp dat stevige aandacht krijgt van de media. Terecht natuurlijk, want goed onderwijs is van essentieel belang. Voor de economie, voor de sociale cohesie, voor de ontwikkeling van talenten van elk kind en elke jongere.
In het publieke debat voert op dit moment de kritiek de boventoon: het is droef gesteld met de kwaliteit van zo’n beetje het hele onderwijs. Reden voor de PvdA om afgelopen week een parlementair onderzoek te vragen, om te bekijken of onderwijsvernieuwingen als basisvorming, studiehuis en roc-vorming nu positief of negatief hebben uitgepakt (zie ook het opiniestuk op pagina 48).
Het thema onderwijskwaliteit zat vanwege die media-aandacht in de jubileumenquête van de Algemene Onderwijsbond. Het onderzoek onder 667 leden van het AOb-panel, uitgevoerd door het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen, peilde hoe docenten zelf over de berichten van een eventuele niveaudaling denken.
Massaal onderschrijven leraren dat het peil zakt. Maar liefst tweederde van alle leraren vindt dat er sprake is van een dalend niveau. Eenderde vindt dat de berichten worden overdreven of dat de kwaliteit goed is. Wel zijn er opmerkelijke verschillen tussen de generaties. Bij de jongeren vindt de helft de kwaliteit voldoende en de andere helft ziet de kwaliteit achteruit kachelen, onder de 55-plussers vinden acht van de tien dat het niveau daalt. Maar daarna gebeurt er iets opmerkelijks.
Verwarring
In de enquête werd eveneens gevraagd om rapportcijfers te geven voor de eigen lessen, de eigen school en het onderwijsbestel. Terwijl het niveau gedaald is, geeft het docentenkorps ongeacht de leeftijdsgroep zichzelf een ruime voldoende. De eigen lessen worden met een 7,3 gewaardeerd, de kwaliteit van de eigen school met een 6,7. Voldoendes dus, terwijl het onderwijsbestel in overeenstemming met de gedachte van het dalende peil niet meer dan een 5,2 krijgt.
Die uitslag schept verwarring. Al is een zeven-min voor de eigen school voor ambitieus onderwijspersoneel misschien aan de magere kant, de eigen lessen krijgen een zeven-plus. Maar als iedereen zulke aardige lessen geeft, hoe kan dan het onderwijsbestel een onvoldoende krijgt? Schatten leraren zichzelf te hoog in, of zijn zij collectief te negatief over de kwaliteit die hun collega’s leveren?
Het is overigens geen onbekend verschijnsel. Al jarenlang vraagt de Onderwijsmeter van het ministerie ouders en het grote publiek om rapportcijfers te geven aan de school van hun kinderen en het onderwijsbestel. Ouders blijken reuze tevreden met de school van hun kinderen. Die krijgt een 7,5, wat aardig in de buurt komt, zelfs iets hoger, dan het oordeel van de leraar over de eigen lessen. Vervolgens zijn Nederlanders samen ook wat somberder over het onderwijsbestel, al geven ze het met een 6,4 nog wel een voldoende.
Van een collectieve treurnis over het onderwijs is dan ook eigenlijk geen sprake. Natuurlijk kan het beter, maar leraren en ouders die naar het gegeven onderwijs kijken, zijn eigenlijk best tevreden. Waar komt het huidige publieke ongenoegen over het almaar dalende niveau dan vandaan, wat nu zelfs tot een parlementair onderzoek lijkt te leiden?
Tamelijk elitair
Het zou natuurlijk aan de beeldvorming in de media kunnen liggen. Interessant daarbij is dat de rampspoed die het laatste jaar in de krantenkolommen naar bovenkomt, vooral een zaak is van columnisten en schrijvers van ingezonden stukken op de opiniepagina’s. Hard bewijs dat het onderwijs van nu slechter of beter is dan vroeger ontbreekt door gebrek aan feitenmateriaal, zo constateerde de Onderwijsrad bijvoorbeeld in een eigen onderzoek.
Het tegengeluid onder columnisten (‘het gaat met het onderwijs best goed’) was zeldzaam. Alleen Bert Wagendorp schreef afgelopen december in zijn column - in dezelfde Volkskrant die in een hoofdredactioneel commentaar aandrong op een parlementaire enquête – dat het Nederlandse onderwijssysteem behoort tot de beste ter wereld: ‘En toch is het erg in om te zeggen dat het een puinhoop is, vergeleken met vroeger. Altijd wel een juf die Ik vindt op het bord schrijft. Dus het onderwijs van vroeger moet terug. Dat in 1960 nog 60 procent van de Nederlanders alleen lagere school had en dat het eminente onderwijs dus tamelijk elitair was, doet er niet toe. Het niveau van de lagere school was destijds bovendien zo verbijsterend hoog dat je na de zesde klas evenveel van Nederlands wist als een moderne neerlandicus, alle hoofdsteden ter wereld kende èn de namen der Hollandse graven.’
Een opmerkelijk genuanceerd geluid, dat in de zee van brieven over rampspoed en tegenslag nauwelijks werd gehoord en aansluit bij wat onderwijspersoneel vindt van de berichtgeving over hun vak. De media berichten volgens het panel in hun algemeenheid negatief over onderwijs en leraren. Bij radio en publiekstijdschriften overheerst nog een neutrale toon, maar bij kranten en televisie is de toon van de berichtgeving naar het oordeel van het overgrote deel van het AOb-panel overdreven negatief. Dat blijkt niet alleen uit de enquête, maar ook uit de lijst met onderwerpen waar meer of minder aandacht voor wordt gevraagd.
Didactisch sterker
Graag wil men vaker aandacht voor geslaagde onderwijsprojecten en minder voor incidenten ‘die als standaard worden gepresenteerd’. De overheersend negatieve toon in de media over onderwijs wordt gehekeld, of het misschien een onsje vrolijker mag. Over aandacht voor het nieuwe leren is het panel verdeeld: waar de een wil dat deze ontwikkeling in de media tot op de grond toe wordt afgebrand, zou de ander graag zien dat ook de geslaagde initiatieven met het nieuwe leren een plek in de krant krijgen. Eén respondent zou graag zien dat het niveau van de verslaggeving op dit punt beter wordt. ‘Media weten nauwelijks wat het nieuwe leren inhoudt, wat ik heb gelezen klopt in elk geval niet.’
Daarnaast overheerst de roep om meer aandacht voor de werkdruk van onderwijspersoneel, de noodzaak van klassenverkleining en minder voor ‘het dalende niveau van de leerkracht’. Want dat is ‘overdreven en met een goede begeleiding op de pabo en als starter komt dat echt wel goed’.
De berichten over de magere rekenprestaties van pabostudenten hebben er in elk geval stevig ingehakt. Eén ondervraagde vermoedt dat de rekenprestaties van studenten hbo-economie vergelijkbaar zijn en vraagt zich af waarom de focus steeds op de pabo is gericht. Een ander vindt de aandacht overdreven en ziet ook pluspunten. ‘De huidige generatie pabostudenten is creatiever en didactisch sterker.’
Die mening wordt niet door het voltallige panel gedeeld. Naar aanleiding van de rekenproblemen werd gevraagd hoe het niveau van de studenten van lerarenopleidingen van vandaag werd beoordeeld op meerdere fronten. Het kennisniveau, didactische vaardigheden, pedagogische vaardigheden en de inzet.
Bij die laatste drie vond het merendeel dat het niveau gelijk was gebleven en inderdaad, een klein opvallend plusje bij de didactische vaardigheden. Daar komt de hoogste score ‘beter’ tevoorschijn: 18 procent vindt dat. Maar over het kennisniveau van de toekomstige generatie leraren is men overwegend negatief: tweederde denkt dat dat slechter is dan toen zij op de opleiding zaten.
[Grafics]
Niveaudaling?
35-min 35-55 55-plus
Niveaudaling wordt overdreven 26% 15% 8%
Kwaliteit goed, maar onder druk 19% 22% 10%
Peil afgelopen jaren gedaald 55% 63% 82%
Rapportcijfers school en onderwijsbestel
Eigen lessen (leraren) 7,3
Eigen school (leraren) 6,7
Eigen school (ouders) 7,5
Het onderwijsbestel (leraren) 5,2
Het onderwijsbestel (Nederlanders) 6,4
Beeldvorming onderwijs in de media
positief neutraal negatief
televisie 14% 38% 49%
kranten 15% 40% 45%
Beeldvorming leraren in de media
positief neutraal negatief
televisie 21% 28% 51%
kranten 19% 34% 46%