- blad nr 3
- 10-2-2007
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Parlementair onderzoek naar onderwijsvernieuwingen
Zomaar een beetje terugblikken op twintig jaar vernieuwingsprocessen leek een Kamermeerderheid toch niet een goed idee. Doel en richting van het onderzoek moesten eerst nog preciezer geformuleerd worden. Pas als er een stevigere onderzoeksopdracht is, gaat de Tweede kamer verder kijken in welke vorm de onderwijskwaliteit onderzocht gaat worden.
Buiten het parlement waren de reacties op een parlementair onderzoek gemengd. De kritische onderwijsonderzoeker Greetje van der Werf, die al jaren waarschuwt voor een niveaudaling, verwacht dat het ontaardt in ‘gekrakeel van meningen en inzichten, waar we weinig wijzer van worden’. Volgens haar is het verstandiger als het kabinet investeert in beter toezicht op de kwaliteit. De voorzitter van CNV Onderwijs, Marleen Barth noemde het onderzoek ‘verspilling van tijd en geld’.
De Vereniging Beter onderwijs Nederland denkt dat een onderzoek ‘zou kunnen als de waarheidscommissie in Zuid-Afrika, waarbij de overheid de hand in eigen boezem steekt en komt tot een publieke erkenning van het toegebrachte leed dat naamloos is gebleven’. In een artikel in NRC Handelsblad schrijft voorzitter Ad Verbrugge dat men vooral moet bekijken wat er de laatste jaren met de kwaliteitscontrole is gebeurd: inspecteer de inspecteurs.
Andere onderwijsorganisaties, zoals de VO-raad, waren tegen een parlementair onderzoek waarbij het parlement zichzelf controleert, maar waren voor een terugblik. AOb-voorzitter Walter Dresscher formuleerde het als volgt: “Het probleem van een parlementair onderzoek is wel dat het parlement zijn eigen wonderlijke en warrige beleid moet gaan beoordelen. Een externe onderzoekscommissie in plaats van parlementariërs is veel beter.”
Dresscher noemde daarbij als voorbeeld de manier waarop de Tweede Kamer met scholierenprotesten omgaat. Toen begin 2000 leerlingen te hoop liepen omdat ze het studiehuis te zwaar vonden, heeft de Kamer ogenblikkelijk versoepelingen verordonneerd. “Nu de leerlingen te hoop lopen tegen de gebrekkige kwaliteit wil men een parlementair onderzoek. Daar zit toch weinig consistentie in.”
Waar het onderwijs volgens hem last van heeft, is dat men in Den Haag veel maatregelen bedenkt en in scholen dropt. “Keer op keer heeft de onderwijsinspectie achteraf vast kunnen stellen dat vernieuwingen te snel en met te weinig middelen zijn ingevoerd, dat gold voor het vmbo, de basisvorming en het studiehuis. Wat dat betreft kunnen parlement en regering een voorbeeld nemen aan vernieuwingsprocessen uit het verleden. Voor de invoering van de Mammoetwet en de basisschool werden vele jaren uitgetrokken en was geld beschikbaar om scholen en docenten in te werken in de gewenste veranderingen.”
Hoogleraar Jaap Dronkers denkt in dezelfde richting en wil een staatscommissie, maar dan zonder mensen uit de ‘onderwijslobby’. Als mogelijke kandidaten noemt hij in een artikel in het Onderwijsblad (zie pagina 48) voormalig leraar Kees Beekmans, testpsycholoog Jaap Drenth, socioloog Han Leune en Karina Schaapman, een ouder die een school aanklaagde wegens wanprestatie.