- blad nr 3
- 10-2-2007
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Niet alleen musical na de Cito-toets
Ongeveer 150 duizend leerlingen halen minder hoge cijfers dan ze zouden kunnen op basis van hun cognitieve talenten. Daarbij gaat het om leerlingen met een gemiddeld en een hoog IQ.
De Onderwijsraad vroeg het ITS en het SCO-Kohnstamm Instituut te onderzoeken hoe dat komt. Volgens de onderzoekers is er voor bepaalde leerlingen te weinig leertijd en ontbreekt het vaak aan maatwerk. Op veel scholen wordt er in groep 8 na de Cito-toets in februari of maart al een schooladvies gegeven. De raad vindt dat te vroeg, er resten dan nog vier maanden tot de zomervakantie waarin juist leerlingen waarover twijfel bestaat nog bijgespijkerd kunnen worden. Nu wordt de tijd vooral besteed aan het kiezen van de juiste school en het instuderen van de traditionele musical aan het eind van het jaar. Opmerkelijk is dat uit het onderzoek wel blijkt dat de Cito-eindtoets bijna altijd tot het juiste schooladvies leidt (er is slechts een afwijking van 4 procent). Toch adviseert de Onderwijsraad de toets niet als eindoordeel te zien, maar ook het schoolrapport mee te laten tellen. In de laatste maanden kan er nog gewerkt worden aan bepaalde vakken waar de leerling zwak in is. Voor kinderen met overlappende adviezen (vmbo/mavo of mavo/havo) kan dat een duwtje zijn in opwaartse richting.
Extra leertijd maakt veel uit voor bepaalde leerlingen gedurende de hele basisschool. De weekendscholen zijn een goed voorbeeld, cursussen tijdens de zomervakantie en meer leertijd na school zoals bij veel brede scholen al gebeurt.
De Onderwijsraad rekende uit dat maatwerk en intensiever onderwijs weliswaar meer kost, maar dat het ook geld opbrengt. Als maar 3 procent van de vmbo-leerlingen in een hoger schooltype terechtkomt dan leidt dat tot een inkomenstoename voor deze leerlingen van 400 miljoen per leeftijdsgroep.
Daar staat tegenover dat dan bijvoorbeeld de gewichtenregeling verbeterd moet worden waardoor meer leerlingen voor intensiever onderwijs in aanmerking komen. Daarnaast blijft de raad hameren op het invoeren van leerstandaarden, een stokpaardje dat al jaren bereden wordt, maar nog steeds niet is ingevoerd. Voor zowel het basisonderwijs als het einde van de onderbouw in het voortgezet onderwijs moet duidelijk zijn wat iedereen moet weten op drie verschillende niveaus.
Belangrijk voor de leerling is vaak ook de verwachting die de leerkracht van hem heeft. Het blijkt dat bij 13 procent van de leerlingen in groep 4 de leerkracht een lagere verwachting heeft over het toekomstige niveau in het voortgezet onderwijs, dan gezien de prestaties gerechtvaardigd zou zijn. Autochtone leerlingen met laag opgeleide ouders blijken een lager advies te krijgen voor het voortgezet onderwijs dan andere autochtone leerlingen bij gelijke prestaties.
De leerkrachten zullen meer geschoold moeten worden in de aanpak van specifieke groepen. Zo blijken meisjes in het voortgezet onderwijs nogal eens een verkeerd profieladvies te krijgen, waardoor ze vaak geen bètaprofiel kiezen, terwijl ze dat wel zouden kunnen. Zowel voor jongens als meisjes vraagt de raad een specifieke benadering, maar dan zal er eerst meer onderzoek gedaan moeten worden naar hun seksegebonden leergedrag.