• blad nr 22
  • 16-12-2006
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Een verstandshuwelijk, ja. Maar wel een goed verstandhuwelijk

Op 1 januari bestaat de AOb precies tien jaar. De slobbertruien van de Abop en de driedelig kostuums van het NGL zijn bijna geruisloos samengegaan in die ene bond. De AOb groeit en de service aan de leden is verbeterd. Maar voor zelfgenoegzaamheid is geen reden, zeggen Ella Vogelaar en Walter Dresscher. “Binnen de bond is de inhoudelijke discussie soms doodgeslagen.”

Het moest. Daarover zijn Ella Vogelaar en Walter Dresscher het ook tien jaar na dato nog roerend eens. Vogelaar was als voorzitter van de Algemene Bond voor onderwijzend personeel (Abop) een van de grondleggers van de fusie – hoewel zij tegen de tijd dat die haar beslag kreeg al was vertrokken. Dresscher, de huidige voorman van de AOb, was voorzitter van het Nederlands Genootschap van leraren (NGL) ten tijde van de fusie.
“Iedereen zat met z’n ogen te knipperen”, zegt Vogelaar over het moment dat zij en toenmalig NGL-voorzitter Gerard Moll bekendmaakten dat de twee bonden nauw gingen samenwerken. De verschillen leken destijds – het was 1993 – nog groot. De Abop, dat was die rooie onderwijzersbond, de bond van de geitenwollen sokken en de slobbertruien. Binnen de NGL werd het beeld bepaald door eerstegraads leraren, liefst in driedelig kostuum gestoken.
De bonden hadden bovendien jaren van inhoudelijke meningsverschillen achter de rug. De Abop was voor de middenschool (bedoeld voor alle leerlingen van twaalf tot vijftien jaar), de NGL was tegen. Binnen de Abop waren hartstochtelijke voorvechters van het openbaar onderwijs te vinden, het NGL stond vanouds ook voor het bijzonder onderwijs in de bres. “We hadden elkaar twintig jaar lang verketterd”, zo schetst Dresscher de verhoudingen in de jaren zeventig en tachtig.
Waarom dan toch die fusie?
“We zagen aankomen dat de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs niet langer centraal, in overleg met de overheid, vastgesteld zouden worden”, blikt Vogelaar terug. “We zouden daarom met veel meer partners moeten overleggen en dat vereiste dus ook meer menskracht. De Abop en het NGL konden dat afzonderlijk niet opbrengen. De ABOP had een sterk kader van mensen die gedeeltelijk waren vrijgesteld voor allerlei activiteiten van de bond. Het NGL was sterk in individuele dienstverlening, daar was elke onderwijsbond jaloers op. Wij dachten dat de twee bonden elkaar konden versterken.”
“Het ging ook om de kwaliteit van de dienstverlening”, voegt Dresscher eraan toe. “Het NGL had een paar decennia geleden bijvoorbeeld één jurist in dienst. Dat kon toen misschien nog, maar nu zeker niet meer. Daarvoor is het terrein waarop een onderwijsbond juridische deskundigheid moet bezitten veel te groot geworden.”

Rimpelloos
Een verstandshuwelijk dus? De twee geven het grif toe. Maar toch een huwelijk dat eigenlijk rimpelloos tot stand kwam. In 1993 dachten de fusiepartners nog vijf jaar nodig te hebben om aan elkaar te wennen, pas na die vijf jaar zou besloten worden hoe de samenwerking er daarna moest uitzien. Maar in de praktijk bleek het sneller te kunnen: al na twee jaar namen NGL en Abop het fusiebesluit en op 1 januari 1997 was de Algemene Onderwijsbond een feit.
Zulke grote verschillen, toch zo’n vlotte fusie. Hoe kon dat?
Vogelaar: “De verschillen waren niet zo groot als ze leken. Al vanaf vroeg in de jaren tachtig bezocht ik ledenvergaderingen van het NGL. Daar maakte het driedelig kostuum langzaam plaats voor colbertjes en truien. En binnen de Abop zag je misschien nog geen driedelig, maar wel steeds vaker colbertjes.”
Dresscher: “Van tevoren dachten we: Dat wordt vreselijk moeilijk. Maar het is meegevallen. Het gegeven dat we één bond zijn, neemt ook de neiging weg om te polariseren. Soms zie ik nog oprispingen van oude sentimenten. Laatst sprak ik iemand die zijn lidmaatschap opzegde vanwege een tv-spotje van de FNV vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen. Daarin werd nogal onomwonden een voorkeur voor links uitgesproken, en daar wilde dit lid niets mee te maken hebben. Eigenlijk vond ik dat hij gelijk had.”
Daarmee verwijst Dresscher naar misschien wel het meest diepgaande verschil in traditie tussen NGL en Abop. Op het laatste Abop-congres werd nog de trom geroerd over de ‘emancipatorische opdracht’ van de vakbond, terwijl tegelijkertijd het NGL alle nadruk legde op het belang van ‘politieke neutraliteit’.
Geen keiharde tegenstelling misschien, maar wel een verschil in invalshoek. Hoe gaat dat in de praktijk?
Dresscher: “Ik heb altijd op de noodzaak van politieke neutraliteit gehamerd. In de Verenigde Staten hebben de onderwijsbonden zich ingezet voor de democratische presidentskandidaten Al Gore en John Kerry, ze hebben hele vermogens in hun campagnes gestoken. Maar de democraten verloren, en vervolgens staan de bonden dan vier jaar lang buitenspel. Maar natuurlijk, de bond heeft een emancipatorische opdracht. Het gaat ons er nog steeds om via het onderwijs te bouwen aan een betere samenleving. Dat betekent bijvoorbeeld dat we ons verzetten tegen alles wat elite-onderwijs in de hand werkt, zoals hogere collegegelden. En dat we veel aandacht besteden aan de achterstandenproblematiek.”
Vogelaar: “Die verschillen in invalshoek zijn deels ingehaald door de geschiedenis. Voor de FNV en ook voor de Abop was politieke neutraliteit allang het uitgangspunt. Maar toch bemoeide de vakbeweging zich in de jaren zeventig en tachtig overal mee, met de strijd tegen kernraketten en noem maar op. Dat is veranderd. Vanaf de jaren negentig heeft de vakbeweging zich beperkt tot zaken die met arbeid en inkomen te maken hadden.”
“Ook in het onderwijs zijn de verschillen kleiner geworden”, vervolgt Vogelaar. “De Abop was altijd voorvechter van gelijke kansen, zette zich in voor kinderen in achterstandspositie. Tegenwoordig is er een brede consensus over de noodzaak om daarnaast talent de kans te geven zich te ontwikkelen. Gelijke kansen en aandacht voor talent, dat leek vroeger een tegenstelling, maar het meningsverschil daarover is verdwenen. Er zijn ook weinig mensen die nog vinden dat de overheid onderwijsvernieuwing tot stand moet brengen. Er wordt meer overgelaten aan scholen zelf, en dat betekent ook dat meer dan vroeger diversiteit wordt geaccepteerd. Ook daardoor zijn de tegenstellingen minder scherp komen te liggen. De discussie gaat nu meer over de vraag wie bepaalt wat er op school gebeurt. Zijn dat de schoolleiders en –bestuurders of zijn dat de professionals, de leraren zelf?”

Minder compromissen
Veel tegenstellingen mogen in de afgelopen tien jaar verdwenen zijn, toch wordt er over onderwijs nog steeds verwoed gediscussieerd – bijvoorbeeld over het nieuwe leren. Over de rol die de AOb daarin speelt, is Dresscher niet tevreden. “Toen we fuseerden, dachten we dat discussies die vroeger tussen NGL en Abop gevoerd werden, voortaan binnen de bond konden plaatsvinden”, zegt hij. “De AOb moest een platform voor onderwijsinhoudelijk debat zijn. Het ontstaan van de Vereniging Beter onderwijs Nederland is een teken dat dat niet helemaal gelukt is.”
Wat is er misgegaan?
Dresscher: “Als je mensen uit het onderwijs over de inhoud van hun vak laat praten, wordt het altijd heel levendig. Maar na de fusie hebben we het een tijd lang veel over de organisatie van de vakbond gehad, maar te weinig over de inhoud van het onderwijs. Daardoor hebben we het soort zaken waarmee Beter onderwijs Nederland nu bezig is, niet op tijd gesignaleerd. Ik denk dat we anders over de inhoud van het onderwijs moeten praten: opener, losser, minder gericht op compromissen.”
Vogelaar: “Als je ruimte wilt laten voor discussie, dan hoef je als onderwijsbond niet één opvatting zalig te verklaren. Misschien is de bond dan ook beter in staat om te zorgen voor de nuance, bijvoorbeeld in de discussie over het nieuwe leren. Want die discussie is ontzettend gepolariseerd geraakt, met stereotypen over en weer.”
Een nieuwe rol voor de vakbond. Maar hoe zit het met de oude rollen?
Dresscher: “De vakbeweging in het algemeen heeft het moeilijk. De ledenaantallen lopen terug, het ledenbestand vergrijst, de bonden krijgen minder erkenning. Dat merken wij ook. Vroeger liepen politici hier de deur plat. Dat gebeurt niet meer. We moeten meer ons best doen om gehoord te worden.”
“Het Museumpleinakkoord van 2004 leek een succes”, continueert Dresscher. “De opkomst voor de demonstratie die daaraan voorafging, sloeg inderdaad alles. Maar het resultaat? Ik denk niet dat we de regering met dat akkoord een nederlaag hebben toegebracht. Vooral babyboomers zijn op hun wenken bediend. Dat een club als het Alternatief voor Vakbond daartegen geprotesteerd heeft, is wel begrijpelijk.”
Vogelaar: “De vakbeweging kampt met het probleem dat ze weinig jongeren bereikt. Maar we hoeven niet zenuwachtig te worden van dat Alternatief voor Vakbond. Zulke clubs hebben een goede functie, ze agenderen een probleem buiten én binnen de vakbond. Het doet me denken aan de Nahossers, die destijds protesteerden dat de Abop teveel oog had voor de belangen van ouderen. Dat was even wennen, een actiegroep die bonsde op je deur. Maar uiteindelijk is hun wens wel vervuld: de aanvangssalarissen zijn inderdaad omhoog gegaan.”
Dresscher: “Onze dienstverlening aan de leden is in elk geval op niveau gebleven. Zonder fusie was dat niet gelukt. Kijk naar de Onderwijsbond CNV: die heeft minder leden en minder financiën en moet daarom nu verhuizen. Ze hebben straks geen eigen kantoor meer. Als je als lid belt, kan je net zo goed iemand van de bouwbond of van de industriebond aan de telefoon krijgen. Dat kan, maar wij kiezen liever voor een herkenbare onderwijsbond. Leden willen meer dan goede dienstverlening en goede belangenbehartiging. Een goede cao, dat vinden ze prima. Maar minstens zo belangrijk vinden ze het om het over hun werk te hebben. Over de inhoud praten, dát is de succesformule.”

{kader 1}
De laatste fusie?
Al toen NGL en Abop fuseerden werd er voorzichtig gespeculeerd over nieuwe fusies, met de andere grote FNV-bond in de publieke sector, de Abvakabo, of met de Onderwijsbond CNV. Het is er niet van gekomen, en Dresscher en Vogelaar zien het voorlopig ook niet gebeuren.
Met de Abvakabo FNV zijn een aantal jaren geleden wel besprekingen gevoerd. Maar die zijn “hardhandig geklapt”, zoals Dresscher het uitdrukt. De AOb verloor het vertrouwen dat de afspraken waarover onderhandeld werd ook daadwerkelijk zouden worden uitgevoerd. En een nieuwe poging zal Dresscher niet ondernemen, al was het maar omdat de ambtenarenbond een sterk ledenverlies heeft.
Vogelaar benadrukte al bij de allereerste toenadering tussen Abop en NGL, in 1993, het belang van een herkenbare onderwijsvakbond. Dat standpunt neemt zij nu nog in. “Daarom zou ik huiverig zijn voor opgaan in de Abvakabo. Mensen in het onderwijs willen niet alleen dat hun belangen behartigd worden, ze willen ook weten wat er in het onderwijs speelt. Daar heb je een herkenbare onderwijsbond voor nodig.”
En de Onderwijsbond CNV? Internationaal zijn de christelijke en algemene vakorganisaties samengegaan, maar nationaal staat dat nog niet te gebeuren. En zolang dat niet verandert, ligt een samengaan van de twee onderwijsbonden niet voor de hand, vinden zowel Vogelaar als Dresscher. “De verschillen in identiteit worden steeds kleiner”, denkt Vogelaar. “Die zijn in elk geval niet zo groot als de verschillen tussen Abop en NGL.” Dresscher was ooit wel enthousiast voor een fusie. Maar nu zegt hij: “Ik streef het niet na. Het is ook niet gezond als een vakbond een monopolie heeft.”

{kader 2}
Het ledenaantal stijgt, maar niet hard genoeg
Eigenlijk doet de AOb het helemaal niet slecht. Terwijl de vakbeweging bijna over de hele linie kampt met ledenverlies en vergrijzing, slaagt de onderwijsbond erin te groeien. Tien jaar geleden begon de bond met 73 duizend leden: 52 duizend oud-Abop en 21 duizend oud-NGL. Inmiddels staat de ledenteller op bijna 76 duizend.
Maar voorzitter Dresscher is er niet tevreden over. De kosten van de dienstverlening aan de leden stijgen ieder jaar met een paar procent en de inkomsten die de leden binnenbrengen, houden met die stijging geen gelijke tred. “Dat komt ook omdat oudere leden opzeggen of overlijden. De nieuwe leden zijn meestal jonger, en jongeren betalen minder contributie.”
Daarom moet de AOb steeds opnieuw naar zijn uitgaven kijken. Het aantal formatieplaatsen bij de bond is sinds de fusie dan ook gedaald van 156 naar 120. “Om die trend te keren, zou de ledengroei fors sterker moeten worden.”

{kader 3 + grafic die in kader hoort}
Tien jaar AOb op rapport

‘Eigenlijk ben ik mede dankzij de AOb een tevreden lesboer… Ga zo door… Het beleid mag veel harder: zorg dat het onderwijs niet als een mak lammetje naar de slachtbank wordt gedragen… Ik ben niet blij met de forse daling van mijn nettosalaris… Eis hoge lonen, u bent te gezeglijk… Uw woordvoerders in de media blijken steeds goed op de hoogte’

Kritiek en lof wisselden elkaar af in de jubileumenquête waar leden konden aangeven hoe zij over het AOb-beleid dachten. Hogere salariseisen, hardere acties kwamen vaak terug. Maar ook hulde voor het gevoerde beleid. Aan de 653 deelnemers van het AOb-panel werd gevraagd om voor verschillende onderdelen
rapportcijfers uit te delen.

{grafic}
Rapportcijfers AOb

Informatie- en adviescentrum 7,1
Juridische dienst 7,1
Het Onderwijsblad 7,1
Website www.aob.nl 7,1
Laatste cao-resultaat in mijn sector 5,7
Cursussen afdeling scholing 7,1
AOb-bijeenkomsten regio 6,4
AOb-bijeenkomsten landelijk 6,9

Een ruime voldoende, behalve voor het cao-resultaat. Dat laatste is altijd al het moeilijkste ‘product’ van een vakbond geweest. Want het gevecht om betere arbeidsvoorwaarden is moeizaam en sinds de dereguleringsoperatie nog lastiger geworden. De bond zit nu aan tafel met de werkgevers, die op hun beurt weer afhankelijk zijn van de minister van Onderwijs die op haar beurt weer afhankelijk is van de minister van Financiën. Niet de meest gunstige onderhandelingspositie.
Voor de oudere leden zijn de arbeidsvoorwaarden topprioriteit in het bondsbeleid. Meer dan de helft van de 35-plussers onderschrijft dat de AOb zich daarop moet concentreren en de onderwijsinhoud moet overlaten aan organisaties als de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en vakverenigingen. Bij de jongeren is dat anders: slechts eenderde vindt dat de AOb zich vooral moet toeleggen op arbeidsvoorwaarden en de onderwijsinhoud links moet laten liggen.
Overigens willen de leden eigenlijk dat de bond alles doet waarom gevraagd wordt. En vakinhoudelijke conferenties organiseren én steun geven bij loopbaankeuzes én de positie van het personeel verstevigen bij de werkgevers. Bij al die items vindt tweederde tot 90 procent dat het een taak is van de AOb.
Het initiatief van de AOb om het Professioneel statuut tot stand te brengen wordt door tweederde van de ondervraagden gesteund. Nog eens eenderde staat daar neutraal tegenover en slechts een kleine 6 procent ziet er niets in.
Interessant is het natuurlijk ook om te kijken of de jongeren onder de 35 iets zien in andere vormen van belangenbehartiging, zoals internetvakbonden, het Alternatief voor Vakbond, de Vereniging Beter onderwijs Nederland of simpelweg een rechtsbijstandsverzekering. Uit de enquête blijkt vooral dat jongeren daar minder afwijzend tegenover staan, maar ook niet zichtbaar positiever. Het lijkt er toch vooral op dat de deelnemers massaal vinden dat de AOb in het krachtenspel rond onderwijs een belangrijke rol heeft te vervullen.

Iedereen kan meedoen aan het AOb-panel. Meld u met uw lidmaatschapsnummer aan op www.aobpanel.nl

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.