• blad nr 22
  • 16-12-2006
  • auteur Y. van de Meent 
  • Redactioneel

 

Ministerie gaat vermogens scholen scherper controleren

‘Scholen potten miljoenen op. Weer zo’n oneliner die scholen in een kwaad daglicht stelt.’ Het voortgezet onderwijs reageert verontwaardigd op het onderzoek van het Onderwijsblad waaruit blijkt dat 60 procent van de scholen teveel geld op de bank heeft staan. Die reserves zijn hard nodig om tegenvallers op te vangen, beweren ze. Deskundigen betwijfelen dat. “Bij goed financieel beleid, heb je haast geen reserves nodig.”

“Oppotten? We voeren een goed financieel beleid, dat is heel wat anders”, stelt Jan Tol, directeur van de Stichting Katholiek onderwijs Volendam in het Noordhollands Dagblad. De stichting bestuurt het Don Bosco College dat op de zesde plaats eindigde in de oppotters top tien die het Onderwijsblad twee weken geleden publiceerde. Afgelopen vijf jaar hield de school 9,4 procent over van de zeventien miljoen die er jaarlijks binnenkomt. Eind 2004 stond er 7,7 miljoen euro op de bank, daarnaast heeft de school ook nog een beleggingsportefeuille ter waarde van 7,7 miljoen euro. De solvabiliteit, een maat voor de omvang van het eigen vermogen, kwam eind 2004 uit op 88 procent: hoger komt in het voortgezet onderwijs niet voor. En omdat het ministerie van Onderwijs 45 procent al meer dan genoeg vindt, lijkt de kwalificatie oppotter meer dan terecht. Maar rector Gerrit Dekkers ziet het anders. ‘Van oppotten is pas sprake als wij niets zouden doen aan onze behuizing, slecht geoutilleerd zijn en ook nog eens slechte studieresultaten boeken. Dat is niet het geval’, stelt hij in de Volkskrant.
Uit het onderzoek naar de jaarcijfers over 2000 tot 2004 blijkt dat het Don Bosco niet de enige school is die jaar in jaar uit geld overhoudt. Een kwart van de 309 schoolbesturen in het voortgezet onderwijs boekte de afgelopen vijf jaar een winst van meer dan 3 procent. Zes van de tien scholen heeft een vermogenspositie opgebouwd die door het ministerie van Onderwijs als te hoog wordt beschouwd. Die conclusies leverden verontwaardigde reacties op.
‘Scholen potten miljoenen op. Weer zo’n oneliner die scholen in een kwaad daglicht stelt. Het is zo langzamerhand gebruikelijk geworden dat in de media het beeld wordt geschetst dat ze er in het onderwijs maar een zooitje van maken’, schrijft G. Op den Kelder, adjunct-sectordirecteur van het Teylingen College aan de Volkskrant. Zijn schoolbestuur hield in 2004 1,9 miljoen euro over (6,1 procent van de totale inkomsten) en had aan het eind van dat jaar 5,7 miljoen op de bank staan. Tot tevredenheid van de adjunct-directeur. ‘Wat ben ik blij dat wij op onze school flinke reserves hebben opgebouwd. Daarmee hebben we een noodzakelijk gebouwendeel kunnen bekostigen, waarin de gemeente niet wilde participeren.’

Volksgevoel
Scholen reserveren niet alleen voor verbouwingen of nieuw meubilair. De meest onwaarschijnlijke calamiteiten passeren de revue. ‘Stel, drie leraren zitten in een auto en krijgen een ongeluk. Dan zit de school met salariskosten voor zes leraren. De uitvallers en hun vervangers. Dat moet je als school kunnen opvangen’, legt interim-directeur H. de Groot van het Stedelijk Daltoncollege in Zutphen uit aan de Stentor. Daarom is het niet zo gek dat zijn schoolbestuur eind 2004 ruim twee miljoen euro op de bank had staan.
De scholen krijgen bijval van hun besturenorganisaties. “Het beeld ontstaat dat scholen op hun geld zitten. Dat volksgevoel wil ik graag bestrijden”, zegt Jan Looise, adviseur bij VBS, de vereniging die de belangen van 650 algemeen bijzondere scholen in basis- en voortgezet onderwijs behartigt. Hij vindt de vermogensnormen die het ministerie vorig jaar heeft opgesteld te streng. “Scholen in het voortgezet onderwijs kunnen amper geld lenen, want ze hebben geen onderpand omdat hun gebouwen niet hun eigendom zijn”, betoogt hij. “Daarom moeten ze dus zelf geld reserveren.” Een werkgroep met vertegenwoordigers van besturenorganisaties en experts van het ministerie heeft deze zomer nieuwe criteria opgesteld waarmee de vermogenspositie moet worden beoordeeld. Als die worden toegepast daalt het aantal te rijke scholen van 190 naar 46.
Minister Maria van der Hoeven voelt daar echter niets voor. “We hebben vorig jaar met de scholen een akkoord bereikt over de normen en daar gaan we nu niet weer aan tornen”, stelt haar woordvoerder. Sterker nog, het ministerie onderzoekt of de grenzen niet wat strakker gehanteerd kunnen worden. Scholen die meer geld reserveren dan de bedoeling is, moeten nu alleen in hun jaarrekening uitleggen waarom ze zoveel geld opzij zetten. “Wij kijken of we niet wat scherper met die grenzen om kunnen gaan. Scholen moeten natuurlijk reserves aanhouden, maar een solvabiliteit boven de 45 procent is wel heel erg veel. Geld dat bestemd is voor het onderwijs moet daar ook aan besteed worden.”

Reserves
Dat klinkt alweer meer assertief dan de reactie op het onderzoek naar oppotten in het mbo en het hbo dat het Onderwijsblad in april publiceerde. Toen meldde een woordvoerder dat nieuwe regels en sancties niet passen in de bestuurlijke verhouding tussen het ministerie en de scholen. Maar in het mbo of hbo zijn ook minder oppotters dan in het voortgezet onderwijs. Van de hogescholen heeft 15 procent een te hoog vermogen en bij roc’s en vakscholen 40 procent.
Wellicht werpt ook de introductie van lumpsumfinanciering in het primair onderwijs zijn schaduw al vooruit. Basisscholen kregen in augustus voor het eerst een zak met geld die ze naar eigen inzicht mogen besteden. Gevreesd wordt dat zij net als middelbare scholen veel geld opzij gaan zetten om tegenvallers op te vangen. Maar dat is helemaal niet nodig, want het basisonderwijs heeft al stevige reserves. Uit een pilot die voorafging aan de introductie van de lumpsumfinanciering bleek dat de gemiddelde solvabiliteit van de twaalf deelnemers op 54 procent ligt.
Of dat ook voor basisscholen teveel is, is nog niet duidelijk. Aan beoordelingscriteria wordt nog gewerkt, meldt Bé Keizer, senior beleidsadviseur bij Vos/ABB, de besturenorganisatie voor 2800 openbare en algemeen toegankelijke scholen. Als het aan Keizer ligt krijgen basisscholen het advies niet meer dan 5 procent van de jaaromzet opzij te zetten als weerstandsfonds om bijvoorbeeld een plotselinge daling van het aantal leerlingen op te vangen. “Daarnaast moet je op basis van een degelijke risico-inventarisatie bepalen hoe hoog je reserves moeten zijn. Maar zo’n inventarisatie doe je om de risico’s te kunnen beheersen. Bij goed financieel beleid heb je haast geen reserves nodig. Dat is wat wij proberen uit te dragen.”

{kader}
Vmbo-scholen zijn het rijkst
De dertig zelfstandige vmbo-scholen hielden tussen 2000 en 2004 gemiddeld 4 procent van de totale jaarinkomsten over, terwijl alle 309 schoolbesturen samen een positief resultaat van 1,5 procent boekten. De vmbo-scholen hebben ook een groter eigen vermogen. De gemiddelde solvabiliteit komt uit op 60 procent, 15 procent boven de oppotnorm. Uit analyses van de jaarcijfers op schoolniveau blijkt dat ook vmbo-scholen die deel uitmaken van een groter schoolbestuur meer geld overhouden dan de rest van het voortgezet onderwijs. Scholengemeenschappen voor vwo/havo/vmbo-t houden het minst over.
Het vmbo heeft de afgelopen jaren extra subsidies kregen, onder andere om de praktijklokalen te moderniseren. Het lijkt erop dat scholen die extra subsidies nog niet hebben uitgegeven.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.