• blad nr 22
  • 16-12-2006
  • auteur A. Kersten 
  • Redactioneel

Jongeren missen carrièreperspectieven in onderwijs 

Aanstormende generatie is niet zo honkvast

Op pabo’s en lerarenopleidingen zitten tienduizenden jongeren die graag in het onderwijs willen werken. Kijkend naar de komende pensioneringsgolf is dat ook hard nodig. Het Onderwijsblad bekeek of de nieuwe generatie leraren anders kijkt naar het beroep. Er is één opvallend verschil: jongeren denken er veel vaker over om het onderwijs te verlaten. En voor hen telt het gemis van carrièreperspectieven dubbel zo zwaar.

Tekst Arno Kersten, Gaby van der Mee en Robert Sikkes
Onderzoek Nico van Kessel, ITS
Beeld Yvonne de Blaauw, Rob Niemantsverdriet en Typetank

Werken in het onderwijs is een van de mooiste beroepen die er bestaat. Dat vinden ouderen én jongeren. Vaak wordt vergeten dat een baan als leraar nog steeds erg gewild is. De pabo is met ruim 35 duizend studenten de allerpopulairste studierichting in het hbo. Nog eens meer dan 20 duizend jongeren willen het voortgezet onderwijs in, al zijn dat veel te weinig om alle openvallende plaatsen op te vullen.
De reden van de populariteit is simpel. De combinatie van werken met kinderen én het overdragen van kennis, maakt het beroep erg aanlokkelijk. In die mening verschillen ouderen en jongeren nauwelijks, zo blijkt uit de jubileumenquête die het Onderwijsblad hield onder 653 AOb-leden in alle leeftijdsgroepen. Allebei zetten ze die twee redenen – werken met kinderen en kennis overdragen - royaal op nummer een en twee wanneer ze gevraagd worden naar hun motivatie om in het onderwijs te werken. De vrijheid in de uitoefening van het beroep is op een flinke afstand de derde belangrijke reden.
De generatiewisseling die zich in het onderwijs voltrekt is een logisch verschijnsel. De babyboomers die in de jaren zeventig voor de klas gingen staan, gaan langzamerhand met pensioen en maken plaats voor jonge leerkrachten. Die ontwikkeling is betrekkelijk recent. Jarenlang zat het onderwijs op slot door bezuinigingen en daling van het leerlingenaantal. De groep van 35 tot 45 jaar is daardoor relatief klein en pas nu komt er een nieuwe aanstormende generatie die profiteert van de vrijkomende banen en leerlingengroei. Vooral in basis- en voortgezet onderwijs is dat zichtbaar in de leeftijdsopbouw van het lerarenkorps.



In het basisonderwijs heeft de nieuwe generatie zich al stevig genesteld: het aantal mensen tussen de 25 en 35 is de afgelopen jaren fors gegroeid. In het voortgezet onderwijs is het begin van een vergelijkbare ontwikkeling te zien. Heel voorzichtig komen er wat piekjes bij de leeftijdsgroep tot dertig jaar. Piekjes die snel groter moeten worden, wil de bult van 55-plussers die de komende tien jaar vertrekt vervangen worden. Tel daarbij op dat het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs flink groeit, dan zullen er nog veel meer nieuwe leraren nodig zijn.
De aantrekkingskracht van het beroep mag dan dezelfde zijn voor jong en oud, toch zijn er ook opmerkelijke verschillen. Zo zijn jonge docenten aanmerkelijk positiever over de inzet van ict in het onderwijs. De stelling ‘de inzet van meer ict in het onderwijs werkt kwaliteitsverhogend’ wordt door 48 procent van de generatie onder de 35 onderschreven. Bij de ouderen daalt dat snel: in de groep van 35 tot 55 vindt nog maar 39 procent dat en bij de 55-plussers houden voor en tegenstanders van de stelling elkaar bijna in evenwicht met ruim 30 procent.
Ook als het gaat om het ‘nieuwe leren’ zijn jongeren iets milder. Wanneer wordt voorgelegd dat ‘competentiegericht leren leidt tot minder kennis en een niveaudaling’ onderschrijven alle groepen boven de 35 dat in een ruime meerderheid. Bij jongeren is ruim 30 procent het eens met die stelling en 36 procent oneens. Bovendien vindt 61 procent het een interessante ontwikkeling die nog verder uitgewerkt moet worden, percentages die bij de oudere generaties aanmerkelijk lager liggen. Vervolgens lopen de opvattingen weer weinig uiteen als het gaat om kleine klassen of het nut van klassikaal onderwijs. In alle leeftijdsgroepen vindt negen van de tien leraren kleinere klassen kwaliteitswinst. Klassikaal onderwijs wijst men zeker niet af. De stelling dat van klassikaal onderwijs een karikatuur wordt gemaakt, wordt door zeven van de tien docenten onderschreven.
Natuurlijk zijn er grote verschillen als het gaat om de lifestyle van de jonge generatie leraren. Beschreef het Onderwijsblad ooit docent doorsnee als iemand die naar Nederland 3 keek, de Volkskrant, Vrij Nederland las en naar Radio 1 luisterde, in het mediagebruik is de jonge generatie totaal anders. Voor de 35-plussers is radio bijvoorbeeld een belangrijk informatiekanaal: radio 1, 2 en regionale zenders zijn favoriet. De jongeren luisteren daarentegen massaal naar muziekzenders. Ze kijken ook veel vaker naar commerciële televisie, waarbij rtl4 en Net5 de grootste aanhang hebben, terwijl hun oudere collega’s de knop bijna vast hebben staan op Nederland 1 en 2. De Volkskrant als dé onderwijskrant heeft duidelijk een imagoprobleem. Van de oudere docenten leest 40 procent die krant, bij de jongeren is dat slechts 18 procent.
Maar de belangrijkste verschillen tussen de generaties zijn te vinden in hun opvattingen over de loopbaan. Jongeren zijn lang niet zo honkvast als het gaat om hun carrière in het onderwijs. Op zich niet verwonderlijk, want sinds de jaren zeventig hebben zich op de arbeidsmarkt grote verschuivingen voorgedaan. Toen was het onderwijs een groeisector, nu is de werkgelegenheid redelijk stabiel. Destijds verschafte het onderwijs werk aan ongeveer de helft van de hoger opgeleiden. In de kenniseconomie van vandaag kunnen hbo’ers en academici ook heel goed ergens anders terecht en werkt nog maar 15 procent in het onderwijs. De uitwijkmogelijkheden zijn vergroot en zodra de economie weer een groeispurtje maakt, lokken andere sectoren mensen weg uit het onderwijs. De grote vraag is natuurlijk of jongeren daar niet extra gevoelig voor zijn. Samengevat: werken in het onderwijs was destijds een baan voor het leven, misschien uit passie voor het vak maar ook omdat er weinig uitwijkmogelijkheden waren. Nu ligt dat volledig anders, hoger opgeleiden kunnen overal terecht en bedrijven zien er geen enkel probleem in om een slimme pabo-student om te scholen tot ict-specialist als ze die toevallig nodig hebben.

Opstapbaan
In de Verenigde Staten nemen ze het probleem van de weglopende leraren zeer serieus. In de komende tien jaar zijn daar twee miljoen nieuwe leraren nodig. Bij Harvard University is het Project on the next generation of teachers opgezet om de problemen in kaart te brengen. Het project probeert met onderzoek en advies jongeren te vinden en behouden voor het onderwijs. Want daar wringt het. Weliswaar is een grote groep jongeren bereid om in het onderwijs te gaan werken, maar zo blijkt uit alle onderzoek, niet voor lang. In het kader van de studie werd bijvoorbeeld een groep starters in Massachusetts gevolgd die gebruik had gemaakt van een bonusregeling en een versnelde lerarenopleiding. Binnen twee jaar was één op de vijf alweer vertrokken. De redenen voor hun vertrek waren divers, maar wat overheerste was de lage (in de Verenigde Staten zéér laag ten opzichte van andere hoger opgeleiden) betaling in het onderwijs en de werkdruk. Wat jongeren ook tegenviel was het voorzieningenniveau van scholen. Terwijl voldoende ict en andere elektronische gadgets in andere banen doodnormaal zijn, is het onderwijs onwaarschijnlijk low tech opgezet met veel papier en krijtjes.
In het boek Finders and keepers beschrijft onderzoeker Susan Moore Johnson van het Harvard-project hoe de politiek de rol van salaris onderschat bij de beslissing om in het onderwijs te werken. Op de vechtmarkt die de slag om werknemers soms is, is er een grote groep jongeren die lesgeven wel interessant vindt, maar afwijst vanwege de lage beloning. Ze maakt duidelijk dat lokkertjes als startbonussen niet werken: zo’n eenmalige som geld weegt niet op tegen het lage salaris voor de rest van de carrière. De onderzoekers van het Project on the next generation of teachers concluderen dan ook dat onderwijs een soort opstapbaan wordt. Na de universiteit een jaar of vijf lesgeven – wat het wel goed doet bij andere werkgevers – en dan doorstromen naar het beter betalende bedrijfsleven.
Die conclusies rechtvaardigen de vraag of ook de Nederlandse jongeren minder honkvast zullen zijn. En daar lijkt het zeker op. Op de vraag in de jubileumenquête ‘denkt u er wel eens over om het onderwijs te verlaten’ antwoordt iets meer dan de helft van alle leraren bevestigend. Op zich al schokkend genoeg, maar treuriger wordt het als blijkt dat van de leraren onder de 35 maar liefst tweederde erover nadenkt om de schooldeur achter zich dicht te trekken. Bovendien is de motivatie om het onderwijs te verlaten wezenlijk anders dan bij de ouderen.
Bij de ouderen staat de werkdruk op nummer een, maar komt slecht management al heel snel op twee en is salaris (groep 35-55) of het frustrerende onderwijsbeleid (55-plus) nummer drie. Voor de jongeren staat ook de werkdruk op een, gevolgd door te weinig salaris. Dat tweede argument wordt op de voet gevolgd door gebrek aan carrièremogelijkheden. Voor de jongeren van onder de 35 telt dat minstens dubbel zo zwaar als voor alle groepen boven de 35. De ouderen maken zich juist druk over het slechte management en het matige onderwijsbeleid, iets dat bij de nieuwe generatie een veel kleinere rol speelt.
Natuurlijk denken veel mensen wel eens aan het veranderen van loopbaan. Daarom was deze aanwijzing in de vragenlijst alleen niet genoeg. Doorgezaagd over de carrièreplanning blijkt dat van de groep onder de 45 tenminste eenderde al serieus denkt om per direct of in de nabije toekomst het onderwijs te verlaten. Een op de tien is al bezig met solliciteren of gaat dat de komende jaren doen. Nog eens 23 procent weet nog niet wanneer men buiten het onderwijs gaat werken, maar is dat zeker van plan. Samen hebben we zo eenderde van de jongeren die er serieus over denkt om het onderwijs vaarwel te zeggen, de groep ‘potentiële vertrekkers’.
Bij de jongeren kennen we ook de ‘doorstromers’: enthousiaste docenten met carrièreplannen binnen het onderwijs. Een flinke groep wil naar het management (20 procent) en een kleiner deel naar een andere onderwijssector (15 procent). Blijft nog over, ook weer bijna eenderde, aan ‘blijvers’, een groep leraren die voor de klas wil blijven staan op de eigen of een andere school, of die na een tijdelijke stop weer terugkeert.
In de enquête vroegen we ook naar de oorspronkelijke carrièreplannen van de 45-plussers om ook daar de vertrekkers, blijvers en doorstromers te vinden. Terugkijkend naar hun oorspronkelijke gedachten over hun loopbaan waren er opmerkelijk meer ‘blijvers’: zeker 52 procent wilde of op één school blijven of meerdere scholen binnen één sector aflopen.

Veilige haven
Het beeld dat het Amerikaanse onderzoek schetst gaat ook voor de Nederlandse ouderen op: zij waren vanaf het begin af aan van plan om in het onderwijs te blijven werken. Het aantal doorstromers ligt ook hoger: 21 procent wilde switchen van sector, 18 procent zag een managementfunctie als ideaal. Het aantal vertrekkers onder de groep 45-plussers is klein: slechts 8 procent dacht er oorspronkelijk over om het onderwijs na een aantal jaren te verlaten. Misschien is dat cijfer iets te laag omdat de mensen die echt weg zijn gegaan niet geënquêteerd zijn, maar uit ander onderzoek weten we dat die groep nooit op eenderde uitkomt. Er waren in de jaren zeventig en tachtig buiten het onderwijs niet echt veel banen door de economische recessie. Onderwijs was een relatief veilige haven, met betrekkelijk goede arbeidsvoorwaarden. Mensen die het onderwijs verlieten voor een baan in het bedrijfsleven waren zeldzaam. Veel vaker werd de overstap gemaakt naar het snel uitdijende mbo, volwassenenonderwijs of hbo.
Kortom: de situatie in Nederland lijkt op die in de Verenigde Staten. Werken in het onderwijs wordt wel aantrekkelijk gevonden, maar de combinatie van hoge werkdruk, laag salaris en zeer beperkte carrièrekansen schrikt jongeren af. Moore Johnson beschrijft in haar boek twee strategieën die schoolbesturen nu volgen om de gaten te dichten. Zij ziet een groep finders, werkgevers die constant de markt afstropen om de gaten te vullen met steeds weer nieuwe jonge leraren. Soms door ze bonussen te bieden of door ze een studiemogelijkheden te geven. Maar wat deze finders onder de werkgevers vergeten is dat ze steeds weer opnieuw op pad moeten, omdat de jongeren na een paar jaar weer een carrière buiten het onderwijs kiezen. Beter af zijn de keepers: schoolbesturen die werk maken van goede arbeidsomstandigheden. In de studie beschrijven jonge docenten wat daar de kenmerken voor zijn. En dan gaat het niet langer alleen over salaris, maar bijvoorbeeld ook over een goede introductie voor starters. Met daarna een collegiale sfeer en een school die hoge verwachtingen heeft van de leerlingen. Voortdurende bijscholing van docenten maakt een onderwijswerkgever extra aantrekkelijk, net als eigentijds lesmateriaal en ict-faciliteiten. Dat onderwerp, hoe goed scholen in Nederland voor hun personeel zorgen en hoe de verschillende generaties daarover denken, komt terug in het volgende Onderwijsblad. Wordt vervolgd.

{noten}
Finders and keepers - Helping new teachers survive and thrive in our schools, Susan Moore Johnson, maart 2004, ISBN: 0787969257, US $24.95

Meer informatie over The project on the new generation of teachers is te vinden op www.gse.harvard.edu/~ngt/


{grafics + taartpunten + toelichting onderzoek als beeld}
Jongere generatie minder honkvast

Ik denk wel eens over het verlaten van het onderwijs:
35-min 66%
35 tot 55 46%
55-plus 46%


Top 5 motivatie om onderwijs te verlaten
35-min

1. Hoge werkdruk 44%
2. Weinig salaris 34%
3. Weinig carrièremogelijkheden 33%
4. Slecht onderwijsbeleid 19%
5. Slecht management 18%

35 tot 55
1. Hoge werkdruk 50%
2. Slecht management 32%
3. Weinig salaris 31%
4. Slecht onderwijsbeleid 25%
5. Weinig carrièremogelijkheden 17%

55-plus
1. Slecht management 35%
2. Hoge werkdruk 34%
3. Slecht onderwijsbeleid 27%
4. Weinig salaris 15%
5. Slecht personeelsbeleid 15%

{taartpunten}
De droomcarrière van jong en oud verschilt enorm

Leraren tot 45

Vertrekkers 33%
Blijvers 33%
Doorstromers 34%

Leraren boven 45

Vertrekkers 8%
Blijvers 52%
Doorstromers 40%

Toelichting onderzoek
In de jubileumenquête werd gevraagd naar de meest gewenste carrière van leraren onder en boven de 45. Tot de vertrekkers behoren degenen die op verschillende vragen aangaven of zij bij de start van hun loopbaan er al over dachten het onderwijs te verlaten. De blijvers zijn mensen die aangeven op één school of verschillende scholen in dezelfde sector les te willen geven, eventueel met een tijdelijke onderbreking voor het verzorgen van kinderen. De groep doorstromers bestaat uit docenten die de overstap naar een andere sector of het management willen maken.
Aan de jubileumenquête deden 653 mensen mee, evenredig verdeeld over de leeftijdsgroepen onder 35, tussen 35 en 55 en boven de 55. De deelnemersgroep bestond voor 55 procent uit mannen en 45 procent uit vrouwen uit alle onderwijssectoren. De uitvoering van de enquête was in handen van Nico van Kessel van het ITS van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

{kader plus foto Marijn}
‘Ik heb het mooiste vak dat er is’
Marijn van den Dool (29) werkt als docent biologie op het Aloysius College in Den Haag en is bezig aan zijn vijfde jaar in het onderwijs. “Zo’n school is één grote bruisende mierenhoop, dat trekt me bijzonder. Die enorme diversiteit aan leerkrachten en leerlingen, die allemaal deel uitmaken van een gemeenschap op school. Je kunt niet een vast riedeltje afdraaien in de klas, je hebt elk uur dertig verschillende leerlingen met dertig verschillen problemen, pluspunten en humeuren voor je.” Salaris interesseert hem niet. “Ik kan ervan rondkomen. Meer is altijd leuk, maar als je dat erg belangrijk vindt, moet je ergens anders gaan werken.”
Van den Dool timmert stevig aan de weg, al is dat niet bewust: was voorzitter van de medezeggenschaps- en personeelsraad, is ict-coördinator. Een tijdje terug werd hem gevraagd of hij een langdurig zieke afdelingschef zou willen vervangen. “Het komt op mijn pad, en dan zeg ik geen nee.” Maar wie bewust uit is op carrière maken, kan het lastig krijgen in het onderwijs. “Het aantal functies is erg beperkt in vergelijking met het bedrijfsleven. Je kan het niet echt plannen, als je dat zou willen.”
Met oudere generaties docenten merkt Van den Dool soms een verschil. “Sommigen hebben al zoveel veranderingen in het onderwijs meegemaakt dat ze een beetje vernieuwingsmoe zijn. Ik begrijp dat wel als iedere tien jaar iemand ‘Eureka!’ roept en de boel weer anders moet.”
Niels Gaastra (26) geeft les aan zeventien kinderen in de groepen, 6,7 en 8. Hij is bezig aan zijn derde jaar in het basisonderwijs, waarvan het tweede op de openbare basisschool Op ‘e trije in Ferwerd. Gaastra maakt deel uit van een team waarvan de meeste docenten allang op de school werken. Hij ziet soms kleine verschillen met de oudere generatie. “Ze verwachten bijvoorbeeld eerder dat een stagiair van de pabo alles meteen kan oppakken. Maar ik heb zelf ook de pabo gedaan. Ik merk dat ik nu voor de klas pas echt leer leraar te zijn.”
Zo is klassikaal werken voor de oudere generatie van oudsher vertrouwder, al wordt er op de school nu meer gedaan met zelfstandig werken. Zijn directeur stond voorheen voor de groepen van Gaastra. “Hij was gewend om door de klas te lopen, terwijl ik de leerlingen naar mijn instructietafel achterin de klas laat komen. Die kleine verschillen leveren soms interessante gespreksstof.” Een hoge werkdruk is te verwachten. Stoppen komt niet in hem op. “Ik heb het mooiste vak dat er is.”
Lonneke Snijder (30) zegde in september na zes jaar haar baan bij de Annie M.G. Schmidtschool in Arnhem op. Stoppen ervoer ze als een bevrijding. Niet vanwege de werkdruk of het salaris. “Ik was redelijk klaar met voor de klas staan, er zijn weinig doorgroeimogelijkheden in het onderwijs.” Zorgtaken erbij nemen hield haar nog een paar jaar langer op school. Maar ze wilde meer richting het management en dat zat er voorlopig niet in. Op de eerste schooldag dit jaar dacht ze: Waar ben ik mee bezig? Ze werkt nu freelance voor de educatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff. Daarnaast is ze bezig met solliciteren.

{fotobijschrift}
@B1:Biologiedocent Marijn van den Dool: “Je kunt niet een vast riedeltje afdraaien in de klas.”

foto: Rob Niemantsverdriet

{kader + foto Saskia}
‘Het is goed te behappen’
Leuke collega’s en afwisselend werk. Dat zijn belangrijke redenen voor oudere docenten om door te gaan. Saskia Bokma (63) werkt al 44 jaar op dezelfde school, het Winterkoninkje, een montessorischool in Amsterdam waar ze zelf als kleuter op zat. Toch heeft ze nooit iets anders willen doen. “Ik begon als kleuterjuf, werd toen hoofd van de kleuterschool en bij de samenvoeging met de lagere school ben ik weer een kleutergroep gaan doen.” Ze is vast van plan tot haar 65ste door te werken. ”Mijn grote voordeel is dat ik erg veel energie heb, je moet ook gym kunnen geven. Ik heb indertijd wel een applicatiecursus gedaan, zodat ik ook in andere groepen les kon geven, maar ik ben bij de kleuters gebleven.” De school telt nu vierhonderd leerlingen, het team bestaat uit 35 mensen en is heel hecht. ”Het is een wat ouder team, heel veel mensen zijn de school trouw gebleven. Er is nooit narigheid. Werkdruk? Ach, het is goed te behappen, maar dat komt door de ervaring die ik heb. Sinterklaas schud ik zo uit mijn mouw en ik geniet ervan.”
Klaas Adema (58) heeft meer moeite. “Zowel lichamelijk als geestelijk merk je wel verschil. Dan gaat het vooral om opvoedkundige dingen, het oprapen van een papier en zo’n leerling die glashard roept dat hij het niet gegooid heeft. Dan denk je: Ouders voedt je eigen kinderen op.” Adema wil doorwerken tot zijn 63ste. “Een paar jaar geleden ben ik afgebrand, ik heb toen een coach gehad. Dat heeft me erg geholpen.” Hij geeft Nederlands op een school voor voortgezet onderwijs in Huizen. “De sfeer is hier goed, ook met de jongere docenten. Wij leren veel van elkaar. Ouderenbeleid? Ik heb seniorenuren, maar ik vind dat niet helemaal eerlijk, want de jongeren moeten veel harder werken om hetzelfde te verdienen als ik. Twee van hen gaan alweer weg, het is het correctiewerk wat ze nekt. Daar worden wij allemaal gek van.” Hij ziet ontwikkelingen die hem niet erg hoopvol stemmen. Zo is het management van zijn school uitgebreid en werden docenten die al dertig jaar werken ingeschaald als beginnende docent. “Wij worden onvoldoende gesteund in ons werk.”
Afwisseling genoeg in de loopbaan van Hennie Pistorius (56). Ze begon op de basisschool, richtte samen met anderen een jenaplanschool op en ging daarna werken met asielzoekerskinderen. “Wij hebben toen onderdak gekregen bij het Stedelijk Daltoncollege Alkmaar, daar werk ik nu nog bij de sectie anderstaligen.” Door allerlei verwikkelingen (terugloop van asielzoekers) en nieuw beleid (waar ze het niet mee eens was) is er op haar huidige school minder werk. Daarom gaat ze volgend jaar weer op een asielzoekerscentrum beginnen. “Ik ben ook niet zo’n mens voor een grote scholengemeenschap, ik hou meer van een kleinere werkkring. Ik werk behoorlijk zelfstandig en ik heb hele leuke collega’s die volgend jaar mee verhuizen.” Ze heeft nooit terug verlangd naar de basisschool. “Nee, het was een natuurlijke ontwikkeling, dit werk bevalt me nu heel goed.” Jonge collega’s heeft ze nooit veel gehad. “Vroeger was dat ook al zo, kennelijk moet je wat meer levenservaring hebben voor dit werk.”

{fotobijschrift}
@B1:Kleuterjuf Saskia Bokma: “Sinterklaas schud ik zo uit mijn mouw.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.