• blad nr 22
  • 16-12-2006
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

De nieuwe generatie leraren  

Volwassenen zijn vaak heel stijf, kinderen niet

De pabo is met ruim 35 duizend studenten de allerpopulairste studierichting in het hbo. Het Onderwijsblad vroeg zes eerstejaarsstudenten van de Hogeschool Utrecht waarom ze voor de opleiding tot basisschoolleraar kozen.


Laura van der Mark:
“Het onderwijs is me met de paplepel ingegoten: ik vond het als klein meisje al leuk om mijn stiefmoeder te helpen bij het geven van kleuterlesjes.
Ik wilde eerst pedagogiek gaan studeren, maar op de informatiebijeenkomst leek die studie me zo verschrikkelijk saai... Tot ik daar in het montessorilokaal kwam en al dat materiaal zag. Toen werd ik helemaal warm van binnen.
Het leukste van de pabo zijn de stages, en vooral het geven van knutsellessen. Laats heb ik in mijn klas een verhaal over boten voorgelezen, daarna mochten de leerlingen zelf een schip maken. Ik dacht dat het allemaal stoomboten of zeilboten zouden worden, maar als je dan ziet met wat voor creatieve dingen kinderen komen: van Chinese jonken tot oorlogsboten met torpedo’s. Prachtig, ze laten zich echt helemaal gaan.”

Marjolein Kruijt:
“Ik heb getwijfeld tussen de pabo, pedagogiek en logopedie. Uiteindelijk is het de pabo geworden omdat die studie toch het meeste met kinderen te maken heeft. Mijn stage is ook hartstikke leuk: ik ben juf op een school voor speciaal onderwijs, met veel autistische kinderen. En nee hoor, dat is helemaal niet zo moeilijk. Ze hebben veel behoefte aan een vast ritme, dus aan het begin van de dag maak je een schema op het bord met wat er allemaal gaat gebeuren. En dan gaat het wel goed. Het T-shirt met ‘juf’ heb ik gekregen toen ik met de basisschool op kamp ging. Ik draag het vaak: het is leuk en het zit lekker.”

Emil de Rijk:
“Ik heb pas een jaar geleden gemerkt hoe leuk het is om met kinderen te werken: als oppas. Nu heb ik ook een baantje in een speelgoedwinkel. Daar raad ik de klanten vooral bordspellen aan: die vind ik zelf ook leuk.
Ik houd van het speelse van kinderen: dat ligt me wel. Volwassenen zijn vaak heel stijf, zo ben ik niet. Ik heb nog wel even geaarzeld of ik niet de opleiding tot docent Engels zou gaan doen. Maar het lesgeven aan die pubers: dat zie ik mezelf niet doen.
Ik ben wel blij dat ik heb gekozen voor een pabo waar je een montessori-aantekening kunt halen. Mijn zus, die deze studie ook gedaan heeft, raadde me dat aan. Want je kunt kinderen niet verplichten om iets te leren, het moet hun eigen keuze zijn. Zelf vind ik regulier onderwijs ook maar saai.”

}
Tamara Vrolijk:
“Voordat ik hier op de pabo kwam heb ik de opleiding tot onderwijsassistent gedaan. Dat beviel goed, het is altijd leuk om met kinderen te werken. Maar ik wil ze graag wat leren, en niet alleen maar de juf ondersteunen en lijmpotjes vullen. Tijdens mijn stage heb ik nu een eigen klas, het is heel leuk dat ik nu zelf een draai aan de les kan geven. Ik zou alleen wel wat minder leerlingen willen hebben: een groep van dertig is best veel. Of ik straks zelf ook een onderwijsassistent krijg? Ik hoop het.”

Martine Selhorst:
“Ik heb vrij laat ontdekt hoe leuk het is om kinderen iets te leren. Op de middelbare school moesten we allemaal een geschiedenisles geven op een basisschool. Dat vond ik geweldig. Het gevoel dat je anderen wat kunt leren, dat die dat ook wíllen. Ik voelde gewoon hun aandacht, echt fantastisch.
Voor die geschiedenisles twijfelde ik over mijn studiekeuze, want ik heb ook wel iets met gezondheidzorg. Maar na die les wist ik dat dit het gewoon is. Het valt me alleen wel op dat het montessori-, dalton- en reguliere onderwijs zo strikt gescheiden zijn. Er zitten in elke stroming wel goede elementen, ik zou ze graag wat meer door elkaar willen gebruiken.”

Brieke van Tessel:
“Omdat mijn moeder ook in het onderwijs zit, heb ik al heel wat kijkjes achter de schermen kunnen nemen. Toen ik klein was ging ik al met haar mee naar haar basisschool, en ik vond het altijd heel leuk om te zien hoe de hele klas naar haar luisterde. En dat de kinderen aan het einde van de dag echt iets geleerd hadden.
Het leuke van de pabo is dat je al meteen stage gaat lopen. Ik dacht dat ik het eerste jaar alleen af en toe zou mogen voorlezen, maar ik mocht direct al heel veel dingen zelfstandig doen.
Ik loop nu stage op dezelfde school als mijn moeder. Ik werk niet met haar samen, dat mag niet en dat zou ik ook niet willen, maar als we op dezelfde dag werken zoeken we elkaar vaak wel even op. Voor de gezelligheid.
Wat ik wel raar vind is dat er zoveel verschillende schrijfmethoden bestaan. Er zijn zoveel manieren waarop kinderen bijvoorbeeld de letter ‘t’ leren schrijven. Waarom doen scholen niet overal hetzelfde?”

Bevlogen types
Jurgen Memelink, opleidingscoördinator en jaarcoördinator van het Instituut Theo Thijssen van de pabo van de Hogeschool Utrecht: “Het gaat goed met de pabo: we hebben nu zo’n 180 eerstejaarsstudenten. Vier jaar geleden hadden we vier kleine klasjes, nu hebben we zeven volwaardige groepen. Dat kan te maken hebben met de goede visitatie van een paar jaar geleden, maar misschien ligt het ook aan de goede vooruitzichten op de arbeidsmarkt. Want studenten die nu beginnen, hebben over vier jaar zeker een baan. En dat speelt misschien niet zo voor studenten, maar wel voor hun ouders. En studenten zijn daar gevoelig voor.
De studenten willen allemaal ‘iets met kinderen’. Je ziet dat ze vaak ook al actief zijn bij bijvoorbeeld scouting en vakantiekampen. Er zitten bevlogen types tussen, anderen laten de opleiding gewoon over zich heen komen. Dat laatste zie je in de loop van de studie overigens wel veranderen: ze krijgen een steeds duidelijker eigen visie op onderwijs, en zien op hun stagescholen dingen die ze zelf anders willen doen.
Na een maand beginnen de nieuwe eerstejaars meteen aan een stage. We willen dat ze al snel kennismaken met hun uiteindelijke beroep. En door die stages nemen ze ook weer ervaringen mee terug naar de opleiding, en kunnen ze met anderen praten over zaken waar ze tegenaan liepen.
Inmiddels zijn de eerste eerstejaarsstudenten ook alweer gestopt met hun studie. Zelf kijk ik, als ik bij stagescholen op bezoek ga, of studenten contact maken met kinderen. Gaan ze voorin de klas zitten en wachten ze totdat iedereen zit, of staan ze bij de deur en geven ze af en toe een kind een aai over de bol? Contact maken met kinderen, daar draait het om in het eerste jaar. De rest komt later in de studie wel.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.