- blad nr 19
- 4-11-2006
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Metaalwerkgevers boos over competentieleren
Wij zijn een bedrijf, geen school’
“Met het nieuwe competentieleren in de beroepsbegeleidende leerweg van het vmbo is de grens bereikt. Veel bedrijven, waar de leerlingen vier dagen per week aan de slag zijn, dreigen af te haken. Zelfs de bedrijven die van oudsher bekend staan als een goed opleidingsbedrijf, klagen over het vele gedoe: het overleg met de scholen, de administratieve rompslomp en de toenemende benodigde hoeveelheid tijd en geld. Wij zijn in de eerste plaats een bedrijf, en geen school.”
José Leenders, directielid van Van der Klift Machinefabriek te Rotterdam, trok vorige maand flink van leer tijdens het jaarlijkse forum van de Koninklijke Metaalunie - de vereniging van ondernemers in de metaalbewerking. En volgens Leenders, tevens lid van de Commissie Onderwijs van de Metaalunie, staat zij niet alleen in haar klachten. “Dit is een noodkreet uit de branche.”
José Leenders, directielid van Van der Klift Machinefabriek te Rotterdam:
“In onze tak van industrie worden de leerlingen traditioneel vaak opgeleid in de bedrijven. Ze gaan één dag per week naar school, en leren de rest on the job: onder begeleiding van een praktijkleermeester, een werknemer die er lol in heeft om de nieuwe jongens het vak bij te brengen.
Wij leiden, als klein metaalbedrijf met dertien werknemers, regelmatig een leerling op. Vaak met het oogmerk om hem daarna in dienst te nemen, maar niet altijd. Er komen ook stagiairs over de vloer. Daar hebben we meestal niet zoveel aan, omdat die nog weinig kunnen. Ik zie opleiden ook als onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. Als de leerlingen bij ons, de bedrijven, niet meer kunnen leren, waar dan nog wel?
De afgelopen jaren is er in het onderwijs echter veel veranderd: veel scholen zijn aan de slag gegaan met competentiegericht leren. En daarbij wordt er steeds meer verlangd van de bedrijven. Wij moeten die jongens competenties gaan bijbrengen, wij moeten ze leren hoe ze hun prestaties kunnen verbeteren en wij moeten ze ook beoordelen. Onze praktijkleermeester moet nu met de leerlingen gaan reflecteren op wat ze geleerd hebben. Maar dat is typisch een taak voor het onderwijs - niet voor onze freezer die gewoon de nieuwe jongens het vak bijbrengt.
Verder moeten we ook steeds meer overleggen met de school. En dat kost moeite en veel tijd. Want roc’s zijn grote organisaties, waar het lastig is degene te pakken te krijgen die je nodig hebt. Verder beginnen wij al om kwart voor acht ‘s ochtends, en dan is de school nog dicht. En wij pakken om halfvijf nog makkelijk de telefoon, terwijl er op school dan al niemand meer te bereiken is.
De samenwerking tussen scholen en bedrijven moet worden verbeterd, en we zouden ook eens moeten kijken naar de financiën. Want alle geld voor het onderwijs gaat nu van de overheid naar de scholen. Maar als wij steeds meer stukjes van het reguliere onderwijs gaan verzorgen, mag die geldstroom ook wel wat worden omgebogen.”
De reactie van Jan Willem van Bruggen, productmanager bij Kenteq, het landelijke kenniscentrum voor technisch vakmanschap dat scholen en bedrijven ondersteunt bij onder meer het praktijkleren.
“De klacht van ondernemer Leenders is heel herkenbaar: ik hoor hem tenminste regelmatig in de praktijk. Maar in de eerste plaats is de overstap naar competentiegericht leren geen eenzijdig, exclusief idee van de roc’s. Het bedrijfsleven vraagt zelf ook om meer flexibele werknemers, die over brede vaardigheden beschikken. Om werknemers die kunnen omgaan met veranderingen, die niet alleen maar één kunstje kunnen. Die ook zelf sturing kunnen geven aan hun leerprocessen, omdat ze hun hele leven lang zullen moeten blijven leren.
Verder zijn veel roc’s nu inderdaad aan het experimenteren met competentiegericht leren, maar die experimenten zijn nog intern gericht. Op de docenten, op de verandering van het onderwijsprogramma en van de examens. De bedrijven worden nog te vaak vergeten. Uit een onderzoek dat Kenteq en roc’s onlangs hield onder ruim vijfhonderd praktijkopleiders in bedrijven, kwam één algemene hartenkreet naar boven: Informeer ons toch eens over dat nieuwe leren. Want bedrijven horen, zien en lezen van alles, maar het zijn steeds flarden. En dat leidt dan makkelijk tot een verkeerde beeldvorming.
Roc’s moeten die kreet zeer serieus nemen en de informatievoorziening aan de bedrijven echt snel verbeteren. We moeten die bedrijven meekrijgen, want die hebben we bikkelhard nodig.
De roc’s moeten de bedrijven dan ook vertellen dat competentiegericht leren helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Want zaken als ‘reflecteren’ en ‘portfolio’s’ kun je zo moeilijk maken als je wilt, maar het principe is heel simpel. Met mijn zoontje, die op de basisschool zit, worden ook reflectiegesprekken gehouden: Hoe gaat het, wat verwacht je van de juf, kun je opschieten met je klasgenootjes? Je hoeft echt niet vier jaar naar de universiteit om zo’n gesprek met een leerling te kunnen voeren. En mijn zoontje komt ook thuis met zijn ‘portfolio’: gewoon een map met tekeningen en rekenwerkjes.
Het nieuwe competentieleren kost de bedrijven inderdaad extra tijd. Maar ze vragen vaak zelf om invloed: ze willen meepraten over het onderwijsprogramma, zodat daarin de goede dingen aan de orde komen. Dat vergt overleg met het roc, maar daar krijgen de bedrijven ook wat voor terug. Want ze krijgen dan straks de werknemers die ze wensen.
De klacht dat de communicatie met scholen nogal eens moeilijk verloopt, hoor ik ook vaker. Het klassieke verhaal is natuurlijk het bedrijf dat naar het roc belt, waar de docent die ze moeten spreken tot drie uur ‘s middags in de les zit. Dus belt het bedrijf om vijf over drie terug, en dan is de docent al naar huis. Dat zal nog best wel eens gebeuren, maar er zijn ook scholen die de communicatie met bedrijven al serieus hebben verbeterd. En wij kunnen, als Kenteq, ook altijd helpen om bedrijven en scholen nog dichter bij elkaar te krijgen.”
Mevrouw Ted van Meijel, onderwijskundige bij de sector techniek van Gilde Opleidingen in Roermond en Venlo.
“We zijn druk bezig om het leren te organiseren rond competenties. Ook in de metaalopleidingen van de beroepsbegeleidende leerweg. Maar bij dat competentieleren gaan we uit van de beroepsprofielen die landelijk zijn opgesteld in overleg met de werkgevers, laten we dat niet over het hoofd zien. En bij het opstellen van die beroepsprofielen hebben de werkgevers zelf aangegeven dat het aanleren van alleen kennis en vaardigheden niet meer voldoet.
Want bedrijven willen geen werknemers meer die alleen maar één kunstje kunnen. Ze willen medewerkers die kunnen inspelen op veranderingen, die kunnen plannen, die kunnen omgaan met collega's en die bij kunnen blijven in hun beroep. Want de wereld verandert voortdurend, en daarmee de producten en productieprocessen. Dus heb je werknemers nodig die geleerd hebben om met veranderingen om te gaan.
Door het competentieleren ziet de opleiding hier op school er nu heel anders uit. Vroeger stonden leerlingen in rijen van twaalf achter de draaibanken, nu krijgen ze problemen voorgelegd. Er moet een bepaald product gemaakt worden, en dat moeten ze zelf regelen: de tekening lezen, een planning maken, tijd in de werkplaats reserveren en daarna evalueren.
En het opleiden in de bedrijven verandert ook. Vroeger waren de leerlingen vooral goedkope arbeidskrachten, maar nu wordt er van bedrijven een actievere houding verwacht. De leerling moet meer begeleid worden, en het bedrijf wordt verantwoordelijk voor een gedeelte van de examinering. Dat kost meer inspanning, maar als bedrijven dat goed doen, hebben ze er ook veel profijt van. Want dan leveren wij als school meer flexibele leerlingen af, die kunnen omgaan met veranderingen.”
{fotobijschrift}
@B1:José Leenders, directielid van Van der Klift Machinefabriek te Rotterdam: “Alle geld voor het onderwijs gaat nu naar de scholen. Als wij steeds meer stukjes van het reguliere onderwijs verzorgen, mag die geldstroom ook wel wat worden omgebogen.”