• blad nr 15
  • 8-9-2001
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

ŒIndividueel voortgezet onderwijs zit vol schijnoplossingen¹ 

Projectonderwijs moet zwakke leerling motiveren

Het leerwegondersteunend onderwijs is nog steeds een superflauw aftreksel van het theoretisch gerichte mavo/havo/vwo-programma, vindt leraar Henk van der Spek. Leerlingen kunnen dat niet aan, maar om te voorkomen dat ze helemaal ontmoedigd raken krijgen ze vaak een Œpedagogisch cijfer¹. Dat moet anders. Van der Spek pleit in onderstaand opiniestuk voor een rigoureuze verbouwing van het lwoo naar een vorm van wekelijks projectonderwijs met een beperkt aantal docenten.

Voordat leerlingen in aanmerking komen voor het leerwegondersteunend onderwijs ­ zeg maar het oude ivbo - wordt er heel wat afgetest en onderzocht. Veel geld en energie worden gestoken in het maken van handelingsplannen. In het basisonderwijs is vaak al gekeken naar de achterstanden, voordat een leerling wordt aangemeld. Er is een regionale verwijzingscommissie die de toelating regelt en controleert of verwijzing echt nodig is. Pas als een leerling aantoonbaar achterstand heeft op twee punten - taal, rekenen of sociaal-emotioneel - telt hij of zij mee als een 2.4-leerling. Daarvan betaalt het voortgezet onderwijs de zorgcoördinator, worden groepen klein gehouden, of worden steun en onderzoek van buiten gefinancierd. Er komen zorgkaarten met de belangrijkste punten en aanbevelingen voor het aanpakken van de achterstanden. Een soort beknopt handelingsplan, waarop mentoren en vakleerkrachten hun aanpak en lessen kunnen afstemmen.
Tot het moment dat de leerling de deur van het klaslokaal doorgaat, is er dus heel wat getest, gecheckt en gekeurd. Goed voor de leerling. Maar wat nu? Juist op het moment dat de machine moet gaan lopen, gaat hij haperen. De lwoo-leerling wordt met een compacte zorgkaart of uitgebreid handelingsplan in de klas gedumpt en de vakleerkracht moet het verder zelf maar uitzoeken. Met andere woorden: de zorg gaat tot de deur van het klaslokaal en wat daarachter gebeurt, is niet aan de orde. ŒWeer samen naar school¹ in het voortgezet onderwijs vergt volgens mij een rigoureus op de schop nemen van het systeem.

Zelfbedrog
Het onderwijs in het voormalige ivbo is in feite nog steeds een superflauw aftreksel van het mavo/havo/vwo-programma. Gelukkig zijn er nu wel voor alle vakken speciale, eenvoudige leerboeken geschreven, die heel duidelijk gestructureerd zijn en waar leerlingen redelijk mee uit de voeten kunnen. Wat dat betreft is er veel verbeterd.
Desondanks zijn de klachten van leerkrachten niet van de lucht. Als je echt kritisch bij jezelf te rade gaat en je afvraagt wat de leerlingen nu echt geleerd hebben en wat er na verloop van tijd is blijven hangen, dan komen te veel docenten vaak tot de conclusie dat het (ver) onder de maat is. Natuurlijk hebben we daar schijnoplossingen voor. We geven sommige leerlingen dan maar een pedagogisch cijfer (een voldoende om de leerling niet te demotiveren), of we geven ja/nee-vragen in plaats van vierkeuze- of open vragen. Of we passen de norm aan, want een ivbo-leerling op het laagste niveau laten we niet graag zitten. Dat zou ons eigen feilen te duidelijk maken. In feite is het zelfbedrog. Kan het anders? Ik denk van wel. Het moet anders.
Met de afschaffing van de lts en huishoudschool is er een tapijt gelegd van theorie, geënt op leerlingen met een hoger IQ. Hoe we deze theorie - de basisvorming - met veel praktisch werk geschikt kunnen maken voor het laagste niveau is een grote uitdaging, die nog niet is aangegaan. Stel dat we het oude ivbo willen vervangen door een beter op deze leerlingen afgestemd soort onderwijs, dan hoeven we niet opnieuw het wiel uit te vinden. Dat is namelijk al lang gebeurd. Het enige dat we moeten doen is eindelijk het lef hebben deze wielen ook te gaan gebruiken.

Excursies
Ik stel me een lwoo voor dat de volgende kenmerken heeft. Het gaat uit van de omgeving, de belangstelling en het niveau van de kinderen. Er is elke week een excursie. Er is veel praktisch werk, waarin de theorie verstopt zit. Elke dag een uur gymnastiek. De klas heeft twee tot hooguit vier docenten. De dwang van de leerboeken wordt afgeschaft. De klas heeft een eigen lokaal, met tv, video, computers met internet. Iedere leerling heeft een eigen werkplek en er is een groepstafel.
De kern van elke week wordt gevormd door een excursie die moet worden voorbereid, uitgevoerd en uitgewerkt (met behulp van muurkranten, werkstukjes, presentaties, spreekbeurten). Daarnaast wordt ook nog gewerkt uit reguliere leerboeken. De weektaak lijkt dan op een project zoals op elke school wel eens wordt uitgevoerd. Het is nu echter niet incidenteel, maar structureel, waardoor een betere voortgangs-
controle mogelijk is. Met de excursies proberen we verbalisme te voorkomen.
Een lesweek begint op maandag met een kringgesprek. Daarna worden de weektaken van elke leerling gemaakt en de excursie van de dinsdag wordt voorbereid. De laatste 45 minuten blijven er twee tot drie leerlingen op school voor remedial teaching of een mentorgesprek, de rest gaat naar huis.
De dinsdag wordt benut voor excursies of beroepenoriëntatie. We kunnen uitgaan van de omgeving: een bezoek aan een moskee met uitleg van de imam over de islam en het bijwonen van een dienst. Afnemen van interviews, invullen van werkbladen, maken van foto¹s en tekeningen, deelnemen aan een oosterse maaltijd. Er zijn honderden excursies te bedenken in elke omgeving. Boerderij, suikerunie, rioolwaterzuiveringsinstallatie, waterleidingbedrijf, allerlei musea, Archeon, de kerk, synagoge, diverse bedrijven. In plaats van een excursie kan er ook een paar keer een Engelse week gepland worden, waarin alles in het teken van Engeland staat en er Œalleen¹ Engels wordt gesproken.

Grotere betrokkenheid
Een andere belangrijke mogelijkheid zit in de beroepenoriëntatie. Elke leerling kan bijvoorbeeld in twee jaar tijd acht keer één of meer dagen mee met een wijkverpleegster, vrachtwagenchauffeur, of garnalenvisser. Daarvoor inventariseren we alle beroepen van vaders, moeders, ooms en tantes die we zouden kunnen gebruiken.
Woensdag, donderdag en vrijdag zijn voor het uitwerken van de opdrachten tijdens de excursie. Of om de theorie van die week daaraan te koppelen. Als we naar Westerbork zijn geweest, hoort daar een bepaald stuk uit het geschiedenisboek bij. Verder is er op die dagen gymnastiek, groeps- en individueel werk en mentorgesprekken. Vrijdag wordt de projectweek afgesloten met een presentatie en verantwoording.
Ik ben ervan overtuigd dat op deze wijze de betrokkenheid van de leerlingen en leerkrachten flink wordt vergroot en dat dit goede invloed heeft op het gedrag en kennisverwerving van de leerlingen. De eisen van de basisvorming hoeven hierdoor in het geheel niet in het gedrang te komen. Als een lwoo-leerling met handelingsplan in je leslokaal komt, zijn er in deze situatie op allerlei momenten mogelijkheden om in te spelen op dat plan. De docent ziet de leerling gedurende langere tijd en wordt niet geregeerd door boek of bel. Het moet anders en het kan dus anders.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.