• blad nr 9
  • 29-4-2006
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Ik heb pimpelpaars haar met rode stippen

Weinig allochtone jongeren volgen een opleiding tot meester of juf. Een van de verklaringen daarvoor is dat hun ouders weinig van het Nederlandse onderwijs af weten. Tot 2004 was er een stijging te zien van het totale aantal allochtone studenten aan de pabo’s. Maar in 2005 is de groei weer ingezakt. Twee allochtone leerkrachten over hun ervaringen in het onderwijs.

“Veel allochtone ouders hebben in Nederland geen opleiding genoten en weten daardoor weinig van het onderwijs af”, constateert Saleh Dahmani, leraar van de Toermalijn, een school voor speciaal basisonderwijs in Helmond. Een andere verklaring voor de geringe belangstelling van allochtonen voor de pabo zit volgens hem in het imago dat aan het basisonderwijs kleeft: dat van knippen, plakken en verven. Negatieve berichtgeving in de media maakt het leraarschap ook al niet populairder. Dahmani: “Op het nieuws hoor je van die verhalen dat een baan in het onderwijs slecht wordt betaald. Dat maakt zo’n beroep niet aantrekkelijk.”
Hafize Topcu, lerares Engels aan roc Tilburg en onderzoeksmedewerker aan de Universiteit van Tilburg, denkt dat het aantal aanmeldingen uit allochtone kring ook gering is door het vaak lange traject dat leerlingen moeten doorlopen. Het schooladvies is daarbij van wezenlijk belang. Als zij naar zichzelf kijkt: “Van de mavo ben ik naar de havo gegaan en van daaruit naar de pabo en de universiteit. Voor zo’n traject is veel wilskracht nodig. Ik had sterk de behoefte om me te bewijzen. Dat heeft niet iedereen”, zegt Topcu.

Vertekend beeld
Het aantal allochtone leraren in het basisonderwijs moet omhoog, vindt Palet, steunpunt voor multiculturele ontwikkeling in Noord-Brabant. De organisatie startte daarom al in 1999 het project Haal de wereld voor de klas. “De bedoeling van het project was meer bekendheid te geven aan de pabo onder allochtone leerlingen. Het onderwijs laat momenteel een vertekend beeld zien van de maatschappij waarin we leven. Naar verhouding werken er veel te weinig allochtone leerkrachten”, vindt Dahmani. Topcu schreef, als toevoeging aan het project, het rapport ‘Hoezo verschil?!’, een onderzoek naar beginnende Brabantse leerkrachten en pabo-studenten.
In de literatuur die Topcu las over allochtone leerkrachten, kwam zij steeds vijf thema’s tegen: meerwaarde, jezelf bewijzen, acceptatie van leerkrachten, Nederlandse taal en begeleiding van beginnende leraren. Topcu: “Door deze thema’s ook te bespreken met autochtone beginnende leerkrachten kwam ik erachter dat ze in ervaringen en knelpunten niet zo veel van elkaar verschillen. Zowel een allochtone als een autochtone leraar, die op dezelfde soort scholen werkten, bleken dezelfde ervaringen te hebben. Nederlandse vriendinnen maakten dezelfde dingen mee als ik.”

Bewijzen
“Hoe zekerder je als beginnende leerkracht in je schoenen staat, hoe makkelijker je het op de werkvloer hebt”, is de ervaring van Topcu. Allochtone beginnende leraren kunnen het gevoel hebben dat ze zich extra moeten bewijzen. Ze zijn bijvoorbeeld bang dat er constant gelet wordt op hun uitspraak van de Nederlandse taal. Volgens Topcu hoeft dat gevoel niet altijd terecht te zijn. Het kan ook berusten op een vooroordeel van de beginnende docent zelf. “In plaats van te denken dat er constant op je taalgebruik gelet wordt kun je ook denken: ‘Ach, een autochtone leraar maakt ook wel eens een foutje’. Een allochtone leraar vindt het vak Nederlands net zo belangrijk als een autochtone leraar”, zegt Topcu.
“Taal is niet alleen voor het vak Nederlands belangrijk, maar ook voor een vak als wiskunde. Als een leerling een opdracht niet begrijpt, maakt hij de som minder goed. Dat hoeft niet te betekenen dat hij slecht in rekenen is”, voegt Dahmani toe. Zelf heeft hij het geluk gehad dat hij de jongste is in het gezin. “Ik ben als enige in Nederland geboren. Mijn ouders spreken gebrekkig Nederlands. Dankzij mijn broers en zus heb ik de taal goed leren spreken. Zij verbeterden mij als ik bijvoorbeeld ‘die huis’ zei.” Na de basisschool ging hij naar het vwo en de pabo. “Ik vind kinderen geweldig en wilde graag wat voor ze betekenen.”

Acceptatie
“Kinderen accepteren je zoals je bent”, heeft Topcu gemerkt tijdens haar lesgeven. Leerkrachten, zo blijkt ook uit haar onderzoek, zijn veel met hun leerlingen bezig waardoor ze sneller aan elkaar wennen. “Basisschoolleerlingen waren bijvoorbeeld vaak nieuwsgierig naar mijn hoofddoek, vooral in de onderbouw. Ze vroegen dan waarom ik er één draag. Dan gaf ik aangepast aan hun leeftijd antwoorden als: ‘Dat vind ik leuk’ of ‘Ik ben moslim en die kunnen een hoofddoek dragen’. Maar meestal waren ze veel nieuwsgieriger naar de kleur van mijn haar. Voor de gein zei ik dan wel eens: ‘Ik heb pimpelpaars haar met rode stippen’. Dan zeiden ze: ‘Dat geloof ik niet’ en dan vertelde ik dat de kleur van mijn haar helemaal niet belangrijk is en dan was het over.”
Maar niet altijd gaat alles zo van een leien dakje. “Ik heb meegemaakt dat een ouder er een heel drama van maakte dat ik een hoofddoek draag”, vertelt Topcu. “Dat was op een school in Tilburg waar ik vier dagen invalwerk deed. Een vader belde andere ouders op om zich tegen mij te keren. Met hen ben ik toen in gesprek gegaan. Die man zei tegen mij: “Ik ben uit de randstad gevlucht voor mensen zoals jij’. Hij kwam nogal bedreigend over. Ik liet hem daarom maar gewoon uitpraten. Door wat hij zei, zagen de andere ouders al snel in dat hij niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Zij hebben hun excuses aangeboden en vonden dat ik gewoon moest blijven. Dit is mij gelukkig maar één keer overkomen en het valt in het niet bij alle positieve ervaringen die ik heb meegemaakt.”

Vertrouwen
Uit het rapport ‘Hoezo verschil?!’, van Topcu wordt duidelijk dat allochtone leraren zichzelf in de eerste plaats zien als leerkracht en niet als probleemoplosser of allochtoon. “Ik heb niet het idee dat ik aangenomen ben omdat ik Marokkaans ben. Ik ben gevraagd omdat ik goed ben”, verklaart Dahmani. Toch komt het de school wel goed uit dat hij Marokkaans spreekt. “We hebben ouders die gebrekkig Nederlands praten. Dan is het handig als ik hun taal spreek. Collega’s vragen mij wel eens om tijdens oudergesprekken als tolk te fungeren. Ik heb wel met ze afgesproken dat ik ‘nee’ kan zeggen, wanneer ik geen tijd heb. Ik heb tenslotte ook nog mijn eigen ouderavonden.”
Mensen voelen zich vooral aangetrokken tot mensen die op hen lijken, schrijft Topcu. Een Marokkaanse vader praat bijvoorbeeld makkelijker met een leerkracht van dezelfde culturele achtergrond. Dahmani: “Tijdens een oudergesprek heb ik een keer gehad dat een Marokkaanse vader tegen mij zei: ‘Als je het nodig vindt dan mag je mijn zoon een tik geven’. Dat zou ik natuurlijk nooit doen! Ik merk dat deze ouders veel vertrouwen in mij hebben. Een Nederlandse vader stelt sneller een kritische vraag over wat ik doe.” Hoewel het contact met allochtone ouders over het algemeen heel vertrouwelijk verloopt, kan hij met een autochtone ouder gemakkelijker over onderwerpen praten als seksualiteit. “Ik zou het heel moeilijk vinden om een Marokkaanse ouder over zo’n onderwerp te spreken. Daar zit toch een taboe op.”
Een goede stimulans uit de omgeving is voor jongeren erg belangrijk, vindt Topcu. Tijdens het project Haal de wereld voor de klas richtte Palet promotieteams van pabo-studenten op. Zij speelden een belangrijke rol bij de voorlichting en werving van nieuwe studenten. Ze gingen langs op scholen, waren betrokken bij conferenties en studiedagen en stonden met een stand op het Mundialfestival in Tilburg. Dahmani: “Op het festival deelden we bijvoorbeeld folders uit. Het doel was om de pabo bij allochtone jongeren bekender te maken.”
“De promotieteams zijn in de loop van het project minder actief geworden”, vertelt Topcu. “Toch blijft er specifieke aandacht nodig, omdat er naar verhouding weinig allochtonen in het onderwijs werken.” De overheid startte daarom in 2004 een campagne die de studie-uitval van allochtone leerlingen moet tegengaan. Deze duurt nog tot 2007.

{fotobijschriften}

@B3:Leraar Saleh Dahmani: “Een Marokkaanse vader zei een keer tegen mij: ‘Als je het nodig vindt dan mag je mijn zoon een tik geven’. Dat zou ik natuurlijk nooit doen.”

@B3:Hafize Topcu, lerares Engels: “Kinderen accepteren je zoals je bent.”

{Kadertje}

Cijfers van de Informatie Beheergroep over de periode 1998-2004 laten een toename zien van het aantal niet-westerse voltijd pabo-studenten, van 4,9 procent in 1998 tot 9 procent in 2004. De meesten hebben mbo (30,3 procent) als vooropleiding, 21,2 procent heeft havo. De cijfers bij de autochtone instromers laten een ander beeld zien. Van hen heeft slechts 10,5 procent het mbo als vooropleiding en 48,6 de havo.

{kader}

Aantal ingeschreven pabo-studenten

Nationaliteit 2002 2003 2004 2005

Turks 22 31 46 35

Marokkaans 53 66 102 56

Surinaams 19 25 24 33


Totaal ingeschreven 36433 40247 42259 37982
pabo-studenten

Dit zijn geen volledige cijfers, omdat het voor het Centraal register inschrijvingen niet verplicht is de nationaliteit door te geven.

{noot}

Meer informatie is te vinden op de website van Palet: www.palet.nl/wereldklasse/


Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.