• blad nr 15
  • 8-9-2001
  • auteur D. van 't Erve 
  • Redactioneel

Bve-sector sterk verdeeld over aanpassingen Wet educatie en beroepsonderwijs 

Praktijkleren schiet tekort

Na twee jaar onderzoek komt de stuurgroep Evaluatie Web met ingrijpende maatregelen die de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) beter moeten laten functioneren. De aanbevelingen vallen niet bij iedereen goed in de bve-sector. De Bve-raad wil een compleet nieuwe wet en Colo, de vereniging van landelijke organen, vindt het onderzoek veel te eenzijdig om er conclusies uit te trekken. De minister gaat opnieuw overleggen.

Met de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web), per januari 1996 van kracht, moest de structuur van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie eenvoudiger worden. Alle typen mbo en volwasseneneducatie fuseerden tot een grote onderwijssector: de bve-sector. In de wet is vastgelegd
dat de minister voor 1 januari 2002 verslag uitbrengt aan de Tweede Kamer over de werking ervan.
Maar na twee jaar onderzoek concludeert de stuurgroep Evaluatie Web dat het eigenlijk nog te vroeg is. ŒComplexe innovaties hebben tijd nodig om veranderingen mogelijk te maken. De invoering van de Web is een geweldige krachtsinspanning geweest en de condities waren verre van ideaal (geen tijd en geen geld)¹, schrijft de stuurgroep in haar verslag.
De AOb is blij met deze erkenning. AOb-hoofdbestuurder Joke van der Meer: ³Voor een heel groot deel is het te danken aan het personeel dat de vernieuwingen in een hoog tempo konden worden doorgevoerd. En vervolgens kregen juist deze mensen veel kritiek te verduren. Bijvoorbeeld dat de begeleiding te wensen overliet of dat de examens niet deugden, maar er is helemaal geen tijd geweest om het personeel op hun nieuwe taak voor te bereiden. Nog steeds vind ik het jammer en eigenlijk ook vreemd dat de ervaringen van de docenten, begeleiders of consulenten niet mee zijn genomen in dit onderzoek.²
De stuurgroep heeft een selectie gemaakt van acht kernproblemen, waar evenzoveel rapporten van verschenen. De aanbevelingen zijn niet mis. Uit het onderzoek bleek het aantal kwalificaties enorm groot, met veel overlappingen. Om nu de noodzakelijke samenhang te krijgen, doet de stuurgroep de aanbeveling het aantal lob¹s, de landelijke organen die verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen van kwalificaties en eindtermen, terug te brengen van 21 naar vier: voor de sector techniek, economie, zorg & welzijn en voor landbouw. Agrarisch onderwijs zou onder de verantwoordelijkheid moeten vallen van het ministerie van Onderwijs in plaats van Landbouw. Er moet één bekostigingsstelsel komen voor de beide leerwegen, bovendien moet de bekostiging van volwasseneneducatie naar de instellingen gaan. Voor een betere kwaliteit van de stageplaatsen moeten praktijkbegeleiders worden opgeleid.

Risicoleerling
Joke van der Meer is het met sommige aanbevelingen wel eens, zoals dat de bekostiging van de volwasseneneducatie naar de roc¹s gaat. ³Zo weet je zeker dat het geld aan opleidingen wordt besteed en zijn de verantwoordelijkheden duidelijker. Op die manier kunnen instellingen ook veel beter aan een van de doelstellingen van de Web voldoen, namelijk om een betere afstemming tussen het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie te krijgen.² Het laatste woord is over de rest van de aanbevelingen nog lang niet gezegd. ³Bijvoorbeeld over de toekomst van de assistentenopleidingen op niveau 1, vergelijkbaar met het vroegere vormingswerk. Ik vind dat die opleiding de juiste waardering moet krijgen. Het is vaak een opleiding voor de risicoleerling die een arbeidsintensievere aanpak nodig heeft en dat kost nou eenmaal meer geld dan er nu beschikbaar is², aldus Van der Meer.
De meningen over de aanbevelingen van de stuurgroep lopen sterk uiteen. Om onafhankelijk een eigen visie te kunnen vormen¹ heeft de Bve-raad zelf ook een onderzoek uitgevoerd, waarvan de conclusies grotendeels overeenkomen met de evaluatie van de stuurgroep. ³In de Web zitten ernstige weeffouten², zegt Geert Wammes van de Bve-raad. ³Alleen zijn enkele aanpassingen van de wet niet voldoende, zoals de stuurgroep vindt. Wij denken dat de enige oplossing een geheel nieuwe wet is.² Bijvoorbeeld om de verantwoordelijkheden goed te regelen. ³De Web is daarin onduidelijk en een deel van de verantwoordelijkheden overlapt elkaar, waardoor partijen elkaar in een greep houden.² Als voorbeeld noemt Wammes de bpv-plaatsen, de werk- en stageplekken voor de leerling. ³De instellingen zijn voor de toewijzing afhankelijk van de landelijke organen, maar eigenlijk is dat heel vreemd. Een roc zou zelf de plaatsen moeten kunnen werven in de regio. De controle of het een goede plek is, mag dan wel door een landelijk orgaan gebeuren.²
Wammes vindt bovendien dat er te veel logge procedures in de Web zijn vastgelegd, waardoor instellingen onvoldoende snel kunnen inspringen op de veranderingen in het bedrijfsleven. ³Als we een nieuw soort opleiding willen opzetten, duurt dat door de wettelijke procedure veel te lang om nog flexibel te kunnen zijn en goed in te kunnen spelen op de vraag.²

Overbodig
Bovendien kunnen volgens de raad veel regels uit de Web worden geschrapt. Wammes: ³De wet is in 1996 in elkaar getimmerd om de vorming van roc¹s te regelen. Er is niet over gedacht hoe het beroepsonderwijs in 2005/2010 er uit zou moeten zien. Inmiddels zijn we een aantal stappen verder en zijn die regels over de roc-vorming eigenlijk overbodig. Nu moeten we ons richten op de toekomst. Dat is een andere visie dan die van de stuurgroep. Die heeft gekeken naar de knelpunten in de wet en wat veranderd zou kunnen worden om die belemmeringen weg te nemen. Maar voor de toekomst: hoe moeten het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie er gaan uitzien en hoe komen we daar, daarvoor is een nieuwe wet nodig. Dat lukt niet met alleen
maar kleine reparaties.² In tegenstelling tot de Bve-raad ziet Colo, de vereniging van landelijke organen beroepsonderwijs, geen aanleiding voor nieuwe stelselwijzigingen. ³Hoe is het mogelijk dat de stuurgroep zegt geen betrouwbare gegevens te hebben over het rendement van opleidingen, maar dan wel kan concluderen dat het aantal landelijke organen moet dalen², vraagt Rufus van de Kerke van Colo zich af. Colo noemt het onderzoek buitengewoon eenzijdig. Leerlingen en bedrijven zijn nauwelijks gehoord, waardoor de Web-evaluatie vooral een soort Œzelfevaluatie is geworden, waarbij primair de meningen van de onderwijsinstellingen in kaart zijn gebracht¹. Bovendien vreest Colo dat doorvoering van de Œsterk schoolse aanbevelingen¹ van de stuurgroep de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt weer zal vergroten. ³De stuurgroep heeft niet eens gekeken waar we nu mee bezig zijn², zegt Van de Kerke. ³Er is al veel meer samenhang tussen de landelijke organen en ze groeien steeds meer naar elkaar toe. Maar onze inzet van de afgelopen jaren wordt in het onderzoek totaal miskend.² Bovendien vindt Van de Kerke het onzinnig van de stuurgroep om te denken dat het aantal kwalificaties iets met het aantal lob¹s te maken heeft. ³Het is toch een kromme redenering om te denken dat door het aantal lob¹s te verminderen automatisch het aantal kwalificaties zal afnemen. Zo werkt dat niet.²
Een nieuwe wet, zoals de Bve-raad wil, ziet Colo niet zitten. ³Op de eerste plaats zegt zowel de stuurgroep als de inspectie dat het eigenlijk nog veel te vroeg is voor een evaluatie, dus dan is het nog helemaal geen tijd voor een nieuwe wet. Bovendien is een conclusie dat de Web vaak wel de ruimte biedt, maar dat die ruimte niet benut wordt. Laten we dan maar eerst zorgen dat we die vrije ruimte wel goed gaan benutten.²
De minister heeft de partijen weer uitgenodigd voor een gesprek, waarna hij zijn bevindingen in januari aan de Tweede Kamer voor zal leggen. ³We zitten meer op de lijn van de minister dan op die van de Bve-raad², vervolgt Van de Kerke. ³In zijn reactie op de aanbevelingen zegt Hermans dat bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal landelijke organen een van de opties is. Ook Hermans vindt dat we niet meteen weer allerlei nieuwe wijzigingen in het stelsel moeten doorvoeren. Natuurlijk zijn er dingen, zoals begeleiding van de leerlingen, waar echt iets aan moet gebeuren, maar de manier waarop ligt nog niet vast.²
Ik hoop dat we de minister kunnen overtuigen van de noodzaak van een nieuwe wet², zegt Geert Wammes van de Bve-raad. Dat een nieuwe wet veel tijd kost, daarvan is de raad zich bewust. ³En dat betekent natuurlijk niet dat er tot die tijd niets gebeurt. Er zullen al dingen in gang worden gezet, zoals nu ook al het examenstelsel wordt veranderd. Maar voor een goede toekomst
van de bve-sector is een fundamentelere weg nodig dan enkele
reparatiewerkjes.²

De stilte rond de Web
Beroepsonderwijs vangt weinig aandacht. En dat terwijl de invoering van de Web een van de grootste operaties op onderwijsgebied was, veel groter dan bijvoorbeeld de invoering van de basisvorming. Sommigen wijten dat aan de journalisten en politici: zij noch hun kinderen kennen het beroepsonderwijs. Het onderwerp zou daarom gewoon niet leven.
Absoluut onwaar², zegt Kamerlid Clemens Cornielje (VVD, havo, lerarenopleiding). ³In de Kamer wordt er veel over gesproken, maar daar wordt minder over bericht. Misschien is het wel bij de journalisten een onbekend terrein en onbekend maakt onbemind.² Beroepsonderwijs heeft een bijzondere plek bij hem. ³Het is mij gelukt om de beroepskolom, een goede doorstroming vmbo/mbo/hbo, op de agenda te zetten bij de invoering van de Web. Dus dat de aandacht van de politiek meer naar de andere onderwijssectoren gaat, spreek ik met kracht tegen.²
Mohamed Rabbae (GroenLinks, vwo/universiteit) zegt vanuit een maatschappelijke betrokkenheid juist het beroepsonderwijs een warm hart toe te dragen. ³De Web beoogde beter en effectiever de leerlingpopulaties te kunnen aansturen. Het zouden drempelloze instellingen worden, maar in de praktijk blijken sommige leerlingen nog steeds te worden afgewezen. Daarin schuilt wel een gevaar want het zijn niet de dochters en zoons van academici die naar het mbo gaan. Ik strijd juist voor meer aandacht voor de zwakste schakels, bijvoorbeeld door een acceptatieplicht van roc¹s, zodat de minder begaafde leerlingen niet worden geweerd.² De mindere aandacht wijt hij aan de soort discussie die gevoerd wordt. ³De discussie over de basisvorming was meer ideologisch, die van het beroepsonderwijs is praktisch.²
Dat vindt ook Aart Mosterd (CDA, ulo/hbs/universiteit). ³Bij de discussie over de basisvorming was er een duidelijke politieke tegenstelling, dat is dan weer interessant voor de media. Maar voor de Web is er geen echte tegenstelling. In grote lijnen is iedereen het er wel over eens hoe dat beroepsonderwijs er uit moet zien, maar alleen over de manier waarop we dat moeten bereiken, verschillen de meningen.² Er is hem veel aan gelegen het beroepsonderwijs meer in de picture te laten komen. ³Mijn zoon is een mooi voorbeeld van iemand die de route mavo/mbo/hbo met goed gevolg heeft afgelegd. Dat sommige ouders denken dat dat minderwaardig zou zijn is doldwaas. Dat beeld moet echt veranderen.²

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.