• blad nr 3
  • 4-2-2006
  • auteur . Overige 
  • Dubbelinterview

Dubbelinterview 

Aysegul Korumaz en Fatma Sofu

Een mentor die nog voor je één les hebt gegeven tegen je zegt: “Ik let heel goed op taalgebruik, hoor.” Leerlingen die geen buitenlandse juf willen. Allochtone studenten komen vaak extra hobbels tegen in hun studieloopbaan. Aysegül Korumaz sleepte haar studiegenoot Fatma Sofu door het eerste jaar van de pabo.

linkerpagina
‘Van mijn vader had deze opleiding niet gehoeven’

Fatma Sofu, derdejaars aan de pabo van de Hogeschool Rotterdam.

“Ik had het in het eerste jaar heel zwaar. De eerste twee blokken gingen goed, maar toen werd mijn vader ziek. Omdat hij niet goed Nederlands spreekt, moest ik steeds met hem mee op doktersbezoek en naar ziekenhuizen. Dat kostte veel tijd en daardoor heb ik veel dingen van mijn studie laten liggen. Je moet verplicht 80 procent van de lessen aanwezig zijn. Dat haalde ik lang niet. Soms zag ik het echt niet meer zitten, ik heb erg getwijfeld of ik niet beter kon stoppen.
Aysegül was toen tweedejaars. Zij was mijn coach. Ze bleef me moed inpraten. ‘Kom op, het komt goed’, zei ze steeds. Ze hield me voor dat ik al 21 studiepunten had, het aantal dat je verplicht moet halen in je eerste jaar. Zij zei dat ik nu vooral de studieonderdelen moest doen die ik zelf het belangrijkst vond. Misschien zou ik zonder haar inderdaad zijn gestopt. Ze is heel overtuigend, hoor.
Ze begreep ook goed waar ik mee zat. De familiebanden zijn bij ons heel sterk. Als ik geen zin had om eens een avondje uit te gaan, begrepen andere studenten dat vaak niet zo goed. Maar met een vader die ziek thuis ligt, doe je dat gewoon niet. Dat zijn culturele verschillen. Onder elkaar praat je daar anders over.
We hadden onder begeleiding van Aysegül ook bijeenkomsten met een groepje allochtone studenten, om ervaringen uit te wisselen. Ik heb meegemaakt dat een stagebegeleidster, nog voor ze zich goed en wel had voorgesteld, tegen mij zei: ‘Ik let heel goed op taalgebruik, hoor.’ Net of ik als Turkse student automatisch veel fouten maak. Als je dan iemand achter in de klas hebt die zegt er goed op te letten, ga je juist fouten maken. Ik heb ook wel eens het gevoel gehad dat sommige leerlingen in stageklassen anders naar me keken omdat ik Turks ben. Anderen in mijn groepje hebben zelfs meegemaakt dat leerlingen ronduit zeiden dat ze geen buitenlandse juf wilden. Het helpt om zulke ervaringen te bespreken.
Mijn vader is nog steeds ziek, ja. Hij heeft hartritmestoornissen, dus er kan elk moment iets gebeuren. Maar hij hoeft niet meer zo vaak naar het ziekenhuis. Van hem had deze studie trouwens niet gehoeven. Ik heb al een mbo-opleiding achter de rug, dat vond hij wel genoeg. Van mijn moeder krijg ik meer steun. Die is best trots op me.”

rechterpagina
‘Niet mee mogen met een werkweek, die discussies ken ik’

Aysegül Korumaz, vierdejaars aan de pabo van de Hogeschool Rotterdam

“Van de zestig allochtonen die samen met mij aan het eerste jaar van de pabo begonnen, zijn er nu nog vier over. En mijn jaar is geen uitzondering. Heel veel allochtone studenten maken de opleiding niet af. De pabo wilde weten hoe dat kwam en daarom is een paar jaar geleden het project ‘allochtonen helpen allochtonen’ opgezet. Elke allochtone eerstejaars kreeg via dat project een ouderejaars allochtone student als coach.
Ik ben in mijn tweede jaar coach geworden van een groepje met vier eerstejaars: twee Turksen, één Surinaamse en één Joegoslavische. Eén daarvan, een Turks meisje, is gestopt, al in het eerste jaar. Ze moest thuis veel te veel doen. Dat zie je heel vaak, vooral bij Turkse en Marokkaanse meisjes. Van hen wordt verwacht dat ze hun moeder helpen, dat ze op hun broertjes en zusjes passen, dat ze klaarstaan als er visite is, enzovoorts. School komt op de tweede plaats, aan huiswerk kom je dan niet meer toe. En dan red je het niet. Hartstikke zonde.
Maar de andere drie die ik coachte, studeren nog steeds. Daar ben ik heel trots op. Wat het inhoudt om coach te zijn? Allereerst kom je af en toe bij elkaar met je groepje, om ervaringen uit te wisselen. En verder kunnen ze me altijd bellen. Dat doen ze ook, nog steeds, hoewel het project is afgelopen. Laatst belde een meisje me omdat ze van haar ouders niet mee mocht met een werkweek. Nou, dat heb ik zelf ook meegemaakt, die discussies ken ik. Ik wilde heel graag mee, maar zij zeiden: ‘Dan halen we je van school af.’ Uiteindelijk mocht ik van de directeur een vervangende opdracht doen. Dat heb ik dat meisje dan ook geadviseerd: schrijf een brief aan de directeur.
Maar het belangrijkste is dat je als coach aandacht besteedt aan je studenten. Fatma belde me soms ’s avonds laat nog op. Die had het in het eerste jaar heel zwaar, omdat haar vader ziek was. Soms zag ze het helemaal niet meer zitten en dan belde ze mij. En dan zei ik: ‘Kom op, joh, je haalt het best’. Dat was eigenlijk al genoeg.
De pabo is afgelopen zomer met het coachingsproject gestopt, vanwege bezuinigingen. Heel jammer. Er waren dit jaar tachtig allochtone eerstejaars, ik denk dat de helft daarvan alweer weg is. En dat terwijl er veel vraag is naar allochtone leraren.”

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.